ECLI:NL:RBDHA:2026:7212

ECLI:NL:RBDHA:2026:7212

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer NL25.60594
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel (Ghana); geloofwaardigheid homoseksualiteit; minister heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser vaag over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard; gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.60594

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),

en

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 juli 2025 een asielaanvraag gedaan. De minister heeft deze asielaanvraag in eerste instantie met het besluit van 1 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming in Italië genoot. De minister heeft dit besluit op 18 september 2025 ingetrokken. Vervolgens heeft de minister de asielaanvraag met het bestreden besluit van 10 december 2025 afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Ghanese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1991. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Eiser ontdekte dat hij homoseksueel is toen hij veertien was en gevoelens kreeg voor [persoon A], een jongen uit zijn klas. Zij hadden een tijdje een relatie, maar werden op enig moment betrapt. De vader van eiser heeft toen op verschillende manieren geprobeerd om eiser van zijn homoseksualiteit te ‘genezen’ (waaronder spirituele genezing) en besloot als laatste om hem te laten trouwen met [persoon B]. Hoewel uit dit huwelijk een kind werd geboren, was het geen gelukkig huwelijk. Eiser onderhield ondertussen ook een relatie met [persoon C]. Eiser scheidde in 2017 van [persoon B] en zette zijn relatie met [persoon C] voort. Op enig moment werd eiser thuis, toen hij samen met [persoon C] was, aangevallen door tien personen uit zijn gemeenschap. [persoon C] wist te ontsnappen, maar eiser niet en werd door deze personen mishandeld. Nadat een pastoor eiser redde en hem naar het ziekenhuis bracht, heeft eiser zijn bedrijf in bouwstenen verkocht en vluchtte hij naar Europa.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;

(2) Homoseksualiteit en daaruit voortvloeiende problemen.

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar dat zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. De minister heeft daarom alleen beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Omdat dit volgens de minister niet het geval is, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen.

Goede procesorde

5. De gemachtigde van eiser heeft op woensdag 4 maart 2026 om 12:22 uur – één werkdag voor de zitting – nog een rapport van zeven pagina’s van [persoon D] (van LGBT Asylum Support) aan het dossier toegevoegd, zonder daarbij toe te lichten wat zij met dat rapport wilde bereiken. Hoewel de rechtbank aan partijen heeft meegedeeld dat zij uiterlijk één werkdag voor de zitting nog nieuwe stukken kunnen indienen, wordt die mogelijkheid begrensd door de goede procesorde. Gelet op de korte tijd tussen de indiening van het rapport en de zitting heeft de rechtbank geen tijd gehad om dit te bestuderen en op zitting is gebleken dat ook de gemachtigde van de minister pas vlak voor de zitting kennis heeft genomen van het rapport. De rechtbank zal dit rapport daarom weliswaar toelaten tot het procesdossier, maar betrekt dit rapport slechts bij de beoordeling van het beroep voor zover eiser daar een uitdrukkelijk beroep op heeft gedaan en het op de zitting is besproken.

Mocht de minister de homoseksualiteit van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig vinden?

6. Het is niet in geschil dat eiser zijn verklaringen over zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen niet volledig met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. De minister heeft daarom aan de hand van deze verklaringen zelf en de andere overgelegde bewijsstukken beoordeeld of dit asielmotief geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde uit artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Eiser betoogt dat de minister zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte ongeloofwaardig vindt om de reden dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser stelt allereerst dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij vaag verklaart over welke seksuele geaardheid hij heeft. Eiser is homoseksueel, maar heeft er – omdat hij onder dwang is getrouwd met een vrouw – moeite mee om dat te duiden. Zijn verklaring is dus, anders dan de minister tegenwerpt, niet vaag of wisselend. Het past daarom niet om van eiser te verwachten dat hij uitlegt hoe hij tot het besef is gekomen dat hij geen liefde (meer) voelt voor vrouwen. Bovendien koppelt de minister de vraag welke seksuele geaardheid eiser heeft aan de vraag voor wie hij liefde voelt, en onderkent de minister daarmee niet dat een homoseksuele man (ook) een vorm van liefde kan voelen voor een vrouw. Verder betoogt eiser dat hij uitgebreid heeft verklaard over de wijze en het moment waarop hij besefte dat hij homoseksueel is, de manier hoe hij hiermee is omgegaan en de relaties die hij heeft gehad. Gelet op de jonge leeftijd van eiser op dit moment en zijn referentiekader mag de minister niet méér verklaringen van hem verlangen. Tot slot betoogt eiser dat de minister zijn verklaringen over de spirituele genezing en zijn betrokkenheid bij de lhbti-gemeenschap in Nederland niet kenbaar in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. In het voornemen lijkt het er namelijk op dat de minister deze verklaringen geloofwaardig vindt, terwijl de minister daar in het bestreden besluit een ander standpunt over lijkt in te nemen.

Deze beroepsgrond slaagt. De minister stelt zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister werpt aan eiser tegen dat hij vaag heeft verklaard over zijn seksuele geaardheid, omdat hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij biseksueel is en hier in de correcties en aanvullingen op terugkomt door te stellen dat hij homoseksueel is. De rechtbank kan deze tegenwerping echter niet volgen.

Het klopt weliswaar dat eiser tijdens het gehoor uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zichzelf biseksueel noemt. Maar op basis van de verdere verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor bestaat er voldoende reden om te twijfelen of eiser de betekenis van dit begrip (volledig) heeft begrepen. Eiser verklaart namelijk dat hij zichzelf alleen biseksueel noemt omdat hij heeft geprobeerd samen te zijn met een vrouw en (onder dwang) met een vrouw is getrouwd. Daarnaast verklaart hij ook uitdrukkelijk dat hij niet van vrouwen houdt en dat hij enkel en alleen op mannen valt, en blijkt uit het nader gehoor niet dat eiser zich op enig moment (ook) tot vrouwen aangetrokken heeft gevoeld. Daarom valt niet uit te sluiten dat eiser tijdens het gehoor feitelijk heeft beoogd te verklaren dat hij homoseksueel is – wat overigens in lijn is met wat hij tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard en wat hij in de zienswijze en in beroep heeft gesteld – en dat hij zichzelf slechts biseksueel heeft genoemd vanwege zijn eerdere huwelijk met een vrouw. De minister heeft dat in het bestreden besluit niet onderkend.

Omdat de minister bovengenoemde tegenwerping “zwaar negatief” laat meewegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling en de rechtbank hieruit afleidt dat deze tegenwerping dragend is voor de motivering van het bestreden besluit, is het beroep van eiser alleen al daarom gegrond en ziet de rechtbank geen aanleiding meer om de overige beroepsgronden van eiser te bespreken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser, gelet op wat onder 6.2 is overwogen, gelijk krijgt en dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de geloofwaardigheid van de (gestelde) homoseksualiteit van eiser opnieuw zal moeten worden beoordeeld en deze beoordeling is voorbehouden aan de minister. De rechtbank zal de minister daarom opdragen om binnen acht weken na deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.P.C.G. Derksen

Griffier

  • mr. S.J.B. ter Beke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?