uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak van
[verzoeker] , V-nummer [V-nummer] , verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 30 september 2024 waarbij zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ niet in behandeling is genomen. Het besluit behelst tevens een terugkeerbesluit.
2. Verzoeker heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend omdat het terugkeerbesluit directe en ingrijpende gevolgen voor hem heeft.
3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Overwegingen
4. Alleen als er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt kan een verzoek om een voorlopige voorziening worden toegewezen.
5. Op 19 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen zijn besluit van 30 september 2024 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft daartegen geen beroep ingesteld. Daardoor is er niet langer sprake van de vereiste connexiteit.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
13 maart 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.