RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51864
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en
(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden en aanvullende stukken ingediend.
Verweerder heeft hier schriftelijk op gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Het asielrelaas
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en overlegt in beroep een kopie van het paspoort van zijn vader, alsmede een schriftelijke verklaring van zijn vader waaruit volgens eiser blijkt dat eisers vader in het bezit is van de Jemenitische nationaliteit en dat eiser zijn zoon is. Deze verklaring is voorzien van een stempel van de ‘Ministry of Foreign Affairs and Expatriates van de Republic of Yemen’. Ook overlegt eiser een kopie van de huwelijksakte van zijn ouders. Eiser stelt dat hij hiermee voldoende heeft aangetoond in het bezit te zijn van de Jemenitische nationaliteit en dat verweerder ten onrechte niet van deze nationaliteit is uitgegaan. In een aanvullend beroepschrift overlegt eiser een kopie van een rechtelijke uitspraak van de Al-Sheikh Othman Court of First Instance in Aden, waarin de Jemenitische rechter volgens eiser heeft vastgesteld dat [naam 1] juridisch en feitelijk de vader van eiser is. Eiser heeft eveneens een beëdigde Engelse vertaling van deze uitspraak bijgevoegd, voorzien van stempels en de verklaring van de beëdigde vertaler dat deze vertaling waarheidsgetrouw is. Het verweer
4. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet zijn aangetoond, zodat verweerder de inhoudelijke asielmotieven terecht niet heeft beoordeeld. De door eiser in beroep overgelegde documenten leiden volgens verweerder niet tot een ander oordeel. Zo is het door eiser overgelegde paspoort van zijn vader een kopie, die niet op echtheid kan worden onderzocht, en kan eiser hiermee de gestelde familieband niet aantonen. Ten aanzien van de schriftelijke verklaring van eisers vader overweegt verweerder dat deze niet als objectieve bron kan worden aangemerkt en de inhoud hiervan niet kan worden geverifieerd. Ook is niet gebleken dat deze verklaring is afgegeven op basis van een brondocument, zoals een geboorteakte, dan wel dat de inhoud is geverifieerd door het Ministerie van Buitenlandse zaken. Eiser heeft een kopie van de huwelijksakte van zijn ouders overgelegd, maar ook hiermee kan de gestelde familieband met eiser niet worden geverifieerd. Verweerder overweegt tot slot dat eiser tot op heden geen identificerende documenten bij verweerder heeft aangeleverd en concludeert dat eiser niet heeft aangetoond dat hij inspanning heeft verricht om de gevraagde documenten te verkrijgen. Niet is gebleken dat het voor eiser onmogelijk is om identificerende documenten te verkrijgen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
5. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat eiser te laat en te weinig inspanningen heeft verricht gedurende zijn asielprocedure om aan identificerende documenten te komen. Hierbij heeft verweerder kunnen meewegen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit ruim twee jaar in Nederland verbleef en gedurende zijn asielprocedure geen aantoonbare inspanning heeft verricht om aan zijn eigen identificerende documenten te komen. Eisers motivering ter zitting dat dit komt door een gebrek aan geld en kennis leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, ondanks dat het proces van opvragen en verkrijgen van documenten lang kan duren, niet valt in te zien waarom eiser tot aan het bestreden besluit hiertoe weinig inspanningen heeft verricht. Daarbij ligt het op de weg van eiser om zijn asielaanvraag met documenten te onderbouwen en is het belang hiervan door verweerder tijdens de asielprocedure meermaals benadrukt. Het gebrek aan inspanning komt daarom voor rekening en risico van eiser.
6. Voorts heeft verweerder kunnen meewegen dat niet is gebleken dat eiser niet aan identificerende documenten kan komen. Tijdens het aanmeldgehoor van 5 januari 2023 heeft eiser verklaard dat hij wel heeft geprobeerd om aan identiteitsdocumenten te komen, maar dat hij voor het aanvragen hiervan daadwerkelijk in Jemen aanwezig moest zijn. Verweerder overweegt hiertoe terecht dat dit tegenstrijdig is met de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Jemen, waaruit volgt dat een paspoort kan worden aangevraagd bij een Jemenitische diplomatieke vertegenwoordiging. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat de waarde van de kopie van het paspoort van eisers vader niet kan worden vastgesteld. Slechts originele documenten kunnen op echtheid worden onderzocht. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat middels de overgelegde kopie van het paspoort de familieband met eiser niet kan worden vastgesteld. Hierbij heeft verweerder kunnen meewegen dat eiser tijdens het nader gehoor van 8 september 2023 heeft verklaard geen Somalische nationaliteit te kunnen verkrijgen via zijn moeder, omdat de achternaam van de vader wordt gevolgd en eiser zijn moeders achternaam niet kan gebruiken. In eisers namenreeks komen echter de namen [naam 2] en [naam 3] niet voor, terwijl die wel in de namenreeks van eisers vader zijn opgenomen. Verweerder stelt hiermee terecht dat eisers verklaring niet klopt met de inhoud van de kopie van het identiteitsdocument van zijn vader.
7. Ten aanzien van het gegeven dat eiser een aantal dagen voor de zitting een foto van een Jemenitische rechterlijke uitspraak heeft overgelegd, overweegt de rechtbank allereerst dat het originele document niet ter beschikking is gesteld en verweerder dit originele document nog niet heeft kunnen betrekken in de beoordeling. Eiser heeft ter zitting verklaard dat dit originele document vanuit Jemen onderweg is naar Nederland. Verweerder stelt ten aanzien van de kopie van de Jemenitische rechterlijke uitspraak terecht dat eiser gedurende zijn asielprocedure meermaals heeft verklaard niet over identificerende documenten te beschikken en deze ook niet te kunnen bemachtigen. Verweerder stelt voorts terecht dat uit de Jemenitische rechterlijke uitspraak volgt dat eiser een identificerend document heeft overgelegd, dat is betrokken in de rechtszaak, en dat niet duidelijk is op basis van welke identificerende documenten de uitspraak is opgemaakt. In de Jemenitische uitspraak is namelijk het volgende opgenomen: “according to the attached Identify Card of the person the request was applied for, also the Identity Cards of his brothers, and that he has evidences”. Ook staat in de uitspraak het volgende: “Therefore, he signed in the minute and the mentioned provided with his request a copy of his ID Card + a copy of his Son’s ID Card + Copies of his sons ID Cards + copy of the witnesses’ ID Cards + Confirmation by the Community Committees + Photos”. Voor zover eiser ter zitting heeft verklaard dat hij voor deze procedure een kopie van zijn W-document heeft overgelegd, overweegt de rechtbank dat ook dit niet kenbaar uit de Jemenitische uitspraak volgt. Er wordt immers gesproken over een ‘Identity Card’, waarbij de rechtbank het niet zonder meer aannemelijk acht dat de Jemenitische rechtbank het W-document als equivalent van een identiteitskaart zou beschouwen. Eisers ter zitting ingenomen standpunt dat hij niet over identificerende documenten beschikt en dat hij, indien dit anders zou zijn, onmiddellijk deze documenten naar verweerder zou hebben opgestuurd omdat dat in het voordeel van zijn procedure zou werken, is niet nader onderbouwd.
8. Voor zover eiser ter zitting (met een verwijzing naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens) aanvoert dat verweerder de bewijswaarde van de door eiser overgelegde kopieën van documenten betwist en onvoldoende rekening houdt met eisers bewijsnood, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat op voorhand niet aan eiser wordt tegengeworpen dat hij een kopie van de rechterlijke uitspraak heeft overgelegd. Verweerder betwist wel de aannemelijkheid van de rechtelijke uitspraak op basis van de thans overgelegde kopie hiervan, vanwege de tegenstrijdigheid met eisers verklaring niet over identificerende documenten te beschikken.
Terugkeerbesluit
9. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder verplicht is om het beginsel van non-refoulement in alle fasen van de terugkeerprocedure te eerbiedigen. Het beginsel van non-refoulement houdt in dat een vluchteling niet mag worden teruggestuurd naar een land waar zijn of haar leven of vrijheid ernstig wordt bedreigd.
10. Verweerder heeft in het bestreden besluit tegen eiser een terugkeerbesluit naar Jemen uitgevaardigd. Het ligt daarom op de weg van verweerder om te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitvoering van het tegen eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit. Dit dient verweerder aan de hand van de meest recente landeninformatie te beoordelen. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar het landenbeleid Jemen en toegelicht dat voor een aantal provincies in Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen, voor een aantal andere provincies een relatief lager niveau wordt aangenomen en dat voor de overige provincies geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Omdat eiser niet kan verklaren uit welke provincie of regio in Jemen hij afkomstig is, volstaat volgens verweerder de motivering dat eiser terug kan keren naar een plek waar geen sprake is van willekeurig geweld. Ook zouden er geen omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat eiser het risico zou lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen. De rechtbank stelt vast dat deze motivering ter zitting voor het eerst kenbaar is gemaakt en niet in het bestreden besluit is opgenomen. Eiser is hierover ook niet gehoord in het kader van de voorbereiding van het terugkeerbesluit. Het bestreden besluit komt daarom voor gedeeltelijke vernietiging in aanmerking omdat het op dit punt in strijd is met het zorgvuldigheidsvereiste en het motiveringsvereiste.Conclusie
11. Zoals uit de bovenstaande overweging blijkt, bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit gedeeltelijk, namelijk voor zover aan hem een terugkeerbesluit is opgelegd. Er is geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten, nu onvoldoende duidelijk is hoeveel tijd de zorgvuldige voorbereiding van een eventueel nieuw terugkeerbesluit in beslag neemt.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.