RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32698
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de rechtbank op 31 oktober 2025 verzocht om aanhouding van de op 14 november 2025 geplande zitting teneinde nader onderzoek te doen naar het gebied van herkomst van eiser.
Eiser heeft de rechtbank op 5 november 2025 bericht in te stemmen met het verzoek tot aanhouding van verweerder. De rechtbank heeft daarop besloten de behandeling van het beroep aan te houden.
Verweerder heeft op 18 december 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M. Pater, waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Procesverloop
Inleiding
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1993 en de Ethiopische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 28 juni 2023 de hier aan de orde zijnde asielaanvraag ingediend.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Hij behoort tot de Amhara bevolkingsgroep en heeft vanwege zijn etniciteit in het verleden problemen ondervonden. Eiser heeft van 2018 tot 2021 in Tigray bij een onderwijsinstelling van de overheid gewerkt. Hij is teruggekeerd naar de Amhara regio als gevolg van problemen vanwege zijn etniciteit en als gevolg van het conflict in Tigray. Hij vreest bij terugkeer slachtoffer te worden van gewelddadigheden in Amhara en dat hij vanwege zijn contract met de overheid zal worden gedwongen terug te keren naar Tigray. Ook vreest hij problemen vanwege zijn politieke overtuiging.
Bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- De identiteit, nationaliteit en herkomst.
Verweerder acht het enige relevante element in het asielrelaas van eiser geloofwaardig. Eiser heeft volgens verweerder geen andere asielmotieven naar voren gebracht. Hij heeft weliswaar verklaard dat hij in Tigray bij de universiteit heeft gewerkt en dat er later in die regio een conflict is uitgebroken, maar hij had dat gebied toen al verlaten en is toen teruggekeerd naar de regio Amhara. Eiser heeft vervolgens langere tijd in Amhara verbleven. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn etniciteit. Daarbij is van belang dat hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij nooit eerder problemen heeft ondervonden vanwege zijn etniciteit. Zijn geuite vrees voor vervolging door de overheid, onder meer omdat zijn vrienden zich hadden aangesloten bij de Fano (Amhaarse milities), berust slechts op vermoedens van familieleden. Eiser heeft verder niet onderbouwd of geconcretiseerd dat de autoriteiten hem willen vervolgen. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico op ernstige schade loopt. Er is in Amhara weliswaar sprake van willekeurig geweld, maar dit is van een relatief laag niveau en eiser heeft geen individuele omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat hij een groter risico zou lopen om slachtoffer te worden van geweld. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Willekeurig geweld
4. Eiser betoogt, onder verwijzing naar landeninformatie, dat verweerder ten onrechte aanneemt dat er sprake is van een relatief lagere mate van willekeurig geweld in Amhara. Verweerder heeft dit standpunt onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Bovendien heeft verweerder ook miskend dat er diverse individuele omstandigheden zijn die maken dat eiser een groter risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld in Amhara.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:843) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2927) volgt dat verweerder bij de toepassing van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn (artikel 15c) zowel de individuele omstandigheden van een vreemdeling als de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst in aanmerking moet nemen. Als de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling door zijn enkele aanwezigheid al een reëel risico loopt op ernstige schade, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van zijn individuele omstandigheden. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat hij specifiek wordt geraakt wegens zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld vereist zal zijn voordat hij in aanmerking komt voor bescherming op grond van artikel 15c.
Uit paragraaf C7/14.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder aanneemt dat er in Amhara sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep heeft verwezen naar diverse (nieuws)artikelen en landeninformatie, waaronder van Amnesty International en het Belgische commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, over de veiligheidssituatie in Amhara. Verweerder heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat zijn oordeel is gebaseerd op informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië (AA) van januari 2024 en een actuele beoordeling van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) van 1 december 2025. TOELT heeft aan de hand van cijfers van ACLED (Armed Conflict Location and Event Data) geconcludeerd dat er sprake is van een lichte stijging van het aantal doden door geweldsincidenten in de periode van 1 januari 2025 tot en met 21 november 2025 (minimaal 1919, waarvan onduidelijk is hoeveel burgerslachtoffer) ten opzichte van 2023 (circa 1750). Ook is er gebleken van een stijging van het aantal incidenten in deze periode, te weten 789 ten opzichte van ruim 500. Afgezet tegen het aantal inwoners in Amhara, te weten bijna 23 miljoen, heeft verweerder terecht geoordeeld dat deze stijgingen op zichzelf niet zodanig zijn dat sprake is van een wezenlijke verslechtering waardoor niet meer de laagste gradatie van algemeen geweld voor de regio Amhara kan worden aangenomen. Eiser heeft aangevoerd dat er veel onduidelijkheid bestaat over het aantal dodelijke slachtoffers en dat het vermoeden bestaat dat er meer dodelijke slachtoffers zijn gevallen, zodat verweerder dus niet zonder meer kan afgaan op voormelde cijfers. Deze enkele stelling biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten voor een ander oordeel, nu onvoldoende duidelijk is in hoeverre dit vermoeden op feiten is gegrond, om hoeveel dodelijke slachtoffers het dan zou gaan etc. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder bij de beoordeling in het kader van artikel 15c heeft volstaan met de vaststelling van het aantal dodelijke slachtoffers afgezet tegen de omvang van de bevolking. Verweerder heeft namelijk ook betrokken dat de geweldsincidenten in Amhara gevolgen hebben voor de humanitaire situatie aldaar, waaronder de gevolgen voor het gezondheidssysteem. Die zijn echter niet zodanig dat daarin een grond bestaat voor een ander oordeel over de algemene veiligheidssituatie in Amhara. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat humanitaire hulp (ondanks de nodige uitdagingen) mogelijk is dankzij de inzet van de Ethiopische overheid. Verder heeft verweerder het aantal ontheemden betrokken en hun leefsituatie, en geconcludeerd dat er wat dat betreft geen substantiële wijzigingen heeft plaatsgevonden ten opzichte van het AA 2024. Ook heeft verweerder betrokken dat de op 4 augustus 2023 ingestelde noodtoestand op 4 juni 2024 is opgeheven en dat de regionale overheid maatregelen heeft genomen om de veiligheid te borgen. Verweerder heeft zijn oordeel over de 15c-situatie in Amhara op al deze elementen gebaseerd. De door eiser in dit kader overgelegde (nieuws)artikelen en landeninformatie schetsen geen (wezenlijk) ander beeld.
Bij de toepassing van artikel 15c moeten ook de individuele omstandigheden van een vreemdeling worden betrokken. Het is aan eiser om zijn persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden naar voren te brengen en te onderbouwen waarom daaruit volgt dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hier is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard nooit eerder problemen heeft ondervonden vanwege zijn etniciteit of zijn politieke overtuiging, welke verband houdt met zijn etniciteit. De rechtbank verwijst in dit verband ook nog naar wat zij hierna over eisers politieke overtuiging overweegt. Eiser heeft in dit kader verder betoogd dat zijn vrienden betrokken zijn bij de Fano (milities) en dat hij daardoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat en een groter risico loopt om slachtoffer te worden van geweld. Dit heeft verweerder niet hoeven te volgen. Eiser heeft dit vermoeden gebaseerd op enkele waarschuwingen van zijn familie, maar hij laat na dit te concretiseren en te onderbouwen.
De rechtbank overweegt dat eiser ook heeft aangevoerd dat hij vreest te worden gedwongen terug te keren naar Tigray omdat hij nog een contract zou hebben met de overheid en weer zou moeten gaan werken bij de universiteit aldaar, dan wel dat hij problemen met de overheid zal krijgen wegens contractbreuk. Eiser baseert deze stelling echter louter op niet geconcretiseerde vermoedens. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij een brief heeft ontvangen van de overheid waaruit zou blijken dat hij zal worden gedwongen om terug te keren naar de universiteit. Uit de door de tolk tijdens dit gehoor gegeven vertaling van deze brief volgt dat de overheid een algemeen bericht heeft uitgebracht waarin staat dat iedereen die tijdelijk is vertrokken bij de universiteit weer mag terugkeren. Hieruit volgt dus geen verplichting. Bovendien betreft dit een algemeen bericht en is het niet specifiek op eiser gericht. Daar komt bij dat eiser tijdens de zitting, desgevraagd, heeft verklaard dat hij na voornoemd bericht nooit meer iets heeft gehoord van de Ethiopische overheid. Hierin bestaat dus geen grond voor het oordeel dat moet worden aangenomen dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten vanwege zijn (eerdere) contract.
Eiser heeft tot slot ook aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn psychische gesteldheid niet heeft betrokken. De rechtbank volgt eiser hierin evenmin. Hij heeft zijn gestelde psychische klachten namelijk niet onderbouwd. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat zijn langdurige verblijf in het buitenland maakt dat hij een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft immers ook nagelaten om te concretiseren en onderbouwen waarom hij hierdoor een groter risico loopt.
Politieke overtuiging
5. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte zijn politieke overtuiging niet heeft aangemerkt als asielmotief.
De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij bij verschillende bijeenkomsten op de universiteit zijn politieke opvatting over de situatie van de Amhara heeft uitgesproken en heeft deelgenomen aan een demonstratie die werd georganiseerd door de Ethiopische orthodoxe kerk. Hoewel eiser, desgevraagd, ook heeft verklaard nooit problemen te hebben ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging of activiteiten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte de gestelde politieke overtuiging van eiser niet heeft aangemerkt als apart relevant element voor de beoordeling of eiser te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Eiser heeft immers verklaard – zoals verweerder ook heeft opgenomen in de samenvatting van het nader gehoor en in het voornemen - bij terugkeer te vrezen voor problemen vanwege zijn politieke overtuiging. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat eiser zijn politieke overtuiging niet als reden voor vertrek heeft aangevoerd. Voor zover verweerder hiermee wil betogen dat eisers politieke overtuiging niet als afzonderlijk relevant element hoefde te worden aangemerkt, volgt de rechtbank dit niet. Uit de Werkinstructie 2024/6 (p. 3) volgt immers dat onder een asielmotief dient te worden verstaan de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming, maar niet dat deze feiten en omstandigheden ook de (directe) reden voor de vlucht moeten zijn. De hiertoe aangedragen beroepsgrond slaagt.
6. Het beroep is hierom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7. De rechtbank zal hierna bezien of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
8. De rechtbank stelt voorop dat verweerder, zij het summier, eiser tijdens het nader gehoor heeft bevraagd over eisers politieke overtuiging. Eiser heeft hierover herhaaldelijk verklaard nooit problemen te hebben ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser heeft verder verklaard niet politiek actief te zijn geweest, maar dat hij (de rechtbank begrijpt: één of enkele keren) bij bepaalde gelegenheden zijn politieke mening over de vervolging van de Amhara’s heeft geuit. Eiser heeft, desgevraagd, ook verklaard dat hij in Nederland niks heeft gedaan met zijn politieke overtuiging, dat hij bij terugkeer wel zijn mening zou blijven uiten, maar niet actief aan bepaalde groepen zou deelnemen. Gelet op deze verklaringen heeft verweerder niet verder hoeven doorvragen. Eiser heeft in beroep ook niet concreet gemaakt wat hij nog meer had willen verklaren. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft geoordeeld, heeft verweerder ten onrechte nagelaten om eisers politieke opvattingen aan te merken als relevant element. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder in het voornemen en het bestreden besluit wel de zwaarwegendheid van eisers politieke overtuiging heeft beoordeeld. Eiser heeft tijdens het nader gehoor zeer summier geantwoord op de vragen van verweerder. Uit zijn antwoorden volgt dat hij bij een demonstratie en een aantal bijeenkomsten op de universiteit is geweest en zijn mening heeft geuit. Eiser had echter geen bijzondere rol bij deze bijeenkomsten en demonstratie en hij heeft hierdoor ook nooit problemen ondervonden. Ook anderen die bij die gelegenheden hun mening uitten hebben daardoor voor zover eiser weet geen problemen ervaren. Daarnaast heeft eiser verklaard in Nederland niks te doen met zijn politieke overtuiging. Weliswaar heeft eiser ook verklaard dat hij bij terugkeer naar Ethiopië zijn mening weer zal uiten, maar niet aannemelijk is dat hij hierdoor in de problemen zal komen. Deze vrees heeft eiser namelijk niet geconcretiseerd, laat staan onderbouwd. Eiser heeft niet geconcretiseerd hoe hij zijn politieke overtuiging wil uiten en waarom hij hierdoor verwacht in de problemen te geraken, terwijl hij hiertoe al tijdens het nader gehoor naar het oordeel van de rechtbank voldoende in de gelegenheid is gesteld. Ook in beroep heeft eiser dit niet gedaan. De rechtbank acht in dit kader tevens van belang dat eiser in beroep slechts heeft volstaan met de opmerking dat de toetsing van de zwaarwegendheid van zijn politieke overtuiging onvoldoende is, waardoor het bestreden besluit volgens hem ondeugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging bij terugkeer naar Ethiopië een gegronde vrees heeft vervolging en/of een reëel risico loopt op ernstige schade.
Conclusie
9. Gelet op wat er hiervoor, onder 8, is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.
10. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.