RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/11172
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak van
[verzoeker] , V-nummer [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.D. Banet),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 24 juni 2024 waarbij zijn aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘familie en gezin’ is afgewezen.
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het bezwaar is beslist.
3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Overwegingen
4. Alleen als er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt kan een verzoek om een voorlopige voorziening worden toegewezen.
5. Op 30 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen zijn besluit van 24 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft daartegen geen beroep ingesteld. Daarom is er niet langer sprake van de vereiste connexiteit.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.