uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1999, van Libische nationaliteit, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 30 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Saleh als tolk in de taal Arabisch (Libisch) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij in 2022 voor een internetbedrijf werkte dat een communicatiecursus voor hem had geregeld op de universiteit in [plaats 1] . Bij binnenkomst op de universiteit trof eiser een bebloed persoon aan, genaamd [persoon 1] . Nadat eiser deze persoon had geholpen, is hij bedreigd en geslagen door de groep die verantwoordelijk was voor de mishandeling van [persoon 1] . Eiser heeft verklaard dat hij flauwviel en naar het ziekenhuis is gebracht, waarna hij aangifte heeft gedaan bij de politie. Eiser is vervolgens via Facebook Messenger bedreigd door iemand van de militie. Eind 2022 is de militie bij eiser thuis geweest. Hij heeft toen besloten om naar zijn tante te vluchten. Hij ging daar zelden naar buiten, werkte online en heeft zijn telefoonnummer en e-mailadres veranderd. Op gegeven moment moest eiser echter toch naar [plaats 1] , vanwege werk gerelateerde problemen met een zendmast. Nadat eiser een controlepost was gepasseerd, is hij aangevallen en in een gepantserde auto gemarteld, geslagen en mishandeld. Eiser is naar een hoofdkwartier van de militie in [plaats 2] gebracht. Een oude buurman van de familie van eiser zag de mishandeling gebeuren en heeft het doorgegeven aan zijn familie. De familie van eiser heeft opnames van de mishandeling gezien, omdat er camera’s van een winkel op straat hingen. Zij hebben deze beelden op het politiebureau laten zien en een onbekende man heeft toen geholpen om eiser vrij te krijgen. Toen eiser vrijgelaten werd, besloot hij met een Grieks visum uit Libië te vluchten. Zijn moeder heeft hem daarbij vergezeld. In Griekenland werd zij echter ziek, waardoor zij genoodzaakt waren om weer terug te keren naar Libië. Vervolgens is eiser alleen naar Italië gevlucht. Bij terugkeer naar Libië vreest eiser dat de militie hem zal vermoorden.
Ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
1. Paspoort (origineel);
2. Diploma (origineel);
3. Huisvestingverklaring [plaats 1] (origineel);
4. Geboorteakte (origineel);
5. Uittreksel uit het familieregister (origineel);
6. Medische rapporten (in kopie);
7. Aangifte politie (in kopie);
8. Twee foto’s van verwondingen;
9. Schermafbeelding van online bedreiging;
10. Foto’s van de militie;
11. Medisch rapport van moeder (in kopie);
12. Foto van het paspoort van zijn moeder;
13. Foto van [persoon 2] ;
14. Foto van [persoon 3] ;
15. Foto van het doen van aangifte bij de politie.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De problemen met de militie.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar acht de problemen met de militie niet geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd en heeft hij hiervoor geen goede verklaring. De minister kan aan de hand van de uitleg van eiser niet volgen waarom hij de camerabeelden van zijn gestelde ontvoering niet kon overleggen. Daarnaast vormen de verklaringen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister acht het ongerijmd dat eiser zijn aangifte niet heeft afgewacht en dat hij niet weet wat de status hiervan is. Ook heeft eiser volgens de minister summier verklaard over de beweegredenen van de onbekende man op het politiebureau die hem vrij heeft gekregen en is het überhaupt niet plausibel dat de militie hem zomaar vrijliet. De minister acht het daarnaast ongerijmd dat eiser is teruggekeerd naar Libië en dat hij vervolgens ook nog naar hetzelfde adres is gegaan als waar hij voor zijn vlucht verbleef. Tevens kan aan de door eiser ingebrachte documenten volgens de minister niet de waarde worden gehecht die eiser wil dat hieraan wordt gehecht. Tot slot werpt de minister tegen dat eiser niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd.
Camerabeelden
6. Ten aanzien van de camerabeelden stelt eiser dat de militie deze in zijn bezit heeft en dat het dus niet van hem verwacht kan worden dat hij meer inspanningen levert om deze camerabeelden te verkrijgen. Volgens eiser heeft de militie er belang bij dat de beelden niet in openbaarheid worden gebracht, omdat de militie hiermee in diskrediet gebracht kan worden.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat van eiser verwacht had mogen worden dat hij de camerabeelden van zijn mishandeling alsnog kon verkrijgen. Daarnaast heeft de minister de stelling die hij op zitting voor het eerst heeft ingenomen, namelijk dat eiser tijdens het nader gehoor niet eenduidig verklaard zou hebben wie de beelden in zijn bezit heeft, ook onvoldoende gemotiveerd. Eiser heeft tijdens het nader gehoor immers verklaard dat de beelden van een beveiligingscamera van een winkel komen, dat zijn familie de beelden ook heeft gezien en dat deze vervolgens zijn afgegeven aan de militie. In de zienswijze en in beroep heeft eiser hierover uitgelegd dat het dus een misverstand bij de minister is dat de eigenaar van de winkel die beelden zelf nog in zijn bezit heeft. Eiser heeft ter zitting nogmaals verduidelijkt dat de beelden zich op een harddisk bij de militie bevinden. De beroepsgrond slaagt.
Documenten
7. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat er ten onrechte helemaal geen bewijswaarde is toegekend aan de documenten die hij heeft overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de overgelegde documenten de verklaringen van eiser niet kunnen ondersteunen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn verklaringen over de mishandeling op de universiteit een medisch rapport van het [plaats 1] ziekenhuis, een foto van hemzelf met verwondingen en een kopie van een aangifte bij de politie overgelegd. Ter onderbouwing van zijn verklaringen over de bedreigingen na zijn aangifte, heeft eiser een screenshot van Facebook-Messenger-berichten van 27 juli 2022 van ene
[persoon 4] overgelegd. Ter onderbouwing van zijn verklaringen over de mishandeling in de auto door de militie heeft eiser een kopie van een medisch rapport van het [plaats 1] ziekenhuis en een foto van hemzelf overgelegd. De minister heeft over deze overgelegde documenten aangegeven dat het kopieën betreffen die niet op echtheid kunnen worden gecontroleerd, dat niet uit de medische rapporten en foto’s blijkt wat de toedracht van de verwondingen is, dat de aangifte alleen de verklaringen van eiser zelf bevat en dat niet blijkt dat de bedreigingen via Facebook Messenger verband houden met de problemen met de militie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze stellingen onvoldoende uiteengezet waarom de overgelegde documenten niet kunnen bijdragen aan de conclusie dat de verklaringen van eiser wel samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank merkt hierover op dat ook aan documenten die niet op echtheid onderzocht kunnen worden, zoals kopieën, bewijswaarde toekomt en dat documenten altijd tegen het licht van de verklaringen van de vreemdeling beoordeeld moeten worden. De beroepsgrond slaagt.
Afwachten aangifte
8. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat het in Libië moeilijk is om bescherming te krijgen van de justitiële instellingen. Het enkele feit dat de officier van justitie de aangifte wel in behandeling heeft genomen en dat eiser derhalve nog enig vertrouwen heeft gesteld in het rechtssysteem in Libië, betekent niet dat bescherming tegen de milities afdoende is. Dat is ook de reden waarom eiser is ondergedoken bij zijn tante. Eiser voegt hieraan toe dat het justitiële apparaat in Libië opportunistisch handelt en al naargelang het gebied waar hij opereert de medewerking zoekt van de ene militie om tegen leden van de andere militie op te kunnen treden.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kon stellen dat het ongerijmd is dat eiser zijn aangifte niet heeft afgewacht. De stelling van eiser dat het in Libië moeilijk is om bescherming te verkrijgen en dat justitie samenwerkt met milities, vindt namelijk steun in de beschikbare landeninformatie. Zo staat in het algemeen ambtsbericht van juli 2025 dat Libische gewapende groepen een ongekende invloed uitoefenen op Libische staatsinstellingen, zoals het justitieel systeem. Ook staat er dat het in Libië moeilijk is om aangifte te doen en als het al lukt, dat deze dan meestal niet wordt opgevolgd. De minister hanteert als gevolg hiervan het beleid dat ervan uitgegaan wordt dat het niet mogelijk is om de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. De beroepsgrond slaagt.
Vrijlating door onbekende man
9. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de minister ten onrechte niet volgt dat de onbekende man op het politiebureau eiser zou helpen ontsnappen. Op die plaats en met de camerabeelden had de onbekende man kennelijk enige autoriteit over de militie en was hij in staat om gehoor te geven aan de smeekbeden van de familie, waarbij hij nadrukkelijk aangaf dat buiten die ruimte eiser weer vogelvrij zou zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van eiser verwacht had mogen worden dat hij kan verklaren waarom de onbekende man hem heeft geholpen en waarom de militie hem heeft vrijgelaten. De rechtbank acht het onredelijk van de minister om van eiser te verwachten dat hij precies op de hoogte is van de beweegredenen van een derde partij. Bovendien heeft eiser tijdens het nader gehoor wel uitgelegd dat hij is vrijgelaten, omdat er videobeelden waren van zijn mishandeling en de militie bang was voor verspreiding van deze beelden. Niet is gebleken waarom dit per definitie onlogisch is. De beroepsgrond slaagt.
Eerdere terugkeer naar Libië
10. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de minister niet had kunnen tegenwerpen dat hij, na zijn vlucht naar Griekenland, weer is teruggekeerd naar Libië. Eiser ontkent niet dat hij een enorm risico nam door dit te doen, maar hij was bereid om dit risico te nemen voor zijn moeder.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ongerijmd is dat eiser na zijn vlucht naar Griekenland weer naar Libië is teruggegaan. Eiser heeft uitgelegd dat zijn moeder hem tijdens zijn vlucht naar Griekenland heeft vergezeld en dat zij daar ernstig ziek werd. Hij moest haar weer terug naar Tripoli begeleiden. Ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat zijn moeder last had van een allergische reactie door het eten van noten en van diabetes, waardoor zij fysiek niet in staat was om zonder hulp de overstap op het vliegveld van Istanbul te maken. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet ingezien kan worden dat eiser is teruggekeerd naar exact dezelfde plek als waar eiser voor zijn ontvoering verbleef, namelijk bij zijn tante. Eiser heeft juist uitgelegd dat de militie er nooit achter is gekomen dat hij bij zijn tante in Tripoli ondergedoken zat. De militie weet volgens eiser niet anders dan dat zijn hele familie, inclusief eiser, woonachtig is in [plaats 1] . Hiermee legt eiser dus juist wel uit hoe hij de risico’s heeft willen beperken. De beroepsgrond slaagt.
Niet zo spoedig mogelijk asiel gevraagd
11. Eiser brengt daarnaast naar voren dat hij wel zo spoedig als mogelijk asiel heeft aangevraagd. Eiser stelt dat hij niet heeft willen beweren dat hij in Amsterdam verbleef als toerist.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd. De minister hanteert als beleid dat een aanvraag binnen 48 uur na binnenkomst moet zijn ingediend. Eiser heeft in de correcties en aanvullingen en op zitting uitgelegd dat hij pas om vijf uur ‘s middags op Schiphol aankwam en dat hij niet wist dat hij ook op Schiphol zelf om asiel had kunnen verzoeken. Ter zitting heeft eiser dit punt nader verduidelijkt door te verklaren dat hij in Griekenland via internet had uitgezocht dat hij in Ter Apel moest zijn. Hij is de volgende dag direct op zoek gegaan naar mogelijkheden om naar Ter Apel te gaan. Dat hij toen (net) niet binnen de door de minister gehanteerde 48 uur zijn asielaanvraag in Ter Apel heeft ingediend maakt het bovenstaande volgens de rechtbank niet anders. De beroepsgrond slaagt.
Algemene veiligheidssituatie, risicoprofiel en terugkeer
12. Tot slot heeft eiser op zitting aangegeven dat de minister ook bij het besluit had moeten betrekken dat eiser uit een deel van Libië komt waar sprake is van willekeurig geweld, dat eiser mogelijk tot een risicoprofiel behoort en dat personen met de Libische nationaliteit gevaar kunnen lopen bij terugkeer naar Libië.
De rechtbank overweegt dat de minister bij het nieuw te nemen besluit moet betrekken dat eiser uit een gebied komt, namelijk het noordwesten van Libië, waarvan de minister aanneemt dat sprake is van willekeurig geweld in de zin van artikel 15 sub c van de Kwalificatierichtlijn.Ook zal de minister gemotiveerd in moeten gaan op het feit dat eiser misschien tot het risicoprofiel ‘(vermeende) opposanten van een feitelijke machthebber, inclusief gewapende groeperingen en milities’ behoort.
De minister zal, tot slot, moeten onderzoeken en motiveren of personen met de Libische nationaliteit die terugkeren naar Libië op het vliegveld van Tripoli geen 3 EVRM risico lopen. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat personen die terugkeerden naar Libië te maken konden krijgen met langdurige ondervragingen op het vliegveld en ‘arrestaties, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie’.De rechtbank verwijst daarbij tevens naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 september 2025 en zittingsplaats Den Haag, van 13 januari 2026.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 (het zorvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Algemene wet bestuurstrecht. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. De minister zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag van eiser moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht de vergoeding vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.