ECLI:NL:RBDHA:2026:728

ECLI:NL:RBDHA:2026:728, Rechtbank Den Haag, 19-01-2026, NL25.49461

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-01-2026
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer NL25.49461
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

AA. De minister heeft eiser mogen horen over zijn opvolgende asielaanvraag zonder nader medisch advies in te winnen. De minister heeft ten onrechte het referentiekader van eiser niet kenbaar uiteengezet in de besluitvorming. Het bestreden besluit is als gevolg daarvan onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verder heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraken van de MK van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025 overwogen dat ten onrechte uit het bestreden besluit niet blijkt of en aan welke overige voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw is voldaan en welke invloed dit heeft gehad op de algehele geloofwaardigheid. Ook blijkt niet dat de minister het geheel aan feiten en omstandigheden bij elkaar heeft genomen en heeft gekeken of dit maakt dat aan eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Gelet hierop constateert de rechtbank nog een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter opnieuw aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de toegedichte geaardhied als apart asielmotief had moeten aanmerken. Beroep is gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49461

geboren op [geboortedatum] ,

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),

en

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit op meerdere aspecten niet goed is gemotiveerd, maar de rechtsgevolgen blijven wel in stand. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft drie keer eerder een asielaanvraag ingediend. De eerste twee asielaanvragen zijn niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvragen. Op 8 april 2021 heeft eiser een bericht ontvangen dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Op 1 oktober 2021 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de asielaanvraag met het besluit van 2 december 2021 afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep tegen voornoemd besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 21 maart 2022, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 2 december 2021 staat dan ook in rechte vast.

Op 14 juni 2022 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bedreigingen ontvangt vanuit Algerije omdat zijn geaardheid daar bekend is geworden. Ook kan eiser nu beter verklaren over zijn geaardheid omdat hij contact heeft met LHBTI-belangenorganisaties waar hij steun en herkenning vindt.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister stelt vast dat de nationaliteit en herkomst in de vorige procedure geloofwaardig zijn geacht. Ook stelt de minister vast dat de identiteit van eiser in de vorige procedure niet geloofwaardig is geacht en dat eiser ten aanzien hiervan geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waardoor de identiteit niet ter discussie staat. De minister is verder van oordeel dat de gestelde geaardheid en de daaruit volgende bedreigingen nog steeds niet geloofwaardig zijn. Hiertoe overweegt de minister dat de door eiser gegeven verklaring geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser daarmee niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.

Heeft de minister eiser mogen horen over zijn opvolgende aanvraag zonder nader medisch advies in te winnen?

5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd nu de minister geen nader medisch advies heeft ingewonnen voorafgaand aan het gehoor. Eiser wijst op de overgelegde medische stukken. Het medisch advies uit de vorige procedure is volgens eiser verouderd en bovendien is zijn medische situatie veranderd doordat hij nu onder behandeling staat en medicatie krijgt. Het enkel tijdens het gehoor vragen of eiser verder kan gaan met het gehoor is niet afdoende. Eiser is niet bekend met het juridisch kader, is geen medisch deskundige en zal zich altijd meewerkend willen opstellen. Bovendien is meermaals tijdens het gehoor gebleken dat het niet goed ging met eiser. Dit klemt te meer nu de minister blijft herhalen dat de nadruk op de verklaringen ligt van eiser en de overige ingebrachte stukken van ondergeschikt belang worden geacht.

De rechtbank overweegt dat er voor de minister geen verplichting bestaat om een medisch onderzoek aan te bieden aan de vreemdeling bij een opvolgende asielaanvraag. Uit WI 2024/9 volgt dat de minister in het geval van een opvolgende aanvraag in beginsel geen medisch advies uitvraagt, tenzij er op basis van het dossier aanleiding bestaat om dit toch wel te doen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de medische omstandigheden van eiser dusdanig zijn gewijzigd ten opzichte van de vorige procedure dat er aanleiding bestond om een nader medisch advies op te vragen. De minister heeft terecht overwogen dat eiser tijdens de eerste procedure ook al kampte met ernstige PTSS en hij daarvoor ook deels dezelfde medicatie kreeg. Dit blijkt ook uit de door eiser overgelegde medische stukken. De minister heeft tijdens de eerste asielprocedure een medisch onderzoek laten uitvoeren door Medifirst waarin de medische beperkingen van eiser zijn vastgesteld. Aan de hand daarvan heeft Medifirst geformuleerd welke waarborgen er gelden voor het horen van eiser. Zo is aangegeven dat eiser moeilijk kan praten over bepaalde gebeurtenissen en dat hem hiervoor tijd en ruimte moet worden gegeven. Ook is aangegeven dat eiser gebeurtenissen bij exacte data niet kan benoemen, dat hij weinig scholing heeft gehad en analfabeet is waardoor geadviseerd wordt om korte eenvoudige vragen te stellen. Niet is gebleken dat de minister in de onderhavige procedure onvoldoende rekening heeft gehouden met de toen vastgestelde waarborgen om eiser goed te kunnen horen. Dat eiser op dit moment deels anders medicatie krijgt en onder behandeling staat, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank stelt verder vast dat tijdens het gehoor opvolgende aanvraag op twee momenten is geconstateerd dat het niet goed ging met eiser. De rechtbank is niet gebleken dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden. Uit het verslag blijkt immers dat er de eerste maal een pauze is ingelast en de tweede maal is eiser de tijd en ruimte gegeven om weer op adem te komen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?

6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Hierbij speelt een rol dat eiser niet hoog opgeleid is, geen hoog intelligentieniveau heeft, een andere culturele achtergrond heeft en psychisch verward en depressief is.

De rechtbank is van oordeel dat de minister het referentiekader van eiser ten onrechte niet kenbaar uiteengezet heeft in de besluitvorming. De rechtbank overweegt dat het kenbaar betrekken van het referentiekader allereerst vereist dat de minister het referentiekader van de vreemdeling in de besluitvorming beschrijft. Verder behelst het kenbaar betrekken van het referentiekader dat de minister motiveert op welke wijze het beschreven referentiekader van invloed is op het oordeel over hetgeen van de betreffende vreemdeling in zijn algemeenheid verlangd mag worden ter onderbouwing van zijn asielrelaas en op welke wijze de verschillende aspecten uit het referentiekader zijn betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Nu in het voornemen en het bestreden besluit geheel niet is opgenomen wat er van eiser, gelet op zijn referentiekader, mag worden verwacht is het bestreden besluit ook op dit vlak niet deugdelijk gemotiveerd. Het besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en licht dat hieronder toe.

De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van de minister op zitting alsnog heeft toegelicht wat het referentiekader van eiser is. Het zwaartepunt ligt daarbij op de medische omstandigheden van eiser. Verder is gebleken dat eiser zes jaar basisonderwijs heeft gehad en daarna nog twee jaar naar de middelbare school is geweest en hij daarbij een beetje heeft leren lezen en schrijven. Ook heeft eiser als schilder en loodgieter gewerkt. De minister stelt zich op het standpunt dat deze omstandigheden voldoende zijn betrokken in de besluitvorming en dat de omstandigheden niet maken dat niet langer aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij te algemeen heeft verklaard over zijn asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met het voorgaande alsnog voldoende gemotiveerd waarom van eiser mag worden verwacht dat hij uitgebreider kan verklaren over zijn gestelde geaardheid en de problemen die daaruit voortkomen. De rechtbank overweegt verder dat eiser in beroep niet concreet heeft gemaakt welke aspecten van zijn referentiekader onvoldoende zijn betrokken en op welke wijze hij, door zijn referentiekader, minder heeft kunnen verklaren. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Heeft er een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsgevonden?

7. Eiser voert aan dat in zijn geval geen integrale geloofwaardigheidstoets heeft plaatsgevonden, omdat niet duidelijk is of de overige voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 zijn tegengeworpen en als deze niet zijn tegengeworpen, hoe deze (al dan niet in positieve zin) betrokken worden in de geloofwaardigheidsbeoordeling.

De rechtbank overweegt als volgt. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan over de werkinstructie (WI) 2024/6 van de minister over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken. Uit deze uitspraken volgt, samengevat, dat de minister niet zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief niet geloofwaardig is als aan één of meerdere cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, Vw niet is voldaan. De minister moet duidelijk maken aan welke van de cumulatieve voorwaarden is voldaan en aan welke voorwaarden niet is voldaan. Verder dient aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas nog een integrale beoordeling te worden gemaakt, waarin wordt beoordeeld of alles overziende de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet worden gegund en geconcludeerd kan worden dat het asielrelaas als geheel geloofwaardig is. Dit oordeel neemt echter niet weg dat het zo kan zijn dat in het concrete geval blijkt dat de conclusie van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet enkel en alleen is gebaseerd op het al dan niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw en dat er door de minister een afdoende (integrale) beoordeling heeft plaatsgevonden.

De minister heeft in het onderhavige beroep allereerst uitgebreid uiteengezet waarom hij het niet eens is met de uitspraken van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om anders te oordelen dan zij heeft gedaan in de uitspraken van 8 augustus 2025. De rechtbank overweegt dat er tegen de genoemde uitspraken nog hoger beroep loopt bij de Afdeling en dat de Afdeling hier dus nog over moet oordelen.

Uit het bestreden besluit volgt dat de voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, Vw aan eiser is tegengeworpen. Uit het besluit blijkt niet of en aan welke van de overige voorwaarden is voldaan en welke invloed dat heeft gehad op de algehele geloofwaardigheid. Ook blijkt niet dat na de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw het geheel van feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas van eiser alsnog geloofwaardig zou moeten worden geacht. Omdat deze afweging ontbreekt, is onduidelijk hoe de minister tot zijn eindconclusie over de geloofwaardigheid is gekomen en is het besluit daarom onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond en het besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet echter aanleiding om, op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Heeft de minister de gestelde geaardheid opnieuw niet geloofwaardig kunnen achten?

8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zijn gestelde geaardheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft immers uitvoerig verklaard dat hij als gevolg van een intensieve behandeling bij een psycholoog voor zijn traumaklachten en door zijn betrokkenheid bij LHBTI-belangenorganisaties in staat is om zich beter te uiten over zijn geaardheid. De minister stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat de huidige verklaringen van eiser niets zouden toevoegen aan zijn eerdere verklaringen. Eiser kan ten opzichte van zijn eerste asielprocedure openlijker en gedetailleerder over zijn geaardheid spreken. Eiser wijst in dit kader ook op de door hem overgelegde foto’s en brieven. Eiser voert verder aan dat de minister ook niet deugdelijk heeft gemotiveerd wat eiser vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over de acceptatie zijn geaardheid. Eiser stelt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen diepgaande verklaringen heeft afgelegd over hoe hij bewust werd van zijn geaardheid omdat hier geen nadere vragen over zijn gesteld. Dit is onder meer in strijd met de samenwerkingsplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door eiser gestelde geaardheid opnieuw niet geloofwaardig wordt bevonden. De rechtbank overweegt dat de aanvraag van eiser een opvolgende asielaanvraag betreft en dat de minister in dat kader meer van eiser mag verwachten. Eiser heeft immers zelf bij zijn opvolgende aanvraag aangegeven beter in staat te zijn om te verklaren over zijn gestelde geaardheid. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat het er voor de minister in de kern om gaat dat de verklaringen van eiser te algemeen en te oppervlakkig zijn bevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op dit standpunt gesteld. Eiser heeft met zijn verklaringen niet inzichtelijk kunnen maken wat de deelname aan activiteiten van de LHBTI-belangenorganisaties precies voor hem betekenen en op welke manier deze hebben bijgedragen aan zijn vermogen om beter te kunnen verklaren over zijn geaardheid. Eiser heeft verklaard dat hij zich thuis voelde en dat hij geleerd heeft zichzelf te uiten. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat deze verklaringen algemeen blijven en dat eiser hiermee niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe dit op persoonlijk niveau ertoe heeft geleid dat eiser beter kan verklaren. De minister heeft verder kunnen overwegen dat de verklaringen over wat eiser heeft geleerd bij de bijeenkomsten eveneens algemeen en weinig persoonlijk zijn. Ook heeft eiser niet inzichtelijk kunnen maken dat hij zichzelf nu meer zou accepteren als homoseksueel. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser tijdens de vorige procedure ook heeft verklaard dat hij zichzelf al had geaccepteerd en dat er destijds ook al contact was met andere mensen van de LHBTI-gemeenschap. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat de minister in strijd met de samenwerkingsverplichting heeft gehandeld. De rechtbank stelt voorop dat het een opvolgende aanvraag betreft en dat er in dat kader meer van eiser mag worden verwacht. De minister heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag gevraagd of er onderwerpen zijn waarover hij tijdens de vorige procedure minder kon verklaren. Eiser heeft dan ook de gelegenheid gehad om te verklaren over deze onderwerpen.

De rechtbank is verder van oordeel dat de door eiser tijdens de besluitvorming overgelegde brieven en foto’s kenbaar door de minister bij de besluitvorming zijn betrokken. Het zwaartepunt van de afwijzing ligt echter op de door eiser gegeven verklaringen en de overgelegde stukken maken volgens de minister niet dat het asielrelaas alsnog geloofwaardig moet worden bevonden. Ook de in beroep overgelegde foto’s en brieven maken het voorgaande niet anders. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting terecht gesteld dat de brieven vooral verklaringen betreffen over wat eiser zelf aan anderen heeft verteld. Ook deze overgelegde stukken kunnen de te summiere verklaringen niet compenseren. De beroepsgrond slaagt niet.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de minister de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van eiser en de door eiser overgelegde documenten voldoende (integraal) zijn beoordeeld. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen daarom in stand worden gelaten.

Had de minister de toegedichte geaardheid als apart asielmotief moeten aanmerken?

9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om de aan hem toegedichte homoseksualiteit of biseksualiteit als apart asielmotief aan te merken en te beoordelen. De minister heeft de toegedichte geaardheid daarmee onvoldoende beoordeeld.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de toegedichte geaardheid ten onrechte niet als apart asielmotief heeft aangemerkt, omdat dit asielmotief niet uit het asielrelaas van eiser is gebleken. Weliswaar heeft eiser tijdens het gehoor verklaard over dat hij ervan werd verdacht homoseksueel te zijn, maar hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij uit zijn land van herkomst is vertrokken omdat hij homoseksueel is. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er in het geval van eiser geen toegedichte homoseksualiteit wordt aangenomen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld eiser niet heeft onderbouwd dat er sprake is van toedichting van zijn geaardheid of dat hij als gevolg daarvan problemen zou kunnen krijgen bij terugkeer naar zijn land van herkomst. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand te laten.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. V. Vegter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?