RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1482
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en
(gemachtigde: [naam 1]).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.1483, op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 13 november 2025 ingediend.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 28 juli 2023 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 19 november 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit verzoek op 21 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daartoe stelt hij dat in Duitsland sprake is van een schending van het recht op effectieve toegang tot rechtsmiddelen en rechtsbijstand. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het AIDA rapport over Duitsland, update 2024 van juni 2025. Uit deze informatie volgt dat in Duitsland sprake is van korte beroepstermijnen (p. 64). Verder krijgen asielzoekers daar in eerste aanleg geen gratis rechtsbijstand en wordt gefinancierde rechtsbijstand in beroep zelden toegekend vanwege de korte termijnen en de toepassing van de ‘merits test’ (p. 53 e.v.). Eiser verwijst ook naar een rapport van ECRE van november 2017, waarin Europese staten worden opgeroepen ervoor te zorgen dat aan asielzoekers zonder financiële middelen in alle stadia van de asielprocedure rechtsbijstand wordt verleend. Eiser heeft in Duitsland zelf ook ervaren dat hij geen beroep kon instellen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag omdat hij niet over de daarvoor benodigde financiële middelen beschikte. Eiser voert verder, onder verwijzing naar diverse nieuwsberichten en rapporten aan dat er in Duitsland sprake is discriminatie en racisme en daarmee gepaard gaand geweld tegen migranten. Hij stelt dat uit deze informatie volgt dat de situatie sinds 2019 niet is verbeterd en dat ook de autoriteiten zich schuldig maken aan discriminatie. Dit laatste brengt mee dat het geen zin heeft voor eiser om in Duitsland te klagen over discriminatie of racisme. Daarnaast vreest eiser dat de Duitse autoriteiten hem meteen zullen terugsturen naar zijn land van herkomst, waarmee sprake zal zijn van indirect refoulement. Eiser wijst verder op de slechte opvangomstandigheden die hij in Duitsland heeft ervaren. Het eten was niet goed, de huisvesting was klein, het was er koud en er waren weinig sanitaire voorzieningen. Al het voorgaande dient er volgens eiser ook toe te leiden dat verweerder zijn aanvraag in behandeling moet nemen omdat overdracht aan Duitsland onevenredig hard is.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 4 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerste sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De Duitse asielprocedure voldoet op het punt van de regeling van rechtsbijstand aan de Procedurerichtlijn. De rechtbank verwijst daarbij naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, waarin is overwogen dat artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn de mogelijkheid biedt aan lidstaten om alleen kosteloze rechtsbijstand te verlenen als een beroep een reële kans van slagen heeft. Verder overweegt de rechtbank dat de Procedurerichtlijn de lidstaten niet verplicht om kosteloze rechtsbijstand te verlenen in de aanvraagfase. Dat de regeling in Nederland op dit punt gunstiger is dan die in Duitsland, zoals eiser stelt, betekent niet dat de regeling in Duitsland in strijd is met de Procedurerichtlijn. De oproep in het rapport van ECRE maakt dat ook niet anders. Voor zover eiser meent dat Duitsland zich in de praktijk niet houdt aan de internationale verplichtingen op dit punt, ligt het op zijn weg om zich daarover bij de autoriteiten in Duitsland te beklagen.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd over de korte termijnen voor het instellen van beroep, ook geen aanleiding om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te mogen gaan. De pagina van het AIDA-rapport waarnaar eiser in dit verband verwijst, ziet namelijk op de Duitse Dublinprocedure. Eiser komt na overdracht aan Duitsland echter niet in de Dublinprocedure terecht, zodat de bewuste informatie in het AIDA-rapport niet op hem van toepassing is.
Ten aanzien van eisers stellingen over discriminatie, racisme en geweld tegen migranten, overweegt de rechtbank dat hoewel uit de aangehaalde informatie volgt dat migranten in Duitsland inderdaad te maken kunnen krijgen met discriminatie, racisme en geweld, verweerder er terecht op heeft gewezen dat Duitsland partij is bij het EVRM. Dit betekent dat verweerder er vanuit mag gaan dat eiser in Duitsland bescherming kan krijgen van de autoriteiten in geval van voorkomende problemen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet mogelijk is of dat de Duitse autoriteiten hem niet willen helpen. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland te maken heeft gehad met racisme doordat hij op straat werd uitgescholden. Hij heeft echter ook verklaard dat hij hiervoor geen hulp heeft gezocht bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft, onder verwijzing naar het Country Report on Human Rights Practices 2018 – Germany van USDOS, van 13 maart 2019, gesteld dat hulp vragen aan de Duitse autoriteiten zinloos is, omdat uit die informatie blijkt dat ook politiemensen zelf deel uitmaakten van een demonstratie van Pegida-aanhangers, en dat de politie neo-nazi’s een hand boven het hoofd houdt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dit rapport niet worden opgemaakt dat de Duitse autoriteiten stelselmatig niet optreden tegen discriminatie en racisme jegens migranten. Daarbij volgt uit dit rapport ook dat journalisten hebben geklaagd over het optreden van politiemensen, dat die klacht in behandeling is genomen en dat de autoriteiten optreden tegen het geweld.
De rechtbank is verder van oordeel dat ook uit eisers verklaringen over zijn eigen ervaringen in Duitsland niet blijkt dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft klachten geuit over de opvangvoorzieningen in Duitsland, maar hiervoor geldt dat hij bij voorkomende problemen in Duitsland moet klagen bij de autoriteiten. Het is de rechtbank niet gebleken dat klagen in Duitsland niet kan of dat dit zinloos is.
Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen.
Op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
Verweerder heeft in de door eiser naar voren gebracht omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Duitsland van een zodanige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4852 en 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5359, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet ook van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Deze gestelde omstandigheden kunnen dus op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maakt dat eisers overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.
De omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht, zien op onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze omstandigheden zijn hiervoor al beoordeeld. De rechtbank is niet gebleken van andere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid. Dat eiser in Duitsland zijn identiteitspapieren is kwijtgeraakt, zoals hij ter zitting heeft gesteld, acht de rechtbank daartoe van onvoldoende gewicht.
6. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.