8RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50899
geboren op [geboortedatum],
van Libische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. Volckmann),
en
(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op artikel 3 van het EVRM en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Op 1 juli 2022 heeft eiser deelgenomen aan een demonstratie in Tobroek tegen de overheid. De demonstratie begon vreedzaam, maar nadat andere personen zich aansloten werd er ook geweld gebruikt en brand gesticht. Voordat de demonstratie uit de hand liep heeft eiser de demonstratie verlaten. Tijdens de demonstratie heeft de Libische tv-zender Ahrar opnames gemaakt waarop eiser te zien is. Ongeveer 15 dagen na deelname aan de demonstratie is eisers huis in brand gezet. Eisers buurman vertelde hem dat het leden van de militie 2020 waren die dat gedaan hadden. Daarna heeft eiser het besluit genomen om Libië te verlaten. Eiser heeft een tijd ondergedoken en ondertussen een visum voor Italië aangevraagd. Uiteindelijk heeft eiser op 15 september 2023 Libië verlaten. Eiser vreest bij terugkeer door militie 2020 te worden gearresteerd of vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Deelname aan demonstratie van 1 juli 2022 in Tobroek;
Problemen vanwege de deelname aan de demonstratie op 1 juli 2022 in Tobroek.
De minister vindt het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig. Het derde asielmotief vindt de minister ongeloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotieven volledig onderbouwen en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. De minister vindt verder dat eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister concludeert daarom dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister concludeert dat eiser bij terugkeer naar Libië ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eisers asielaanvraag wordt daarom afgewezen.
Heeft de minister ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft vanwege de deelname aan de demonstratie op 1 juli 2022?
5. Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van de brand. Het is volgens eiser onduidelijk op welke wijze hij onderzoek had moeten doen. De controle in Libië wordt immers uitgeoefend door onduidelijke overheden en milities waardoor het onmogelijk is om aan documenten over de brand te komen. Eiser wijst hierbij op informatie uit het rapport van Libya Crimes Watch.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen vanwege de deelname aan de demonstratie niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De stelling dat militie 2020 achter de brand zat, is enkel gebaseerd op verklaring van de buurman. Uit de verklaring van de buurman blijkt dat hij mensen met wapens en een auto in de buurt van het huis heeft gezien. Volgens eiser wist de buurman dat het auto’s van militie 2020 waren, omdat deze auto’s er anders uitzien dan de auto’s van de politie. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank in de enkele verklaring van de buurman geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat het daadwerkelijk militie 2020 is geweest die het huis in brand heeft gestoken. De rechtbank overweegt dat de minister daarbij heeft mogen betrekken dat eiser geen aangifte heeft gedaan en geen persoonlijk contact heeft gehad met militie 2020 en ook niet door hen is bedreigd. De minister heeft het verder opmerkelijk kunnen vinden dat eiser nadien geen contact meer heeft gehad met zijn buurman over de brand. Ten aanzien van de artikelen waaruit volgt dat nog steeds arrestaties plaatsvinden heeft de minister kunnen overwegen dat deze de algemene situatie omschrijven en niet zien op de situatie van eiser. Daarbij is met name relevant dat eiser zelf niet is gearresteerd en niets heeft vernomen van de militie. Eiser heeft daarnaast nog ruim een jaar na de brand in Libië verbleven en zowel hij als zijn familie zijn niet benaderd door militie 2020.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn?
6. Eiser stelt dat het rapport van Libya Crimes Watch tevens de vraag oproept of vanwege het willekeurige geweld in Benghazi subsidiaire bescherming moet worden verleend. Hierbij is volgens eiser ook relevant dat het mandaat van UNSMIL met ingang van 31 oktober 2025 is verlengd. Eiser stelt dat het standpunt van de minister dat het rapport van UNSMIL geen betrekking heeft op de situatie van eiser geen stand kan houden omdat het rapport spreekt over arrestatie van demonstranten naar aanleiding van de demonstratie op 1 juli 2022. Eiser betoogt verder dat de minister voor wat betreft de problemen met militie 2020 de bewijslast ten onrechte volledig bij eiser legt. Eiser stelt dat dit onterecht is omdat de VN aandacht heeft gevraagd voor de demonstratie van 1 juli 2022 en de gevolgen voor de algemene veiligheidssituatie Libië.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij risico loopt op ernstige schade vanwege een ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld. Hierbij heeft de minister terecht overwogen dat eiser dient terug te keren naar Tobroek en dat er voor Tobroek niet wordt uitgegaan van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. De verwijzing van eiser naar het rapport van Libya Crimes Watch en de verlenging van het mandaat van UNSMIL leidt niet tot ander oordeel. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat deze bronnen algemeen van aard zijn en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer risico loopt op arrestatie vanwege zijn deelname aan de demonstratie op 1 juli 2022. Voor zover eiser wijst op stukken die zien op de situatie in Benghazi overweegt de rechtbank dat dit het oordeel evenmin anders maakt, nu eiser terug dient te keren naar Tobroek en niet naar Benghazi.
Loopt eiser bij terugkeer naar Libië een risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM?
7. Eiser voert tot slot aan dat uit het ambtsbericht van juli 2025 volgt dat Libiërs die terugkeren een risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en dit ten onrechte niet bij beoordeling is betrokken.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister moet onderzoeken en motiveren of personen met de Libische nationaliteit die terugkeren naar Libië geen risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Eiser wijst er terecht op dat uit het Algemeen Ambtsbericht van juli 2025 volgt dat iemand die in 2024 vrijwillig terugkeerde naar Libië drie dagen na zijn terugkeer zou zijn opgepakt en begin mei 2025 nog steeds in detentie zat. Verder volgt uit het ambtsbericht dat twee Libische vrouwen die gedwongen terugkeerden vervolgens in een detentiecentrum in Radaa zijn geplaatst. Tot slot volgt uit het ambtsbericht dat Libiërs bij terugkeer te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging op de luchthaven en risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie.
De gemachtigde van de minister heeft op zitting aangegeven dat er weinig informatie bekend is over de situatie voor personen die terugkeren, maar dat hieruit niet volgt dat moet worden aangenomen dat eiser bij terugkeer risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De gemachtigde van de minister heeft gesteld dat het aan eiser is om met zijn verklaringen aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer risico loopt. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister niet. Dat de informatie uit het ambtsbericht gebaseerd is op slechts één bron en dat er weinig informatie bekend is over de situatie voor personen met de Libische nationaliteit die terugkeren, maakt niet dat geconcludeerd kan worden dat eiser geen risico loopt bij terugkeer, te meer nu de bron wel degelijk spreekt over risico’s bij terugkeer. Verder valt niet in te zien hoe eiser middels zijn verklaringen aannemelijk zou moeten maken dat personen die terugkeren naar Libië een risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat het op weg van de minister ligt om nader onderzoek te doen naar de risico’s bij terugkeer dan wel nader te motiveren waarom eiser bij terugkeer geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op artikel 3 van het EVRM, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit te nemen omdat er nader onderzoek nodig is.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De minister dient een nieuw besluit te nemen over artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit en de SIS-signalering. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraag € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist over artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit en de SIS-signalering;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.