[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres
en
[eiser] , v-nummer: [nummer 2], eiser
mede namens hun minderjarige zoon:
[naam minderjarige zoon] , v-nummer: [nummer 3]
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eisers betogen dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Duitse autoriteiten hebben eerder aan eisers medegedeeld dat zij zouden worden teruggestuurd naar Algerije. Eisers vrezen voor indirect refoulement. Daarnaast vrezen eisers dat zij in Duitsland geen passende opvang zullen krijgen. Verder hebben eisers een conflict met hun familieleden en hebben zij er geen vertrouwen in dat de Duitse autoriteiten hen tegen deze familieleden kunnen beschermen. Tevergeefs hebben zij al eens bij de Duitse autoriteiten aangeklopt.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Duitsland nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024 en 14 februari 2025. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers geen concrete informatie naar voren hebben gebracht die aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen. Hierbij heeft de minister terecht betrokken dat er geen concrete feiten met hun familieleden hebben plaatsgevonden en dat eisers zich bij concrete problemen kunnen wenden tot de Duitse autoriteiten. De enkele stelling dat eisers zich tevergeefs tot de Duitse autoriteiten hebben gewend, maakt dit oordeel niet anders omdat er zich immers nog geen concrete feiten hebben voorgedaan. Nu gelet op het voorgaande ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, zal de rechtbank niet onderzoeken of er na of ten gevolge van de overdracht aan Duitsland een risico op refoulement bestaat.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?
6. Eisers betogen dat de minister onder voorgenoemde omstandigheden toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening en hun asielverzoeken in behandeling had moeten nemen.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielverzoeken van eiser niet in behandeling had hoeven nemen. Gelet op wat is overwogen onder 5.1, hebben eisers namelijk geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook heeft de minister mogen vinden dat eisers geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren hebben gebracht die maken dat hij hun asielaanvragen om die reden onverplicht in behandeling had moeten nemen. Hier komt nog bij dat wanneer de aangevoerde individuele omstandigheden al zijn betrokken bij de vraag of nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, de minister diezelfde omstandigheden niet nogmaals hoeft te beoordelen in het kader van het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling heeft genomen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.