ECLI:NL:RBDHA:2026:7224

ECLI:NL:RBDHA:2026:7224

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer NL26.13849
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring, opgeheven, verblijf in Nederland daadwerkelijk beëindigd, gronden van de maatregel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13849

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),

en

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze bewaring is inmiddels opgeheven.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Heeft eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk beëindigd?

2. Eiser voert aan dat er geen grondslag bestaat om hem in bewaring te stellen nu hij als Unieburger rechtmatig verblijf heeft. In het verleden is hem weliswaar een verwijderingsbesluit opgelegd, maar hij heeft zijn verblijf in Nederland nadien daadwerkelijk en effectief beëindigd. Eiser heeft in dit verband stukken overgelegd, waaruit volgt dat hij het centrum van zijn activiteiten heeft verplaatst naar Polen. Zo is hij gestart met een integratietraject bij stichting Barka, heeft hij een (correspondentie)adres in Polen, heeft hij zijn schulden aangepakt en heeft hij in Polen een ziektekostenverzekering afgesloten. Het verwijderingsbesluit is daarmee uitgewerkt. Eiser is enkel naar Nederland teruggekeerd om een aantal zaken af te ronden. Vanwege het uitgewerkte verwijderingsbesluit kan de minister eiser niet in bewaring stellen.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2021 (F.S. tegen Nederland) volgt dat alleen fysiek vertrek niet volstaat. Een burger van de Unie moet zijn verblijf daadwerkelijk en effectief hebben beëindigd zodat bij een terugkeer naar die lidstaat zijn verblijf in werkelijkheid geen voorzetting is van zijn eerdere verblijf in deze lidstaat.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De rechtbank licht dit hieronder toe.

De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 7 oktober 2022 een verwijderingsbesluit is opgelegd. Sindsdien is eiser drie keer vanuit Nederland naar Polen uitgezet: op 6 januari 2023, 12 februari 2024 en 17 juni 2025. Eiser stelt dat hij na zijn laatste uitzetting in Polen een reïntegratietraject heeft gevolgd, waarbij hij heeft gewerkt en een behandeling heeft ondergaan voor zijn alcoholverslaving. Hij heeft in dit verband een overeenkomst overgelegd tussen hem en de stichting Barka.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij het centrum van zijn leven naar Polen heeft verplaatst. In de eerste plaats niet omdat eiser niet duidelijk heeft gemaakt of hij dit traject ook daadwerkelijk heeft gevolgd en, zo ja, hoe lang hij dit heeft gedaan. De overeenkomst, die is gedateerd op 23 juli 2025, gaat immers uit van een proeftijd van één maand en een vervolg van elf maanden (totale duur van één jaar). Omdat eiser naar eigen zeggen tot december 2025 in Polen heeft verbleven en toen naar België is gereisd, staat vast dat hij dit traject niet kan hebben afgerond. Ook stelt eiser salaris te hebben ontvangen maar heeft hij dit niet onderbouwd met bijvoorbeeld salarisspecificaties of stortingen op zijn bankrekening. Voor zover eiser wijst op de ziektekostenverzekering die hij heeft gekregen, leidt dit evenmin tot het oordeel dat hij in Polen een leven heeft opgebouwd. Uit de overgelegde verklaring volgt niet meer dan dat de verzekering geldt voor de duur van 90 dagen (van 25 juni 2025 tot 25 september 2025) omdat eiser geen inkomen uit werk zou hebben. Hetzelfde oordeel geldt voor zover eiser stelt dat hij in Polen heeft gewerkt aan het aflossen van zijn schulden. De overgelegde verklaring van 28 juli 2025 is een verklaring van eiser zelf, waarin staat dat hij sinds juni 2025 deelneemt aan het traject van Barka en dat hij bereid is een betalingsregeling te treffen met zijn schuldeisers. Hieruit kan ook niet worden afgeleid dat eiser een nieuw leven in Polen heeft opgebouwd.

De rechtbank overweegt voorts dat ook uit de gedragingen van eiser na zijn vertrek uit Polen niet volgt dat hij elders buiten Nederland een nieuw leven heeft opgebouwd. Eiser stelt in België te hebben gewerkt, maar onderbouwt dit niet. Verder is namens de minister gebeld met de door eiser opgegeven contactpersoon in België, bij wie eiser stelt te hebben ingewoond. Deze persoon ontkent dat en stelt dat eiser naar Nederland is gegaan in de hoop daar werk te vinden. Eiser stelt zelf op 5 maart 2026 vanuit België naar Nederland te zijn gereisd. Hij is vervolgens op 9 maart 2026 slapend op de openbare weg aangetroffen en vervolgens aangehouden vanwege nog openstaande boetes. Deze omstandigheden geven geen blijk van een beoogd tijdelijk verblijf in Nederland. Voor zover eiser stelt dat hij in Nederland was om zijn spullen op te halen en een bankrekening te sluiten, valt niet in te zien dat eiser hier meerdere dagen voor nodig heeft.

De minister was gelet op het voorgaande niet gehouden voorafgaand de inbewaringstelling een nieuw verwijderingsbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Kunnen de gronden de maatregel dragen?

3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser is niet in het bezit van een verblijfstitel, aangezien eiser een verwijderingsbesluit opgelegd heeft gekregen dat niet is uitgewerkt. De verwijzing van eiser naar artikel 5 en 6 van het Verblijfsrichtlijn maakt dit niet anders. Dit geeft eiser geen recht op inreis om in Nederland te verblijven. Ook de zware grond 3c, is feitelijk juist. Dit wordt ook niet betwist door eiser. Eiser heeft namelijk een verwijderingsbesluit ontvangen op 7 oktober 2022. Ondanks dat uit het besluit bleek dat eiser Nederland moest verlaten, is eiser meerdere keren teruggekomen. Voor de zware gronden 3a en 3c is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen en eiser ook worden tegengeworpen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A. van Hoof

Griffier

  • mr. N. El-Amrani

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?