[eiser 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 1992, van Ghanese nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser),
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. S. Hoesseinbaks).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordelen de rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft zonder mvv een verblijfsvergunning aangevraagd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij J. Amissah’ (referent) op grond van artikel 8 van het EVRM.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. De minister heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vier minderjarige kinderen. De kinderen zijn [persoon 1] , geboren [geboortedag 2] 2014 dus nu elf jaar oud, [persoon 2] , geboren [geboortedag 3] 2016 dus nu negen jaar oud, [persoon 3] , geboren [geboortedag 4] 2019 dus nu zeven jaar oud en [persoon 4] , geboren [geboortedag 5] 2023 dus nu twee jaar oud. De rechtbank heeft [persoon 1] en [persoon 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over deze procedure. Voorafgaand aan de zitting op 11 december 2025 heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier kindgesprekken gehouden met hen.
De rechtbank heeft de zaken op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Kasanovic als tolk in de Engelse taal en [persoon 1] en [persoon 2] , de oudste kinderen van eiser. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank heeft voor [persoon 1] en [persoon 2] een aparte terugkoppeling van de beslissing gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een samenvatting, is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Griffierecht
5. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Waar gaat deze zaak over?
6. Eiser heeft de Ghanese nationaliteit en verblijft sinds ongeveer 2012 in Nederland. De vier eerdergenoemde minderjarige kinderen van eiser verblijven rechtmatig in Nederland bij hun moeder die de Ivoriaanse nationaliteit heeft. Op 23 mei 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning om bij zijn minderjarige kinderen in Nederland te verblijven. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
- aktes van erkenning van de kinderen;
- verblijfspasjes van de kinderen;
- foto’s van eiser met zijn kinderen;
- een verklaring van de voetbalcoach van [persoon 1] en [persoon 2] ;
- een verklaring van de leerkracht van [persoon 1] ;
- kassabonnen van diverse winkels.
Het kindgesprek
7. Aangezien de procedure ook invloed heeft op de belangen van de minderjarige kinderen van eiser, heeft de rechtbank zoals gezegd een kindgesprek met [persoon 1] en [persoon 2] gevoerd. De rechtbank heeft daar op de zitting een samenvatting van gegeven. De samenvatting is ook aan het digitale dossier toegevoegd. Wat [persoon 1] en [persoon 2] tijdens dit kindgesprek hebben verteld, zal de rechtbank – voor zover van belang – bij de beoordeling betrekken.
Standpunt van de minister
8. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij niet in het bezit is van een geldige mvv. Ook wordt eiser niet vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar familieleven met zijn minderjarige kinderen maar het belang van de Nederlandse overheid weegt zwaarder dan het belang van eiser om het familieleven in Nederland uit te oefenen. De minister heeft hierbij onder andere in het nadeel van eiser meegewogen dat eiser het gezinsleven is begonnen en verder heeft ontwikkeld terwijl hij geen rechtmatig verblijf had en dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven in Ghana uit te oefenen.
Gezinsleven niet in geschil
9. Niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn minderjarige kinderen. In geschil is of de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen.
Standpunt eiser
10. Volgens eiser bestaat er wel een objectieve belemmering om het gezinsleven in Ghana uit te oefenen met het gezin. De moeder van de kinderen heeft namelijk een verblijfsvergunning in Nederland en komt zelf niet uit Ghana, zij heeft de Ivoriaanse nationaliteit. De vraag is daarom of zij wel toegang heeft tot Ghana. Dit heeft de minister ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling. De conclusie die de minister heeft getrokken berust daarom niet op een zorgvuldig onderzoek naar de feitelijke situatie. Dit geldt ook voor de belangen van de kinderen. In dit kader voert eiser aan dat de belangen van de minderjarige kinderen een eerste overweging dienen te vormen en dat aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend hoeven te zijn, aanzienlijk gewicht toekomt. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat de kinderen belang hebben om op te groeien met moeder en eiser, in één gezin. Eiser doet veel voor zijn kinderen zoals volgt uit de verklaring van de leerkracht en de voetbaltrainer. Eiser vervult een belangrijke rol in het leven van de kinderen die de minister ten onrechte te licht heeft bevonden. Daar komt bij dat [persoon 1] en [persoon 2] in hun vormende jaren zitten en dat eiser een enorm steentje bijdraagt aan hun ontwikkeling.
Oordeel van de rechtbank
11. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat gediend is bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.
De rechtbank is van oordeel dat de besluitvorming met betrekking tot de kinderen onzorgvuldig is geweest. De rechtbank legt dat hierna uit.
De preambule van het IVRK luidt als volgt:
“De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, …
Ervan overtuigd dat aan het gezin, als de kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap volledig kan dragen. Erkennende dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn of haar persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezinsomgeving, in een sfeer van geluk, liefde en begrip (…).”
Op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging. Dit is ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen.
In artikel 12, eerste lid, van het IVRK staat dat een kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen, het recht heeft die mening te uiten in een procedure die hem of haar (in)direct aangaat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het kind daartoe in de gelegenheid moet worden gesteld, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een vertegenwoordiger of daarvoor geschikte instelling. Deze verplichting geldt in gerechtelijke en in bestuurlijke procedures.
In artikel 6, tweede lid, van het IVRK staat dat de Staten die partij zijn, de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind waarborgen in de ruimst mogelijke mate.
In artikel 7, eerste lid, van het IVRK staat dat het kind vanaf de geboorte het recht heeft zijn of haar ouders te kennen, en door hen te worden verzorgd.
In artikel 9, eerste lid, van het IVRK staat dat de Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind.
In artikel 18, eerste lid, van het IVRK staat dat de Staten die partij zijn, alles doen wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Ouders of, al naar gelang het geval, wettige voogden, hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun allereerste zorg.
In artikel 27, eerste lid, van het IVRK staat dat Staten die partij zijn, het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind erkennen. In het tweede lid staat dat de ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, de primaire verantwoordelijkheid hebben voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind. Ten slotte staat in het derde lid dat de Staten die partij zijn, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen nemen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen …”
Het VN-Kinderrechtencomité(hierna: Comité) geeft als onafhankelijk deskundigenorgaan dat toezicht houdt op de implementatie van het IVRK door de Staten die partij zijn bij het verdrag nadere duiding aan de bepalingen van het IVRK. Dit doet het Comité door middel van General Comments en aanbevelingen. De General Comments en aanbevelingen zijn juridisch niet-bindend, maar geven wel een belangrijke aanwijzing hoe de artikelen van het IVRK moeten worden geïnterpreteerd. In General Comment nr. 7 over de implementatie van kinderrechten in de vroege kinderjaren, heeft het Comité voor de Rechten van het Kind de Staten die partij zijn bij het verdrag aangemoedigd te erkennen dat jonge kinderen dragers zijn van alle rechten die in het verdrag zijn vastgelegd en dat de vroege kinderjaren een cruciale periode vormen voor de verwezenlijking van deze rechten. Het belang van het kind wordt met name gewaarborgd in artikel 3. Het Comité schrijft over artikel 3 het volgende:
“Artikel 3 beschrijft het beginsel dat het belang van het kind een primaire overweging is bij alle activiteiten die kinderen betreffen. Vanwege hun relatieve onrijpheid zijn jonge kinderen afhankelijk van de verantwoordelijke autoriteiten om hun rechten en belangen te beoordelen en te behartigen waar het gaat om beslissingen en acties die van invloed zijn op hun welzijn, intussen rekening houdend met hun mening en ontwikkelende vermogens. Het beginsel van het belang van het kind duikt herhaaldelijk op in het Verdrag (o.a. in artikel 9, 18, 20 en 21, die het meest relevant zijn voor de vroege kinderjaren). Het beginsel van het belang van het kind is van toepassing op alle acties die kinderen betreffen en vereist actieve maatregelen om hun rechten te beschermen en hun overleven, groei en welzijn te bevorderen, evenals maatregelen om ouders te ondersteunen en helpen en anderen met een dagelijkse verantwoordelijkheid voor de verwezenlijking van de rechten van kinderen:
(a) Het belang van het individuele kind. Bij alle besluitvorming rond zorg, gezondheid, onderwijs enz. van een kind moet het beginsel van het belang van het kind in acht worden genomen, ook bij beslissingen door ouders, professionals en anderen die verantwoordelijk zijn voor kinderen. Er wordt bij Staten die partij zijn erop aangedrongen dat zij voorzieningen treffen dat jonge kinderen bij alle juridische procedures door iemand vertegenwoordigd worden die optreedt voor het belang van het kind en dat kinderen gehoord worden in alle gevallen waar zij in staat zijn hun mening of voorkeur uit te spreken; …”
Daarnaast luidt artikel 24, eerste, tweede en derde lid, van het Handvest als volgt:
Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in aangelegenheden die hen betreffen wordt passend belang gehecht in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid.
Bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
Ieder kind heeft er recht op regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.
In het arrest van het HvJEU in de zaak van [eiser 2] van 11 maart 2021 overweegt het HvJEU:
“36. Bovendien is in artikel 24, lid 2, van het Handvest bepaald dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen. Daaruit volgt dat deze bepaling zelf in ruime bewoordingen is gesteld en van toepassing is op besluiten die - zoals het geval is bij een terugkeerbesluit tegen een onderdaan van een derde land, die ouder is van een minderjarig kind - niet gericht zijn tegen deze minderjarige, maar wel aanzienlijke gevolgen met zich meebrengen voor deze minderjarige.
37. Deze vaststelling wordt bevestigd door artikel 3, lid 1, van het internationale Verdrag inzake de rechten van het kind, waarnaar de toelichtingen bij artikel 24 van het Handvest uitdrukkelijk verwijzen.
38. Volgens dat artikel 3, lid 1, moet bij alle maatregelen betreffende kinderen rekening worden gehouden met de belangen van het kind. Bijgevolg heeft deze bepaling in het algemeen betrekking op alle beslissingen en alle handelingen die kinderen direct of indirect raken, zoals het Comité voor de rechten van het kind van de Verenigde Naties heeft opgemerkt [zie dienaangaande, Algemeen Commentaar nr. 14 (2013) van het Comité voor de Rechten van het Kind over het recht van het kind om zijn belangen de eerste overweging te laten vormen (artikel 3, lid 1), CRC/C/GC/14, punt 19]."
Het Hof concludeert in dit arrest vervolgens dat de lidstaten, gelet op artikel 24, tweede lid, van het Handvest, rekening moeten houden met het belang van het kind vóór zij een met een inreisverbod gepaard gaand terugkeerbesluit vaststellen, ook al is dit besluit niet gericht tegen een minderjarige, maar tegen de vader van deze minderjarige.
Verder overweegt het EHRM in het arrest Jeunesse in rechtsoverweging 108 het volgende:
“Another important consideration is whether family life was created at a time when the persons involved were aware that the immigration status of one of them was such that the persistence of that family life within the host State would from the outset be precarious. It is the Court’s well-established case-law that, where this is the case, it is likely only to be in exceptional circumstances that the removal of the non-national family member will constitute a violation of Article 8.”
Uit rechtsoverweging 109 volgt daarnaast dat:
“Where children are involved, their best interests must be taken into account. On this particular point, the Court reiterates that there is a broad consensus, including in international law, in support of the idea that in all decisions concerning children, their best interests are of paramount importance. Whilst alone they cannot be decisive, such interests certainly must be afforded significant weight. Accordingly, national decision-making bodies should, in principle, advert to and assess evidence in respect of the practicality, feasibility and proportionality of any removal of a non-national parent in order to give effective protection and sufficient weight to the best interests of the children directly affected by it.”
12. De rechtbank is van oordeel dat uit de belangenafweging zoals de minister die in het bestreden besluit heeft gemaakt, onvoldoende volgt dat rekening is gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen. Zoals volgt uit bovenstaande artikelen uit het IVRK en de jurisprudentie van het HvJEU en het EHRM spelen de belangen van minderjarige kinderen een belangrijke rol en dient de minister deze belangen expliciet en nadrukkelijk bij zijn beoordeling te betrekken. Ook hebben kinderen vanaf de geboorte het recht om hun ouders te kennen, en door hen te worden verzorgd. Alhoewel de minister in het nadeel van eiser heeft mogen meewegen dat hij het gezinsleven is begonnen en verder heeft ontwikkeld terwijl hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had, volgt uit de hierboven genoemde arresten van het HvJEU en het EHRM dat de minister in beginsel ook rekening dient te houden met en dient te beoordelen of de verwijdering van een derdelandse ouder praktisch haalbaar en evenredig is, teneinde het belang van de kinderen die hierdoor rechtstreeks worden getroffen, doeltreffend te beschermen en aan dat belang voldoende gewicht toe te kennen. Bovendien volgt uit het beleid van de minister zelf dat het belang van het kind in iedere beslissing een eerste overweging vormt waaraan aanzienlijk gewicht toekomt. De minister heeft zijn conclusies dat minderjarige kinderen zich makkelijk kunnen aanpassen in een ander land, dat eiser en de moeder van de kinderen hun ook in Ghana een stabiel leven kunnen geven en dat zij het familieleven in Ghana kunnen uitoefenen dan wel dat het familieleven op afstand kan worden vormgegeven als eiser alleen naar Ghana zal gaan, hoofdzakelijk gebaseerd op de leeftijd van de minderjarige kinderen. De rechtbank ziet in het bestreden besluit onvoldoende terug dat de minister zich de vraag heeft gesteld wat het voor het evenwicht en de ontwikkeling van de minderjarige kinderen betekent als eiser alleen naar Ghana zal gaan en zij op afstand hun relatie met eiser moeten invullen.
Ook heeft de minister zich onvoldoende kenbaar de vraag gesteld wat het voor het evenwicht en de ontwikkeling van de minderjarige kinderen betekent als zij met eiser mee zouden gaan naar Ghana. Daarbij heeft de minister ook onvoldoende kenbaar betrokken dat de moeder van de minderjarige kinderen de Ivoriaanse nationaliteit bezit en het daardoor niet duidelijk is of zij wel toegang heeft tot Ghana. Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank te snelle conclusies getrokken die niet gebaseerd zijn op gedegen onderzoek naar de belangen van de minderjarige kinderen. Het belang van de minderjarige kinderen is daardoor niet zorgvuldig genoeg in kaart gebracht. Dit klemt te meer nu vooral [persoon 1] en straks ook gevolgd door [persoon 2] hun puberteit ingaan, een levensfase van grote veranderingen, fysiek, mentaal en ook wat betreft school.
Daar komt bij dat de minister het standpunt van eiser, dat hij een betrokken vader is in het leven van de minderjarige kinderen, niet daadwerkelijk beargumenteerd heeft betwist. De minister heeft in dit kader wel in het bestreden besluit overwogen dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij feitelijk invulling geeft aan het familieleven met zijn kinderen. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister niet en overweegt dat uit het dossier, de zitting bij de rechtbank, de kindgesprekken die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de zitting en de hoorzitting in bezwaar, naar voren komt dat eiser wel degelijk een betrokken rol heeft in het leven van zijn minderjarige kinderen en dat er een hechte persoonlijke band tussen hen bestaat. In het bestreden besluit overweegt de minister zelf ook meermaals dat de kinderen volledig afhankelijk zijn van eiser en van hun moeder. Eiser brengt en haalt [persoon 1] en [persoon 2] van school en voetbaltraining. Daarnaast heeft [persoon 1] verklaard dat eiser regelmatig kookt en kleding voor hen koopt. Ook heeft [persoon 1] verklaard dat eiser en zijn moeder allebei voor de helft de verzorging op zich nemen. Verder spelen zij samen, doen zij samen boodschappen en winkelen zij samen. Het is zijn grootste wens om met het hele gezin in Nederland te zijn. In het licht van al deze informatie berust het standpunt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij feitelijk invulling geeft aan het gezinsleven niet op zorgvuldig onderzoek. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat de intensiteit van het gezinsleven niet zorgvuldig in kaart is gebracht.
Conclusie en gevolgen
13. De slotsom is dat de minister geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de belangen van de minderjarige kinderen. De feiten en belangen die moeten worden vastgesteld in het kader van artikel 8 van het EVRM zijn dus niet goed vastgesteld. De gevolgen van het niet verlenen van een verblijfsvergunning aan eiser voor het evenwicht en de ontwikkeling van de kinderen – in de verschillende mogelijke scenario’s namelijk scenario a) eiser vertrekt naar Ghana zonder de kinderen en scenario b) de kinderen gaan met eiser mee naar Ghana – zijn niet voldoende onderzocht. Omdat de feiten en belangen niet goed zijn vastgesteld, heeft de minister in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ook niet alle belangen zorgvuldig kunnen wegen.
14. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de minister opdragen opnieuw op de bezwaren van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank overweegt daarbij voorts nog het volgende.
De opdracht aan de minister om bij besluiten als de onderhavige de belangen van een kind in kaart te brengen, is vaak niet eenvoudig. De rechtbank heeft daar begrip voor nu het niet de primaire expertise van de minister is om belangen van kinderen vast te stellen. Toch is de minister tot een zorgvuldig onderzoek gehouden omdat hij een besluit neemt dat ingrijpt in het familieleven van het kind en hij via artikel 6, tweede lid, van het IVRK ook in de ruimst mogelijke mate de ontwikkeling van het kind dient te waarborgen. Net zoals de overheid gehouden is een zorgvuldig onderzoek te doen indien zij via een civielrechtelijk traject - bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing – besluit in te grijpen in het familieleven van een kind. Dat civielrechtelijke onderzoek vindt standaard plaats door de Raad voor de Kinderbescherming of een Gecertificeerde Instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Beide instellingen zijn als deskundig te beschouwen voor de door hen te verrichten taak.
Vanuit het perspectief van een kind maakt het overigens geen verschil of er via vreemdelingenrechtelijke dan wel civielrechtelijke weg in zijn leven wordt ingegrepen. Artikel 6, tweede lid van het IVRK geldt ook voor beide rechtsgebieden. Net zoals artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het IVRK.
In iedere vreemdelingenzaak waarbij de belangen van een kind zijn betrokken, is het dan ook van belang dat het onderzoek naar- en het vaststellen van de belangen van het kind zorgvuldig gebeurt, door daartoe deskundig te achten personen. De rechtbank is van oordeel dat het in deze zaak aangewezen is dat het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming plaatsvindt.
De minister zal de uitkomst van dat onderzoek moeten betrekken bij het nieuw te nemen besluit. Het onderzoek zal zich in ieder geval moeten richten op de volgende aspecten:
1. wat betekent het voor het evenwicht en de ontwikkeling van de kinderen als eiser naar Ghana verhuist en de kinderen hier bij moeder in Nederland blijven?;
2. wat betekent het voor het evenwicht en de ontwikkeling van de kinderen als zij met eiser en hun moeder naar Ghana verhuizen?;
3. wat betekent het voor het evenwicht en de ontwikkeling van de kinderen als zij met eiser, zonder hun moeder, naar Ghana verhuizen?
De rechtbank geeft de minister hiervoor zestien weken na de dag van het verzenden van deze uitspraak.
Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.5144:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit;
- draagt de minister op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.5145:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.
Bijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [persoon 1] en [persoon 2]
Beste [persoon 1] en [persoon 2] ,
Op 11 december 2025 hebben wij met elkaar gepraat in de rechtbank Amsterdam. Wat goed van jullie dat jullie naar de rechtbank zijn gekomen voor een kindgesprek. Jullie hebben duidelijk verteld wat jullie vinden van de zaak. Wij leggen in deze brief uit welke beslissing de rechtbank heeft genomen.
Op de zitting in de middag waren jullie ook aanwezig. Jullie vader was er ook en hij werd geholpen door zijn advocaat. Ook was er de vertegenwoordiger van de minister.
Jullie hebben verteld dat jullie vader veel dingen samen met jullie doet, voor jullie zorgt en dat jullie graag willen dat hij bij jullie hier in Nederland kan blijven.
De vertegenwoordiger van de minister heeft verteld hoe zij aankijkt tegen de zaak. Ook heeft de advocaat van jullie verteld hoe hij aankijkt tegen de zaak.
Na de zitting heb ik samen met mijn collega die ook aanwezig was bij het gesprek met jullie en daarna ook op de zitting nagedacht over onze beslissing.
De beslissing
De beslissing is dat jullie vader gelijk krijgt. De minister moet opnieuw een besluit nemen. Dit leggen wij hieronder uit.
Wij hebben besloten dat de minister niet goed naar jullie situatie heeft gekeken. Jullie vader wil graag bij jullie in Nederland kunnen blijven en vindt dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten voor de Mens hem dat recht geeft. In dit verdrag staan de regels over mensenrechten. In artikel 8 staat dat iedereen recht heeft op gezinsleven (het samen leven met je gezin).
De minister vindt dat er wel gezinsleven is, maar vindt dat de belangen van Nederland om geen verblijfsvergunning aan jullie vader te geven, groter zijn dan het belang van jullie vader om wel een verblijfsvergunning te krijgen.
De rechtbank vindt dat de afweging van de belangen niet goed is gemaakt. De minister heeft niet goed gekeken naar de vraag hoe het voor jullie zal zijn als jullie met moeder hier in Nederland blijven, terwijl jullie vader naar Ghana verhuist. Ook is niet goed gekeken naar hoe het voor jullie zal zijn als jullie met jullie vader mee verhuizen naar Ghana. En of jullie moeder dan wel mee zou kunnen naar Ghana.
De minister moet nu eerst de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek laten doen naar deze vragen. Als dat onderzoek klaar is, dan moet de minister een nieuw besluit nemen waarbij hij rekening houdt met wat de Raad voor de Kinderbescherming heeft opgeschreven.
Hoe gaat het nu verder?
De minister moet nu van de rechtbank een nieuwe beslissing nemen over de vraag of jullie vader een verblijfsvergunning kan krijgen op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister kan nu twee dingen doen: of de minister besluit dat jullie vader een verblijfsvergunning krijgt, of de minister neemt opnieuw een negatief besluit met een betere uitleg, nadat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek heeft gedaan. Ik heb de minister daarvoor zestien weken de tijd gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen deze termijn een nieuw besluit krijgen.
De rechtbank kan niet zelf een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM verlenen aan jullie vader. Dat is de bevoegdheid van de minister. De rechtbank controleert alleen of het besluit van de minister zorgvuldig is genomen en goed is uitgelegd.
Als jullie het niet eens zijn met onze beslissing, dan kunnen jullie binnen vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de zaak gaat kijken. Ook de minister kan in hoger beroep gaan als hij het niet eens met de beslissing van de rechtbank.
Als er geen hoger beroep komt, dan is de procedure na deze beslissing klaar. Wel moet de minister dan dus een nieuw besluit nemen.
Wij hopen dat het voor jullie zo duidelijk is wat de rechtbank heeft beslist, en waarom we die beslissing hebben genomen. Verder hopen wij dat het goed met jullie zal gaan.
Groetjes,
De migratierechter: Dana Baldinger
De gerechtsjurist: Karlijn Mertens
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.