ECLI:NL:RBDHA:2026:7232

ECLI:NL:RBDHA:2026:7232

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer NL26.3476 en NL26.3477
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Dublin Duitsland, C.K. arrest, Tarakhel arrest, artikel 17 Dvo, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.3476 (beroep)

NL26.3477 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1991, van Tunesische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. T. de Boer),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 januari 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van beide partijen deelgenomen. Eiser is niet op zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. Eiser heeft op 24 september 2025 in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Verweerder heeft gelet hierop de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben dit terugnameverzoek op 10 november 2025 aanvaard. In het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens bepaald dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen op de grond dat Duitsland hiervoor verantwoordelijk is.

Standpunt eiser

5. Eiser kampt met ernstige psychische problemen. Hij slaapt slecht, heeft last van nachtmerries en pseudohallucinaties, kampt met suïcidale gedachten en hoort stemmen die hem opdracht geven zichzelf te pijnigen. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser in beroep een uitdraai van zijn medisch dossier van het GZA overgelegd. Eiser stelt dat zijn overdracht strijdig is met de artikelen 2 en 3 van het EVRM, dan wel van onevenredige hardheid zou getuigen in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening. Hij heeft aangegeven dat hij met psychische problemen kampte tijdens zijn aanmeldgehoor en dat hij op dat moment niet in staat was om gehoord te worden. Hij heeft hierdoor zijn bezwaren tegen de overdracht naar Duitsland niet kenbaar kunnen maken. Volgens eiser moet een nieuw gehoor plaatsvinden voordat verweerder tot besluitvorming kan overgaan. Eiser betoogt dat verweerder onder deze omstandigheden op grond van het arrest C.K. en WI 2021/3 een onderzoeksplicht heeft naar de psychische problematiek van eiser en het risico van de overdracht naar Duitsland daarop. Subsidiair beroept eiser zich op het arrest Tarakhel van het EHRM.

Het oordeel van de rechtbank

Had eiser gehoord mogen worden en moet eiser opnieuw worden gehoord?

6. Ten aanzien van de vraag of eiser gehoord had mogen worden overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tijdens het gehoor eerst aangegeven dat zich goed voelt. Op de vraag of hij in staat was om gehoord te worden, antwoordt eiser vervolgens dat hij zich “niet echt” in staat voelt gehoord te worden. Hij verklaart daarna dat “men” hem niet wilde helpen, dat hij niet de medische zorg kreeg die hij nodig heeft en dat hij de dag ervoor heeft gedacht “om [zichzelf] van de derde verdieping te gooien”. Hij geeft aan dat hij heeft gezegd dat hij psychisch niet in orde is en vertelt hoe daarop werd gereageerd. Hij verklaart ook over nachtmerries die hij heeft. Eiser zegt dat hij dit soort gedachten vaker heeft gehad en deze ook heeft gemeld bij het COA en het GZA. Als de gehoormedewerker vraagt of eiser zich wel goed genoeg voelt om het gesprek te voeren zegt eiser: “U mag het zeggen zoals u wilt. Ik zou het wel fijn vinden om zo snel mogelijk een psycholoog te spreken of te zien. Dit heb ik al vaker aangegeven. In Italië heb ik zes maanden in een psychische inrichting verbleven”. De gehoormedewerker besluit hierna om even te pauzeren en te overleggen met een collega. Na de hervatting deelt de gehoormedewerker mee dat een collega een melding zal maken bij de opvang. De gehoormedewerker besluit het gehoor toch voort te zetten en geeft aan dat als eiser toch niet verder kan dat hij dat dan moet aangeven. Eiser stemt hiermee in.

Hoewel de uitlatingen van eiser zorgelijk zijn, kan de rechtbank verweerder volgen in zijn stelling dat eiser wel voldoende in de gelegenheid is geweest om zijn bezwaren over de overdracht te uiten. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het verslag van de rest van het gehoor niet blijkt dat eiser zich dusdanig voelde dat hij niet verder kon. De gehoormedewerker heeft op verschillende momenten aangegeven dat eiser het mag zeggen als het niet gaat of als hij een pauze wil. Eiser is gevraagd naar zijn bezwaren tegen een mogelijke overdracht aan Duitsland en heeft op alle vragen antwoord gegeven. Daarnaast heeft eiser in de correcties en aanvullingen op het gehoor, in de zienswijze en in beroep de mogelijkheid gehad zijn bezwaren tegen de overdracht toe te lichten. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was eiser nader te horen. Het standpunt van eiser, nader toegelicht op de zitting, dat verweerder niet tot besluitvorming kan overgaan tot eiser de juiste zorg heeft gekregen en psychisch is gestabiliseerd omdat er dan pas een volledige beoordeling kan plaats vinden, volgt de rechtbank ook niet. Het is niet gebleken waarop eiser deze stelling baseert. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Het arrest C.K.

7. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 november 2017 het toetsingskader van het arrest C.K. overgenomen en heeft in rechtsoverweging 7 overwogen dat als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

Uit WI 2021/3, onder paragraaf 5, volgt verder dat verweerder gehouden is om een BMA-onderzoek op te starten als de vreemdeling tijdens de Dublinprocedure een impliciet of expliciet beroep doet op het arrest C.K. of op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, omdat er bij hem sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en hij aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist. Als uit objectieve medische gegevens verder blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, dan dient verweerder dit risico door het BMA te laten onderzoeken. Het BMA kan vervolgens beoordelen of de vreemdeling medisch gezien in staat is om te reizen en welke reisvoorwaarden daarbij eventueel aan de orde zijn.

De rechtbank stelt vast dat uit het GZA-dossier van eiser van 29 december 2025 volgt dat eiser slecht slaapt, dat hij veel nachtmerries heeft en stemmen hoort. Het blijkt ook uit het dossier dat eiser op dit moment geen psychotisch gedrag vertoont en dat GZA het suïciderisico nu laag inschat. Dat eiser psychische klachten heeft en daarvoor zorg nodig heeft is niet in geschil. De rechtbank kan verweerder echter wel volgen in zijn standpunt dat niet uit de medische gegevens blijkt dat de overdracht naar Duitsland onomkeerbare gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiser zal hebben. Er rust op verweerder in dit geval geen plicht om het risico dat eventuele onomkeerbare gevolgen zich voordoen te onderzoeken. Een beroep op het arrest C.K. slaagt dan ook niet.

Individuele garanties

8. Uit het arrest Tarakhel volgt dat de verzoekende lidstaat – in dit geval Nederland – voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij of zij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Een verplichting tot het vragen van aanvullende garanties is dus pas aan de orde als er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid van eiser en als aannemelijk is gemaakt dat zonder die garanties geen sprake zal zijn van toereikende zorg- en opvangvoorzieningen.

De rechtbank is – met verweerder – van oordeel dat niet is gebleken dat eiser een bijzonder kwetsbare asielzoeker is in de zin van het arrest Tarakhel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zonder garanties geen toereikende zorg zal zijn voor hem in Duitsland. De stelling van eiser dat die garanties noodzakelijk zijn omdat hij toen hij in Duitsland was geen zorg heeft ontvangen, heeft hij niet verder onderbouwd. Uit het GZA-dossier van eiser blijkt overigens dat hij in Duitsland (en in Italië) enkele sessies heeft gehad met een psycholoog. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Onevenredige hardheid

9. Op grond van de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde discretionaire bevoegdheid, voor zover van belang, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder geeft in ieder geval toepassing daaraan als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De rechter toetst deze beoordeling terughoudend.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit het voorgaande is gebleken dat de psychische gesteldheid van eiser weliswaar zorgelijk is, maar dat niet is gebleken dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Daar komt bij dat verder niet is gebleken dat er geen zorg voor eiser beschikbaar is in Duitsland. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder het nummer NL.263476:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL26.3477:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op de voorlopige voorzieningen staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?