ECLI:NL:RBDHA:2026:7231

ECLI:NL:RBDHA:2026:7231

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer NL25.9215 en NL25.9216
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Artikel 8 van het EVRM. De minister heeft niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken. Het belang van de dochter van eiser, eisers werkzaamheid in de zorgsector en zijn nieuwe relatie zijn niet voldoende onder ogen gezien en niet voldoende kenbaar bij de afweging betrokken. Als gevolg hiervan is het standpunt van de minister dat de belangenafweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’, niet zorgvuldig voorbereid en niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd, beroep gegrond.

Uitspraak

[eiser] ,

geboren op [geboortedag 1] 1987, van Surinaamse nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser),

(gemachtigde: mr. A. Berends),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S. Hoesseinbaks).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordelen de rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor het verblijfsdoel ‘Verblijf bij familie- of gezinslid’ en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

De minister heeft met het besluit van 15 augustus 2024 de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. De minister heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft twee kinderen. De kinderen zijn [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 2006 en [persoon 2] , geboren op [geboortedag 3] 2008. De rechtbank heeft [persoon 2] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken over deze procedure. Voorafgaand aan de zitting op 11 december 2025 heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek gehouden met haar.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. De voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. De rechtbank heeft voor [persoon 2] een aparte terugkoppeling van de beslissing gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een samenvatting, is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Waar gaat deze zaak over?

5. Eiser is op 23 augustus 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning

regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘Verblijf bij familie- of gezinslid’ bij zijn toenmalige partner [persoon 3] , geldig tot 23 augustus 2024. Vervolgens zijn aan zijn zoon [persoon 1] en dochter [persoon 2] ook verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd verleend zodat zij bij eiser in Nederland konden verblijven. Met het primaire besluit van 15 augustus 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken tot 6 augustus 2021 omdat zijn relatie met [persoon 3] vanaf die datum was verbroken. Daarnaast heeft de minister aan [persoon 1] en [persoon 2] ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden verstrekt. Eiser is het niet eens met de intrekking van zijn verblijfsvergunning en stelt dat de minister een verblijfsvergunning aan hem dient te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM wegens de uitoefening van het gezinsleven met zijn momenteel meerderjarige zoon en minderjarige dochter. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 is de minister bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser gebleven.

Het kindgesprek

6. Aangezien de procedure ook invloed heeft op het belang van de minderjarige dochter van eiser, [persoon 2] , heeft de rechtbank zoals gezegd een kindgesprek met haar gevoerd. De rechtbank heeft daar op de zitting een samenvatting van gegeven. De samenvatting is ook aan het digitale dossier toegevoegd. Wat [persoon 2] tijdens dit kindgesprek heeft verteld, zal de rechtbank – voor zover van belang – bij de beoordeling betrekken.

Standpunt van de minister

7. De minister stelt zich op het standpunt dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar gezinsleven met zijn kinderen, maar het Nederlands algemeen belang weegt zwaarder dan het belang bij uitoefening van het familie- of gezinsleven met de kinderen in Nederland. Daarnaast meent de minister dat de relatie van eiser met zijn nieuwe partner, [persoon 4] , niet onder het te beschermen gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM valt, omdat niet is aangetoond in welke mate er invulling wordt gegeven aan dit familie- of gezinsleven. Ook heeft de minister erop gewezen dat voor gezinsleven met deze nieuwe partner een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning kan worden ingediend.

Ook is de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser niet in strijd met artikel 8 van het EVRM vanwege de uitoefening van zijn privéleven. Met inachtneming van alle door eiser aangevoerde omstandigheden wordt geen schending aangenomen van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hierbij is van belang dat niet aangetoond en gebleken is dat sprake is van een bijzondere binding van eiser aan Nederland die een normale binding overstijgt. Evenmin is gebleken van een situatie waarin eiser geen enkele binding heeft met Suriname of anderszins omstandigheden op grond waarvan terugkeer van eiser naar Suriname niet verwacht zou mogen worden.

Gezinsleven niet in geschil

8. Niet is in geschil dat tussen eiser en zijn kinderen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Tussen partijen is in geschil of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Standpunt eiser

9. Eiser voert aan dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden (deugdelijk) en in onderlinge samenhang heeft betrokken en dat de belangenafweging niet getuigt van een “fair balance” tussen enerzijds de belangen van eiser, zijn kinderen en zijn nieuwe partner en anderzijds de belangen van de Nederlandse samenleving. De kinderen verblijven vijf jaar in Nederland en hebben hier privéleven opgebouwd. Zij hebben zeer belangrijke vormende jaren in Nederland doorgebracht en zien hun toekomst in Nederland. Verder heeft de minister geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de kinderen in Nederland passend onderwijs krijgen in verband met een leerachterstand en evenmin met het in bezwaar aangehaalde rapport “Schaderisico bij uitzetting langdurig verblijvende kinderen - Een multidisciplinaire wetenschappelijke onderbouwing”. Ook betekent de enkele omstandigheid dat het voor eisers dochter niet onmogelijk zou zijn om terug te keren naar Suriname, niet dat daarmee voldoende rekening is gehouden met haar belangen.

Over het economisch belang voert eiser aan dat de minister een onjuiste toets heeft toegepast. Bij de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM is niet van doorslaggevend belang dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de verleende verblijfsvergunning. Ook de vraag of sprake is van mogelijk prioriteit genietend aanbod op de arbeidsmarkt en de verwijzing naar de aanvraagprocedure ter verkrijging van een verblijfsvergunning in het kader van arbeid horen niet thuis in de artikel 8 EVRM-beoordeling. In dit kader verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling van 13 september 2022. De minister heeft niet nader geconcretiseerd waarom het economisch welzijn daadwerkelijk in het geding is.

Daarnaast voert eiser aan dat de minister zijn nieuwe relatie ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling. Ook heeft de minister een onderscheid gemaakt tussen het gezinsleven aan de ene kant en het privéleven aan de andere kant, terwijl beide factoren in onderlinge samenhang moeten worden gewogen. Ook in het kader van het terugkeerbesluit had de minister alle relevante persoonlijke feiten en omstandigheden inhoudelijk moeten beoordelen alvorens een terugkeerbesluit te nemen.

Oordeel van de rechtbank

10. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat gediend is bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de belangenafweging in het kader van het recht van eiser op uitoefening van gezinsleven met [persoon 2] onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan die belangen niet meer gewicht toekomt.

Eiser heeft vanaf 23 augustus 2019 een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn toenmalige partner gehad. [persoon 2] heeft vanaf toen samen met eiser in Nederland verbleven. Vervolgens heeft [persoon 2] een zelfstandig verblijfsrecht in Nederland gekregen. Deze verblijfsvergunning wordt verleend aan een minderjarig kind dat houder is geweest van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of een vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van artikel 3.5 van het Vb. Deze bepaling ziet ook op kinderen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging bij een van de ouders aan wie zelf in het kader van gezinsvorming verblijf in Nederland is toegestaan, zoals in het geval van eiser.

Op de zitting heeft de minister meegedeeld dat niet langer wordt vastgehouden aan het standpunt in het bestreden besluit, dat [persoon 2] ervoor kan kiezen om in Nederland te blijven terwijl eiser terugkeert naar Suriname. Dit standpunt wordt niet langer ingenomen omdat dit scenario tot gevolg zou hebben dat een gezagsvacuüm ontstaat gelet op de minderjarigheid van [persoon 2] . De intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft daarom tot gevolg dat [persoon 2] eiser naar Suriname zal moeten volgen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee het aan [persoon 2] toegekende zelfstandige verblijfsrecht wordt aangetast en illusoir wordt gemaakt. Ondanks dat [persoon 2] gelet op haar leeftijd niet voor alles meer afhankelijk is van de zorg van eiser, zal zij toch als minderjarige in bepaalde opzichten nog afhankelijk zijn van eiser, juist nu sprake is van een hechte band tussen beiden, ook omdat de moeder van [persoon 2] in Suriname woont.

En hoewel het de minister in beginsel vrijstaat te beslissen dat [persoon 2] een zelfstandig verblijfsrecht krijgt en op een later moment een beslissing neemt die haar in feite de mogelijkheid ontneemt nog langer van dat verblijfrecht te kunnen genieten, had de minister, naar het oordeel van de rechtbank, diepgaander dan hij in dit geval heeft gedaan, haar belangen dienen te onderzoeken en aan die belangen ook kenbaar een zwaarder gewicht toe moeten kennen dan nu uit de motivering van het bestreden besluit naar voren komt. Temeer nu [persoon 2] in eerste instantie in Nederland verblijf heeft gekregen middels een van eiser afhankelijk verblijfsrecht en er in het Vreemdelingbesluit bewust voor is gekozen om ook deze minderjarige vreemdelingen voor voortgezet verblijf in aanmerking te laten komen.

Door de minister is bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet volledig genoeg in kaart gebracht welke individueel belang [persoon 2] heeft bij voortgezet verblijf in Nederland. Mede daarom heeft de minister in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd waarom dat individuele belang niet zodanig zwaar weegt dat dat dient te prevaleren boven het economische belang van de Nederlandse overheid. En hoewel niet onaannemelijk is dat [persoon 2] , gelet op de periode die zij in Suriname heeft gewoond als kind en het ontbreken van een objectieve belemmering, ook in Suriname het gezinsleven met haar moeder weer zou kunnen uitoefenen, kan in het licht van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het IVRK en artikel 24, tweede lid, van het Handvest en het aan [persoon 2] toegekende voortgezet verblijf niet op de wijze waarop de minister dat in het bestreden besluit heeft gedaan, worden omgegaan met haar individueel belang. Dat is onzorgvuldig en niet in overeenstemming met het vertrouwen dat het kind mag ontlenen aan het haar verleende voortgezet zelfstandig verblijfrecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarom onvoldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van eiser in Nederland en het Nederlands algemeen belang.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij momenteel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij zijn werkgever. De rechtbank is van oordeel dat uit de belangenafweging niet volgt of het feit dat eiser werkzaam is, in het voordeel of in het nadeel van eiser is meegewogen. De minister heeft hier in het bestreden besluit enkel over opgenomen dat hier geen doorslaggevende waarde aan wordt toegekend. Zonder nadere motivering valt niet in te zien wat maakt dat de minister het werkzaam zijn van eiser in de zorg niet in zijn voordeel heeft meegewogen. In de zorgsector is namelijk al jarenlang een personeelstekort. Dat het mogelijk is dat er prioriteit genietend aanbod bestaat voor de door eiser verrichte arbeid en eiser een aparte aanvraag om een verblijfsvergunning kan indienen voor arbeid in loondienst doet hier niet aan af. Daar komt bij dat eiser al heel lang werkzaam is en momenteel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft. Eiser verwerft dus zijn eigen inkomsten. Niets in het dossier en het verhandelde op de zitting wijst erop dat hij zijn inkomsten verkrijgt of in de (nabije) toekomst zal verkrijgen uit de openbare middelen. Dat het bij het economisch belang ook gaat over de door de overheid betaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur heeft de minister niet nader en toegespitst op de situatie van eiser gemotiveerd.

De rechtbank overweegt verder dat de minister ten onrechte de nieuwe relatie van eiser niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. In het arrest Onur tegen het Verenigd Koninkrijk van het EHRM van 17 februari 2009 is geoordeeld dat aangezien artikel 8 van het EVRM ook het recht beschermt om relaties met andere mensen en de buitenwereld aan te knopen en te ontwikkelen en soms aspecten van iemands sociale identiteit kan omvatten, moet worden aanvaard dat de totaliteit van de sociale banden tussen gevestigde migranten en de gemeenschap waarin zij wonen, deel uitmaakt van het begrip 'privéleven' in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ongeacht het al dan niet bestaan ​​van een 'gezinsleven', vormt de uitzetting van een gevestigde migrant derhalve een inbreuk op zijn of haar recht op respect voor het privéleven. De rechtbank overweegt dat ook al is de minister van mening dat er geen familieleven tussen eiser en zijn nieuwe partner bestaat, de minister wel gehouden is om de relatie kenbaar mee te wegen in het kader van het privéleven. In lijn met de rechtspraak van het EHRM heeft de minister in het primaire besluit zelf ook overwogen dat het privéleven bestaat uit alle banden die iemand met Nederland heeft, waarbij als voorbeeld is gegeven het hebben van (familie)relaties.

De rechtbank komt tot de slotsom dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Het belang van [persoon 2] , eisers werkzaamheid in de zorgsector en de nieuwe relatie van eiser zijn niet voldoende onder ogen gezien en niet voldoende kenbaar bij de afweging betrokken. Als gevolg hiervan is het standpunt van de minister dat de belangenafweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’, niet zorgvuldig voorbereid en niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken na de dag van het verzenden van deze uitspraak.

Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De minister moet ook het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.9215:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

De voorzieningenrechter:

in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.9216:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.

Bijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [persoon 2]

Beste [persoon 2] ,

Op 11 december 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Wat goed van jou dat je naar de rechtbank bent gekomen voor een kindgesprek. Je hebt duidelijk verteld wat je vindt van de zaak. Wij leggen in deze brief uit welke beslissing de rechtbank heeft genomen.

Tijdens het kindgesprek heb je verteld dat je op je elfde naar Nederland bent gekomen met jouw vader en jouw broer. Je hebt het leuk op school en je gaat binnenkort beginnen aan een nieuwe baan in een hotel. Je woont nog steeds samen met jouw vader en dat gaat goed. Je hebt verteld dat jouw vader voor jou en jouw broer zorgt. Hij doet veel met jullie zoals shoppen, wandelen, naar de outlet en bioscoop gaan en uiteten. De relatie tussen jou en jouw vader is goed. Ook heb je verteld dat je het moeilijk zou vinden als je met jouw vader naar Suriname moet gaan.

Vlak na ons gesprek was de zitting. Daar was jij niet aanwezig. Ik heb toen gepraat met jouw vader en zijn advocaat. Ik heb ook gepraat met de vertegenwoordiger die namens de minister voor Asiel en Migratie kwam. De vertegenwoordiger van de minister heeft verteld hoe zij aankijkt tegen de zaak. Ook heeft jullie advocaat verteld hoe zij aankijkt tegen de zaak.

Na de zitting heb ik samen met mijn collega, die aanwezig was tijdens het kindgesprek en die daarna ook aanwezig was op de zitting, nagedacht over onze beslissing.

De beslissing

De beslissing is dat jouw vader gelijk krijgt.

Jouw vader wil graag bij jou in Nederland kunnen blijven en vindt dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten voor de Mens hem dat recht geeft. In dit verdrag staan de regels over mensenrechten. In artikel 8 staat dat iedereen recht heeft op gezinsleven (het samen leven met je gezin).

De minister vindt dat er wel gezinsleven is, maar vindt dat de belangen van Nederland om geen verblijfsvergunning aan jouw vader te geven, groter zijn dan het belang van jouw vader om wel een verblijfsvergunning te krijgen.

De rechtbank vindt dat de afweging van de belangen niet goed is gemaakt. De rechtbank vindt dat de minister niet goed naar jouw belangen heeft gekeken. Als jouw vader terug naar Suriname verhuist, betekent dit dat jij met hem mee moet gaan omdat je nog minderjarig bent. Jij bent afhankelijk van de zorg van jouw vader en jullie hebben een hechte band. Dit heeft de minister niet zorgvuldig betrokken in de afweging. Wij hebben daarom besloten dat de minister beter naar jouw situatie moet kijken. Ook heeft de minister niet goed uitgelegd waarom het economisch belang van Nederland zwaarder weegt dan het belang van jouw vader. Jouw vader heeft namelijk een baan in de zorg en heeft eigen inkomsten. Verder heeft de minister ook de nieuwe relatie van jouw vader bij de beoordeling moeten betrekken. Omdat de minister het niet goed heeft gedaan, moet hij een nieuwe beslissing nemen.

Hoe gaat het nu verder?

De minister moet nu van de rechtbank een nieuwe beslissing nemen over de vraag of jouw vader een verblijfsvergunning kan krijgen op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister kan nu twee dingen doen: of de minister besluit dat jouw vader een verblijfsvergunning krijgt, of hij neemt opnieuw een negatief besluit met een betere uitleg. Ik heb de minister daarvoor zes weken de tijd gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen deze termijn een nieuw besluit krijgen. Wij hebben begrip voor jullie situatie maar de rechtbank kan in jullie zaak niet zelf een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM verlenen. Dat is de bevoegdheid van de minister. De rechtbank controleert alleen of het besluit van de minister zorgvuldig is genomen en goed is uitgelegd.

Als jullie het niet eens zijn met onze beslissing, dan kunnen jullie binnen vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de zaak gaat kijken. Ook de minister kan in hoger beroep gaan als hij het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Als er geen hoger beroep komt, dan is de procedure na deze beslissing klaar. Wel moet de minister dan dus een nieuw besluit nemen.

Wij hopen dat het voor jou zo duidelijk is wat de rechtbank heeft beslist, en waarom we die beslissing hebben genomen. Wij vinden het heel goed van je dat je bij ons langs bent gekomen om ons te vertellen wat jij ervan vindt en wij hopen dat het goed met je zal gaan.

Groetjes,

De migratierechter: Dana Baldinger

De gerechtsjurist: Karlijn Mertens

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?