Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/10
zaak- /rekestnummer: C/09/699715 / KG RK 26/281
Beslissing van 30 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. D. Biever,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 11 februari 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 6 maart 2026.
Op 16 maart 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. De verzoeker is niet ter zitting verschenen en de rechter heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet te zullen verschijnen.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 25/1943 tussen verzoeker als eiser en de minister van Rechtsbescherming als verweerder (hierna: verweerder). In de zaak met voornoemd zaaknummer gaat het om een verzoek van de moeder om een geslachtsnaamwijziging van de zoon van verzoeker en de moeder. Die aanvraag is bij primair besluit toegewezen en het bezwaar daarop van verzoeker is ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is behandeld op de zitting van 11 februari 2026.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van 11 februari 2026 de rechter gewraakt en daartoe het volgende aangevoerd. Verzoeker is van mening dat de rechter bevooroordeeld is, omdat de rechter bepaalde feiten niet wil meenemen in zijn beslissing.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
Uit het proces-verbaal van 11 februari 2026 blijkt het volgende verloop van de zitting:
“(…) Eiser: de moeder liegt, de verklaring van NN [de zoon van verzoeker, toevoeging: rechtbank] klopt niet. Ik noem een voorbeeld: over een tikkie. In de verklaring staat dat NN dit dan bezwaarlijk vindt omdat dan zijn achternaam in beeld komt, maar er staat helemaal geen achternaam bij als je een tikkie stuurt.
Eiser: komt het omdat ik een kleurtje heb? U bent ook blank. Ik ken jullie soort.
De gemachtigde van eiser zegt tegen eiser dat hij dit niet zo kan zeggen.
R: ik vind het jammer dat u dat zo zegt. Ik kijk onbevooroordeeld en met alle aandacht naar uw zaak. Ik zie dat de zaak u aangrijpt en emoties hij u losmaakt: dat is begrijpelijk het gaat
om uw zoon. Ik heb uitgelegd dat ik eerst uw advocaat zijn verhaal wil laten afmaken en dat
u daarna de gelegenheid krijgt om uw verhaal te doen.
R: waarom zou NN liegen? Waarom zou hij niet kunnen aangeven wat hij wil? Heeft u een
reden waarom u niet het vertrouwen hebt dat uw kind hier goed mee omgaat.
Eiser: ja: omdat hij bijvoorbeeld aangeeft dat hij iets niet tegen zijn moeder wil zeggen en
dan aan mij vraagt om dat niet tegen haar te zeggen. In de eerdere procedure is gebleken dat de moeder aan de lopende band liegt: bijvoorbeeld over het feit dat we hebben
samengewoond. Ik stuur in deze procedure een bezwaarschrift. Vervolgens herhalen ze het
allereerste onjuiste standpunt over het samenwonen. Ik heb daarom gebeld naar verweerder. U heeft het kunnen lezen. De zaak zit vol leugens en NN zal er als dit zo door kan gaan, achterkomen via internet dat de naam die hij heeft aangenomen, van mensen is die hem niet wilden. Google maar op ‘de lekkende rechter’.
R: ik kan niet in NN zijn hoofd kijken. Ik kan alleen kijken of de procedure goed is gegaan
en of er aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden waaruit blijkt dat hij onder druk is
gezet. NN is nu zelf gehoord, zonder dat zijn moeder erbij was. Bij iemand van 12 jaar
moet je er in beginsel vanuit kunnen gaan dat hij kan aangeven of hij wel of niet iets wil en
of hij al dan niet onder druk is gezet of druk van een ouder voelt; dat vindt de wetgever en
daarom wordt belang gehecht aan het horen van een kind van die leeftijd: ziet u dat anders?
Eiser: herhaalt wat hij eerder zei over het tikkie en vraagt aan de rechter of hij dan voor zijn rekening wil nemen dat NN op zijn achttiende erachter zal komen dat hij de naam heeft van mensen die hem niet wensten.
R: Dat heeft u al eerder gezegd: ik kan dat feit echter niet zonder meer meenemen, daar zit
verder niets over in het dossier.
Eiser: ik wraak u, omdat u bepaalde feiten niet wil meenemen. Dan vertrouw ik er niet meer
op dat u onbevooroordeeld bent. (…)”
Uit dit verloop van de zitting blijkt dat de rechter slechts vragen heeft gesteld over het standpunt van verzoeker en nog geen beslissing heeft genomen op het ingestelde beroep. De wrakingskamer is van oordeel dat uit hetgeen de rechter heeft gezegd niet kan worden afgeleid dat sprake is van vooringenomenheid. Het staat de rechter vrij om ter zitting (kritische) vragen te stellen aan de aanwezige partijen. Zoals de rechter ook in zijn verweerschrift aangeeft, is het de rechter ook toegestaan om zijn twijfel te uiten over de relevantie of houdbaarheid van een standpunt, zeker als partijen in de gelegenheid gesteld worden om daar vervolgens op te reageren. Dat laatste is in deze zaak ook gebeurd.
De wrakingskamer zal gelet op het voorgaande het wrakingsverzoek afwijzen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat de behandeling van de onder 2.1. vermelde procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
de verzoeker
de verweerder in de hoofdzaak;
de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.F. Baaij, E.E. Schotte en L. Kelkensberg in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.M.C. Mulders, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.