RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44722
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
1. Met het besluit van 10 september 2025 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard en aan eiser opgedragen om terug te keren naar Letland.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] , de waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
2. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.
3. Eiser is in het bezit van internationale bescherming in Letland vanaf 28 januari 2025 tot 12 februari 2030. Eiser is halverwege 2025 vertrokken uit Letland en heeft op 2 juli 2025 voor het eerst een asielaanvraag gedaan in Nederland.
4. Eiser heeft een (genaturaliseerde) Nederlandse echtgenote die in Nederland verblijft.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser al in Letland internationale bescherming geniet. Volgens verweerder kan zijn recht op gezinsleven ook in Letland worden uitgeoefend. Er is namelijk niet gebleken dat gezinshereniging in Letland onmogelijk is. Eiser heeft niet aangetoond welke inspanning hij heeft geleverd om de benodigde zorg in Letland te verkrijgen. Omdat de echtgenote van eiser genaturaliseerd is tot Nederlander, kan hij ook een reguliere aanvraag voor verblijf bij zijn echtgenote indienen.
Beroepsgronden
6. Volgens eiser heeft verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte afgewezen als niet-ontvankelijk. Eiser voert daartoe aan dat het vanwege de moeizame zwangerschap van zijn echtgenote van belang is dat hij in Nederland blijft om haar bij te staan. Volgens hem heeft zijn echtgenote haar rust in eigen omgeving nodig en kan niet van hem worden verwacht dat hij het een en ander kan regelen in Letland.
7. Volgens eiser is sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en levert de afwijzing van de asielaanvraag een schending van dat artikel op. Eiser beroept zich ook op het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (ECLI:NL:XX:2006:AV3568).
8. Op de zitting heeft eiser aanvullend aangevoerd dat hij zich heeft ingespannen om in Letland onder meer werk en een woning te regelen, maar dat dit niet is gelukt.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
9. Een asielaanvraag kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een zodanige band heeft met een ander land dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Dit volgt uit artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling van 12 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:442, onder 3) en van 1 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:326, onder 3).
10. Verweerder moet van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Zo staat in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden.
Is het voor eiser redelijk om naar Letland te gaan?
11. Niet in geschil is dat eiser in Letland internationale bescherming geniet. In beginsel is daarom sprake van een zodanige band met Letland dat het voor eiser redelijk zou zijn om naar Letland te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. In dit kader heeft verweerder terecht gesteld dat niet is gebleken dat het voor eisers vrouw (en kind) onmogelijk is om naar Letland te komen. Verweerder mocht er daarom vanuit gaan dat eiser zijn vrouw tijdens haar (moeizame) zwangerschap kon bijstaan in Letland en daar voor haar kon zorgen. Hoewel begrijpelijk dat zijn vrouw er de voorkeur aan geeft om voor haar zwangerschap in haar vertrouwde omgeving te blijven, is de benodigde zorg ook in Letland aanwezig. Ook heeft eiser verklaard dat zijn vrouw ook in Nederland geen familie of netwerk heeft. Dat er in Letland gebrekkige sociale voorzieningen zijn en dat eiser daar geen werk en huisvesting kan krijgen heeft hij niet onderbouwd, terwijl hij wel stelt (bijvoorbeeld) sollicitatiebrieven te hebben gestuurd en hulp te hebben gezocht bij plaatselijke instanties om de taal te leren en aan huisvesting te komen.
12. Verder overweegt de rechtbank dat artikel 8 van het EVRM geen absoluut recht op verblijf in een specifiek land garandeert. Het recht op gezinsleven kan ook in een andere lidstaat, in dit geval Letland, worden uitgeoefend, mits eiser en zijn echtgenote (en kind) zich daar kunnen vestigen. Zoals hiervoor overwogen mocht verweerder ervan uitgaan dat dit mogelijk is. Eiser heeft bovendien de mogelijkheid om een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM aan te vragen in de daarvoor bestemde procedure.
13. Al met al is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk voor eiser om naar Letland te gaan. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
14. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ben Larbi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.