RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.3051 (beroep)
NL25.3081 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter van 12 maart 2026 in de zaak tussen
geboren op [geboortedag] 2002, van Tsjadische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het aanvullend terugkeerbesluit van 21 januari 2025 en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft de zaken op 12 maart 2026 op zitting aan de orde gesteld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het aanvullende terugkeerbesluit, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact heeft onderhouden met zijn gemachtigde tot het moment waarop de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. Uit het verweerschrift blijkt namelijk dat eiser op 17 maart 2025 is geïdentificeerd in Frankrijk, Nederland vervolgens een zogenoemde Dublinclaim heeft geaccepteerd en uiteindelijk de overdrachtstermijn is verlengd tot 4 oktober 2026, omdat eiser met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. In reactie op het verweerschrift heeft de gemachtigde van eiser op 10 maart 2026 laten weten dat hij geruime tijd geen contact heeft met eiser en geen idee heeft waar hij momenteel verblijft. Ook hierna, dus tot sluiting van het onderzoek door de rechtbank, is niet gebleken dat eiser contact heeft gehad met zijn gemachtigde. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.
3. Omdat op het beroep is beslist, is geen voorlopige voorziening meer nodig. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026 door
mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.