ECLI:NL:RBDHA:2026:7238

ECLI:NL:RBDHA:2026:7238

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer NL26.2031
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin/Duitsland. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.2031

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),

en

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.2032, op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 10 september 2025 ingediend.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 september 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 7 oktober 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit verzoek op 9 oktober 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenweet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op basis van zijn eigen ervaringen is voor eiser duidelijk dat Duitsland jegens hem niet dan wel onvoldoende zijn internationale verplichtingen zal nakomen, terwijl hij daarover onvoldoende kan klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser verwijst naar het AIDA-rapport over Duitsland, update 2024 uit juni 2025 en stelt dat hij zijn asielbeslissing in Duitsland niet kon bestrijden omdat hij geen kosteloze rechtsbijstand kreeg. Hij kon ook geen werk krijgen en heeft in Duitsland diverse procedures gevoerd die hem niets hebben opgeleverd. Het leven in Duitsland was heel moeilijk voor eiser. Hij heeft daar veel stress ervaren. Hij vreest ook dat de Duitse autoriteiten hem na overdracht zullen uitzetten naar Somalië, waarmee sprake is van indirect refoulement. Eiser overlegt een brief van zijn in Nederland verblijvende nicht, die hij als een zus beschouwt, en voert aan dat overdracht aan Duitsland in zijn geval onevenredig hard is.

De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

Gelet hierop is het aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De door eiser overgelegde stukken over de door hem gevoerde procedures in Duitsland zijn onvoldoende voor de conclusie dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Deze stukken hebben immers geen betrekking op eisers asielprocedure in Duitsland, zodat daaruit niet kan blijken dat de Duitse asielprocedure tekortkomingen kent. Ten aanzien van eisers stelling dat hij geen kosteloze rechtsbijstand kon krijgen in Duitsland en dat hij daardoor zijn asielbeslissing niet heeft kunnen bestrijden, wordt overwogen dat de Duitse regeling omtrent het verlenen van rechtsbijstand in de beroepsfase, zoals die in het AIDA-rapport uit juni 2025 is beschreven, in overeenstemming is met de Procedurerichtlijn. Voor zover eiser meent dat Duitsland zich in de praktijk niet houdt aan zijn internationale verplichtingen op dit punt, ligt het op zijn weg om zich daarover in Duitsland te beklagen. Het is de rechtbank niet gebleken dat klagen in Duitsland niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.

Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar Somalië, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in samenhang met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt.

Verweerder heeft in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Duitsland van een zodanige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4852 en 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5359, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet ook van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Deze gestelde omstandigheden kunnen dus op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maakt dat eisers overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.

De omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht, zien met name op onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze omstandigheden zijn hiervoor al beoordeeld. De rechtbank is niet gebleken van andere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid. Dat eiser een nicht in Nederland heeft met wie hij een hechte band stelt te hebben, acht de rechtbank daartoe van onvoldoende gewicht. De rechtbank betrekt daarbij dat niet is gebleken dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn nicht.

6. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Griffier

  • mr. E.P.S. Wessels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?