Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/015953-25
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in P.I. [plaats] ( [locatie] ).
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 april 2025, 4 juli 2025, 29 september 2025 en 19 december 2025 (alle pro forma) en op 16 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. de L’Isle en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.M. Iwema naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 19 december 2025 - ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 10 januari 2025 te 's-Gravenhage zijn moeder, [aangeefster] , heeft mishandeld door
- haar bij haar hals en/of keel en/of nek te grijpen en/of deze dicht te knijpen;
2
hij op of omstreeks 10 januari 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen
- " Ik ga je vermoorden jongen",
- " Ik zweer het ik ga je tanden eruit slaan",
- " Als ik vrij kom, dan ga ik jou doodmaken",
- " als ik vrij kom en ik pak jou buiten",
- " Ik met mijn vuist op je oogkassen en hoofd slaan",
- " ik ga jou dit keer vuisten op je hoofd"
- " Ik ga jouw ogen eruit slaan",
- " Als ik vrij kom dan ga ik jouw tanden eruit slaan. Ik zweer het ik ga zo hard trainen dat als ik jou een vuist geef, jouw schedel gaat breken" en/of
- " Ik ga jouw schedel breken"
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zijn moeder heeft mishandeld door haar in haar nek te grijpen en te knijpen. Ook kan worden bewezen dat de verdachte zijn moeder verbaal heeft bedreigd zoals ten laste gelegd is onder feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De aangeefster heeft psychische problemen waardoor haar verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden gebruikt als bewijs. Daarnaast is er geen sprake geweest van pijn of letsel zodat de mishandeling onder feit 1 niet kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 dient de verdachte te worden vrijgesproken omdat de geuite bedreigingen waren bedoeld voor een ander, namelijk ten aanzien van zijn vriend die hem eerder bedreigd heeft.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025013284, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 39).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 9 en 10):
Op dinsdag 14 januari 2025 bevond ik mij, verbalisant [verbalisant] , in mijn hoedanigheid als wijkagent, in de woning op de [adres 1] . Ik sprak met [aangeefster] . Het is mij ambtshalve bekend dat zij een zoon heeft genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992, te [geboorteplaats] .
Ik vroeg [aangeefster] wat er afgelopen vrijdag 10 januari 2025 tussen haar en [verdachte] was gebeurd. Ik hoorde dat [aangeefster] verklaarde dat [verdachte] haar had bedreigd met de dood en dat hij haar had mishandeld, door met zijn hand haar keel dicht te knijpen. Ik hoorde dat [aangeefster] verklaarde dat zij de bedreiging en de mishandeling had opgenomen met haar mobiele telefoon. Ik vroeg aan haar of ik deze geluidsopname mocht beluisteren, waarop zij mij deze opname liet horen. Ik herkende de stemmen op de geluidsopname volledig als zijnde die van [aangeefster] en [verdachte] .
Ik hoorde dat [verdachte] zei: "ik ga je vermoorden jongen", "ik zweer het ik ga je tanden eruit slaan". Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Als ik vrij kom", "dan ga ik jou doodmaken", "als ik vrij kom en ik pak jou buiten", "ik ga jou dit keer vuisten op je hoofd", "op je oogkassen", "ik ga jouw ogen eruit slaan". Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Als ik vrij kom dan ga ik jouw tanden eruit slaan, ik zweer het ik ga zo hard trainen dat als ik jouw een vuist geef jouw schedel gaat breken", "ik ga jouw schedel breken".
Tijdens het beluisteren van de geluidsopname hoorde ik dat [aangeefster] veelvuldig gilt, huilt, hoest, hapt naar lucht. Ik hoorde dat [aangeefster] tegen [verdachte] zei dat hij haar mishandelt. Dat [verdachte] haar bij de keel heeft gegrepen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 13):
Op woensdag 15 januari 2025 bevond ik mij, verbalisant [verbalisant] , in de woning aan de [adres 1] , om onderzoek te doen naar de datum en het tijdstip van de door mevrouw [aangeefster] aan mij ter beschikking gestelde en de in dit strafrechtelijk onderzoek opgenomen geluidsopname.
Ik zag dat de datum en het tijdstip van deze geluidsopname als volgt is: 10 januari 2025, te 12:18 uur.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 13 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 5 en 6):
Plaats delict: [adres 1]
Ik doe hierbij aangifte van bedreiging en mishandeling gedaan door mijn zoon [verdachte] . Afgelopen vrijdag 10 januari 2025 omstreeks 11.40 uur stond [verdachte] weer voor mijn deur. Er ontstond een discussie tussen ons.
Ik zag en voelde dat [verdachte] mij bij mijn keel greep terwijl hij zei dat ik moest
kappen, dat hij mij ging vermoorden en dat hij mijn tanden eruit gaat slaan. Al
die tijd had hij nog steeds zijn linkerhand om mijn keel. Ik zwaaide met mijn armen
heen en weer in de lucht omdat ik geen lucht meer kreeg. Ik voelde dat ik ging
stikken. [verdachte] bedreigde mij weer dat hij mij ging vermoorden, dat hij mij dood ging maken en dat hij met zijn vuist op mijn oogkassen en hoofd zou gaan slaan. Hij zou mijn ogen eruit slaan. Op dat moment liet hij mijn keel los en heeft nog meer bedreigingen geuit. [verdachte] zei verder dat hij mijn schedel zou breken als hij vrij zou komen. Ik had hem namelijk verteld dat ik de politie zou bellen. Als hij dan in de gevangenis zou komen zou hij gaan trainen en als hij dan vrij zou komen zou hij mijn schedel gaan breken. Ik kan u vertellen dat ik vreselijk moest hoesten omdat [verdachte] mijn keel had dichtgeknepen. Ik moest zo erg hoesten dat ik bijna moest overgeven. Ik ben ontzettend bang voor [verdachte] .
Bewijsoverwegingen
Feit 1: mishandeling
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, dat hij op 10 januari 2025 bij zijn moeder thuis was en dat zij een discussie kregen. Volgens de verdachte heeft hij zijn moeder toen vastgepakt bij de nek, niet bij de keel. De moeder van de verdachte, aangeefster in deze zaak, heeft over dit punt eerst verklaard dat hij haar bij de keel heeft gepakt en dat zij bijna stikte en later – ten overstaan van de rechter-commissaris – dat verdachte haar alleen bij de nek heeft vastgepakt.
De verdediging heeft het standpunt ingenomen, dat alle verklaringen van de moeder dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat zij een psychische stoornis heeft. Nu dit standpunt op geen enkele wijze is onderbouwd, gaat de rechtbank daar niet op in.
De rechtbank heeft voor de beantwoording van de vraag waar de verdachte zijn moeder heeft vastgepakt acht geslagen op de inhoud van het proces-verbaal van de wijkagent die een geluidsopname heeft uitgeluisterd en beschreven. Op die geluidsopname is de discussie tussen de verdachte en zijn moeder op 10 januari 2025 te horen, inclusief bijgeluiden. De wijkagent beschrijft dat hoorbaar is, dat de moeder van de verdachte hoest en hapt naar lucht. Ook is te horen dat de moeder tegen de verdachte zegt dat hij haar bij de keel heeft gegrepen. In haar aangifte, die drie dagen na het incident is opgenomen, verklaart de moeder dat zij vreselijk moest hoesten omdat de verdachte haar keel had dichtgeknepen. Deze verklaring, zo kort na het incident, past bij de geluiden die te horen zijn op de geluidsopname.
Dat de moeder bijna een half jaar later bij de rechter-commissaris verklaarde alleen bij de nek te zijn vastgepakt, komt de rechtbank niet aannemelijk voor. De rechtbank kent minder gewicht toe aan die latere verklaring van de moeder, alleen al vanwege het tijdsverloop.
De rechtbank is van oordeel dat er op basis van de geluidsopname en de aangifte kan worden bewezen dat de verdachte zijn moeder bij de keel heeft vastgepakt en dat hij daarbij heeft geknepen waardoor zij moest happen naar lucht.
Pijn of letsel
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze handelingen een mishandeling opleveren in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Op de geluidsopname is te horen dat de verdachte hevig hoest en gilt en dat aangeefster tegen de verdachte zegt dat hij haar mishandelt. Dat alleen al vormt een sterke aanwijzing dat het handelen van de verdachte pijn veroorzaakt, temeer nu de ervaring leert dat dit soort handelen – het grijpen en dichtknijpen van de keel – in het algemeen pijn tot gevolg heeft. Onder deze omstandigheden is het gillen dan ook niet anders te begrijpen dan als een uiting van pijn.
Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zijn moeder heeft mishandeld door haar bij de keel te grijpen en daarin te knijpen.
Feit 2: bedreiging
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, dat hij alle in de tenlastelegging onder dit feit opgenomen uitingen inderdaad heeft gezegd, maar dat die teksten waren bedoeld voor zijn vriend. Die vriend zou een week eerder bij de woning zijn geweest.
Een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht moet van dien aard en onder zodanige omstandigheden plaatsvinden dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan voor – toegespitst op deze zaak – zwaar lichamelijk letsel of het verlies van het leven.
Uit de aangifte blijkt dat de verdachte zijn woorden richtte tot aangeefster (‘ [verdachte] bedreigde mij weer dat hij mij ging vermoorden’, etc.). Dat de woorden bedoeld waren voor een vriend – wiens aanwezigheid overigens nergens uit blijkt – is dan ook niet aannemelijk.
In dit geval werden de bedreigingen uitgesproken terwijl en nadat de verdachte zijn moeder vastpakte en mishandelde. Tegen die achtergrond bezien en gelet op de gebruikte bewoordingen – en het (hierbij) veelvuldig gillen van de verdachte tegen aangeefster – is de rechtbank van oordeel dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte zijn woorden kracht bij zou zetten en haar daadwerkelijk zwaar zou mishandelen of zou doodmaken.
De rechtbank komt tot de slotsom dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte haar de dingen zou aandoen waarmee hij op dat moment dreigde.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van feit 2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de feiten van oordeel dat deze wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 10 januari 2025 te 's-Gravenhage zijn moeder, [aangeefster] , heeft mishandeld door haar bij haar keel te grijpen en deze dicht te knijpen;
2
hij op 10 januari 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen
- " Ik ga je vermoorden jongen",
- " Ik zweer het ik ga je tanden eruit slaan",
- " Als ik vrij kom, dan ga ik jou doodmaken",
- " als ik vrij kom en ik pak jou buiten",
- " Ik ga met mijn vuist op je oogkassen en hoofd slaan",
- " ik ga jou dit keer vuisten op je hoofd"
- " Ik ga jouw ogen eruit slaan",
- " Als ik vrij kom dan ga ik jouw tanden eruit slaan. Ik zweer het ik ga zo hard trainen dat als ik jou een vuist geef, jouw schedel gaat breken" en
- " Ik ga jouw schedel breken".
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van de straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan zijn voorarrest en hem daarnaast op te leggen de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring de feiten geen tbs-maatregel rechtvaardigen en dat het passender is om een zorgmachtiging af te geven. Ten aanzien van het door de deskundigen gestelde recidiverisico zou een contact- en/of locatieverbod met de aangeefster dat risico kunnen ondervangen. Mocht de rechtbank toch een tbs-maatregel willen opleggen, dan wordt gevraagd om de tbs met voorwaarden op te leggen. Meer subsidiair wordt gevraagd de tbs te maximeren.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zijn moeder in haar eigen huis mishandeld en bedreigd. Daarmee heeft hij haar lichamelijke integriteit geschonden en gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt. Uit de aangifte blijkt dat zijn moeder na het incident het slot van haar deur heeft veranderend en niet meer naar buiten durfde. In een brief aan de rechtbank d.d. 11 februari 2025 beschreef de moeder hoe de problematiek rondom haar zoon ervoor had gezorgd dat zij geïsoleerd was geraakt. Haar andere kinderen en vriendinnen durfden niet bij haar thuis te komen omdat zij zich niet veilig voelden. Ze had last van stress en paniekaanvallen door de situatie. De gedragingen van de verdachte hebben aldus een vergaande impact gehad op het leven van zijn moeder.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 mei 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het bedreigen van zijn moeder. Ook is de verdachte in 2024 veroordeeld voor een poging zware mishandeling van een buurman. In een verder gelegen verleden, langer dan vijf jaar geleden, is de verdachte nog tweemaal eerder veroordeeld voor bedreiging.
Persoon van de verdachte
Over de verdachte is een pro justitie rapportage opgesteld d.d. 5 januari 2026 door psychiater H.C. Went en GZ-psycholoog M.C.F. Hoes, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, de psychiatrische observatiekliniek in Almere. Hoewel de verdachte slechts beperkt heeft meegewerkt aan het onderzoek, schrijven de deskundigen een redelijk goed beeld van hem te hebben gekregen. Zij komen tot de volgende bevindingen.
Volgens de deskundigen is er bij de verdachte sprake van een chronisch psychotische stoornis, vermoedelijk in het kader van een schizoaffectieve stoornis, waarbij zowel psychotische symptomen (zoals paranoïde en bizarre wanen, hallucinaties en een inadequaat affect) als een duidelijke stemmingscomponent aanwezig is (bij de verdachte gekenmerkt door zijn spreekdrang, met een verhoogd associatief en expansief denken en grootheidswaan). Daarnaast hebben de onderzoekers een stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld.
De deskundigen hebben de geluidsopname van 10 januari 2025 beluisterd en zien op grond daarvan aanwijzingen voor een toenemende psychotische verwerking van het conflict tussen de verdachte en zijn moeder. Die psychotische verwerking heeft het denken, voelen en handelen van de verdachte vermoedelijk steeds meer beïnvloed. De deskundigen adviseren om de ten laste gelegde feiten tenminste in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Kans op herhaling
Ten aanzien van het risico op herhaling wordt gerapporteerd dat de chronisch psychotische stoornis aanwezig blijft, ook met gebruik van anti-psychotische medicatie. De verdachte heeft geen ziektebesef of -inzicht; hij neigt ertoe om medicatie te weigeren of te staken en zorg te mijden. Het risico op acuut gevaar wordt als matig ingeschat onder de huidige, gereguleerde omstandigheden. Echter buiten detentie wordt dit risico als onverminderd hoog ingeschat. Als de verdachte zou vrijkomen, zou hij in dezelfde situatie komen als voorheen: zonder vaste woon- of verblijfplaats, met financiële schulden, waarschijnlijk weer een beroep doend op zijn moeder met wie hij een getroebleerde relatie heeft. Hij zou naar alle waarschijnlijkheid weer stoppen met medicatie en wellicht weer gaan blowen. Daarbij zijn er weinig tot geen beschermende factoren. De deskundigen taxeren de kans op een gewelddadig recidive zonder zorg als hoog en al op de korte termijn, waarbij die kans parallel loopt met de mate waarin de psychose meer greep krijgt op het voelen en denken van de verdachte. Zonder zorg is er zelfs sprake van een acuut gevaar voor zijn omgeving.
Behandeladvies
Vanwege de ernst en complexiteit van verdachtes pathologie achten de deskundigen een langdurige behandeling aangewezen, waarbij de aandacht in eerste instantie gericht dient te worden op stabilisatie van zijn psychiatrisch toestandsbeeld. De deskundigen zien hierin een belangrijke rol weggelegd voor psychofarmaca en met name antipsychotica. Met de combinatie van steun, structuur, medicatie en abstinentie van middelen kan het toestandsbeeld van de verdachte stabiliseren.
Een zorgmachtiging als kader waarbinnen een dergelijke behandeling kan plaatsvinden is naar de mening van de onderzoekers een gepasseerd station: het ten laste gelegde vond plaats terwijl de verdachte een zorgmachtiging had. Van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel of een gedragsbeïnvloedende maatregel, is niet veel effect te verwachten bij een chronisch psychotische man, zonder ziektebesef- of inzicht, die nergens aan wil meewerken en zorg mijdt. Dit geldt ook voor een eventuele tbs met voorwaarden. Om deze redenen rest volgens het onderzoekend team niets anders dan terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te adviseren om middels behandeling in dat juridische kader de kans op recidive te verminderen.
Reclasseringsrapport
De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport d.d. 17 februari 2026 dat over de verdachte is opgemaakt. Daarin staat het volgende.
De verdachte heeft geen huisvesting, geen dagbesteding, het ontbreekt hem aan een sociaal steunend netwerk (familie/vrienden), er is sprake van middelengebruik, ernstig instabiel psychosociaal functioneren en een zorgmijdende houding. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan beschermende factoren. Uit het rapport blijkt dat de verdachte in het verleden meerdere zorgmachtigingen heeft gehad.
De verdachte ontkent dat er sprake is van schizofrenie. Ook de stoornis in het gebruik van cannabis klopt volgens hem niet. Hij herkent zich evenmin als een zorgmijder. De verdachte is van mening dat hij geen (langdurige) klinische behandeling nodig heeft. De reclassering is daarom van mening dat het bij de verdachte ontbreekt aan ziektebesef en ziekte-inzicht. Dat is wel nodig om een tbs met voorwaarden te doen slagen.
De reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. Het risico op letsel wordt eveneens ingeschat als hoog.
Afgaande op de stagnerende hulpverleningsgeschiedenis, de chronische problematiek van de verdachte in combinatie met het ontbreken van ziektebesef en -inzicht, heeft het weinig kans van slagen om een behandeling in een voorwaardelijk kader op te leggen. De reclassering komt tot een negatief over tbs met voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de Pro Justitia rapporteurs om aan de verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden aan het hem ten laste gelegde en indien de strafmaat het toelaat, een tbs met dwangverpleging op te leggen.
De reclassering adviseert daarnaast oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafecht. Hierdoor is er na beëindiging van de tbs-maatregel een ruimer forensisch vangnet richting resocialisatie. De maatregel wordt geadviseerd omdat het de werkbaarheid en de doelmatigheid van een eventuele forensische behandeling en begeleiding ten goede komt. Ook kan de verdachte langdurig gemonitord worden en kunnen er veiligheidsmaatregelen worden opgelegd ter bescherming van het slachtoffer en de maatschappij.
Conclusie rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en inzichtelijk zijn verwoord. Zij legt deze conclusies dan ook ten grondslag aan haar oordeel over de strafbaarheid van de verdachte en komt op basis daarvan tot het oordeel dat de bewezen verklaarde feiten verminderd aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
De rechtbank neemt voornoemde conclusies uit de rapporten over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat het, gelet op de ernstige, langdurige psychiatrische problematiek van de verdachte, het hoge recidiverisico en het ontbreken van beschermende factoren, noodzakelijk is dat de verdachte een langdurige klinische behandeling zal ondergaan. Gelet op de conclusies van de deskundigen, acht de rechtbank een tbs-maatregel met voorwaarden, of enig ander voorwaardelijk alternatief, niet haalbaar. Het gebrek aan ziekte-inzicht is de rechtbank ook ter zitting gebleken; in gesprek met de rechtbank verklaarde de verdachte dat hij nergens last van heeft en zo snel mogelijk wil stoppen met zijn medicatie.
De verdediging heeft nadrukkelijk gevraagd om de route voor een nieuwe zorgmachtiging te volgen, maar de rechtbank ziet dat niet meer als een effectieve mogelijkheid. De verdachte is sinds zijn adolescentie bekend binnen de GGZ met chronische psychoses en heeft meerdere zorgmachtigingen gehad. Hij heeft een lange behandelgeschiedenis en is al meerdere malen (gedwongen) opgenomen geweest binnen verschillende GGZ-instellingen. Dit is allemaal niet effectief gebleken. Zelfs met de huidige (dwang)medicatie blijft de psychose van de verdachte op de voorgrond aanwezig en blijft het recidiverisico hoog.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst van het feit, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis is doorgebracht.
De op te leggen maatregelen
Tbs-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel is voldaan. De bewezenverklaarde mishandeling en bedreiging zijn misdrijven waarvoor op grond van artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is, terwijl tijdens het begaan van dit feit bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de verdachte intensief zal worden behandeld.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen eist, dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege moet worden opgelegd.
Duur van de maatregel
Op grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna: een geweldsmisdrijf). De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is in deze zaak. De verdachte heeft verbale bedreigingen geuit, die zijn vergezeld en voorafgegaan door een mishandeling van zijn moeder, een geweldsmisdrijf. De rechtbank zal de tbs-maatregel met dwangverpleging daarom ongemaximeerd aan de verdachte opleggen.
38z - maatregel
De rechtbank zal conform het advies van de reclassering de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafecht opleggen. Zodat na beëindiging van de tbs een ruimer forensisch vangnet richting resocialisatie voorhanden is.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 38e, 38z, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling, begaan tegen zijn moeder tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 60 (ZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;
legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Jadib, voorzitter,
mr. J. Keltjens, rechter,
mr. J. Snoeijer, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2026.