Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/19
zaak- /rekestnummer: C/09/701041 / KG RK 26/433
Uitgewerkte beslissing van 19 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
op dit moment gedetineerd in de PI [plaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaten: mrs. M. Wijngaarden en M. Pestman,
strekkende tot de wraking van
mr. J.W. Bockwinkel,
rechter-commissaris in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter-commissaris.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke verzoek tot wraking van 9 maart 2026 met bijlagen;
- de schriftelijke reactie van de rechter-commissaris van 13 maart 2026 met bijlagen;
- het e-mailbericht van de advocaat van verzoeker van 13 maart 2026 met eerdere e-mailcorrespondentie (van 18 november 2025);
- het e-mailbericht van de advocaat van verzoeker van 16 maart 2026 met daarin een brief aan de rechter-commissaris van 20 mei 2025;
- het ter zitting door de rechter-commissaris overgelegde e-mailbericht van de rechtbank (meervoudige strafkamer) aan de rechter-commissaris van 13 maart 2026.
Op 16 maart 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door zijn advocaten en een tolk in de Franse taal;
- de rechter-commissaris;
- de officieren van justitie, mr. M.A. van der Vlugt en M. Blom, als toehoorders.
Op 19 maart 2026 is door middel van een verkorte beslissing uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 30 maart 2026.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter-commissaris in de strafzaak met nummer 71/199917-23 tegen verzoeker als verdachte. Verzoeker wordt - kort gezegd - vervolgd voor het (mede)plegen van genocide in april 1994 in Mugina, Rwanda. In deze zaak heeft de rechter-commissaris tijdens meerdere rogatoire reizen op het hoofdkantoor van de National Public Prosecution Authority te Kigali (Rwanda) verschillende getuigen gehoord en er staan nog meer rogatoire reizen gepland. In verband daarmee heeft de rechter-commissaris op verschillende onderzoekswensen beslist.
Verzoeker is van mening dat in de beslissing van 3 maart 2026, het proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2026, het proces-verbaal ex artikel 238 lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 5 maart 2026 en het e-mailbericht van 5 maart 2026, alle opgemaakt door de rechter-commissaris, ten minste de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid is gewekt. Verzoeker heeft de rechter-commissaris daarom gewraakt met een per e-mail verzonden wrakingsverzoek van 9 maart 2026. Dit verzoek is ter zitting mondeling toegelicht. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat de hieronder genoemde gronden zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien (‘as a whole’) moeten worden beoordeeld. Verzoeker voert in het wrakingsverzoek van 9 maart 2026 de volgende gronden aan:
“ De MICT stukken : de verdediging vraagt om voeging van een stuk, het OM verzet zich niet en verleent zelfs medewerking. Zonder u ook maar te informeren of het MICT hieraan wil meewerken en de verklaring wil verstrekken eist u [de wrakingskamer begrijpt dat hier en in de navolgende gevallen met u wordt bedoeld: de rechter-commissaris] van de verdediging, in het engels, een toelichting op het belang van de verdediging bij de niet-geanonimiseerde versie van dit specifieke stuk en de noodzaak voor (niet eens: het verdedigingsbelang bij) het opheffen of wijzigen van de beschermingsmaatregel. Dat wekt de schijn van vooringenomenheid.
De vragen voor Guichaoua : u vraagt de verdediging zo’n beetje per vraag het verdedigingsbelang toe te lichten, omdat anderen of Guichaoua over het desbetreffend onderwerp ook geschreven hebben. Het OM, dat ook vragen heeft ingediend, vraagt u geen enkele toelichting. Dat wekt de schijn van partijdigheid.
Rogatoire reis Kenia : u stelt de indruk te hebben dat de getuigen bij hun grensovergang mogelijk strafbare feiten hebben gepleegd met medeweten van dhr. [naam 1] . Dat zijn ten eerste ernstige en wat ons betreft volstrekt ongefundeerde beschuldigingen, die de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid wekken. Die partijdigheid wordt des te duidelijker als wordt betrokken dat u voorafgaand aan de reis van die getuigen geen enkele verantwoordelijkheid daarvoor wilde hebben (dat ik zou hebben ‘ingestemd’ met vooruit betaling van alle kosten van getuigen en onderzoeker is onzin, u stelde mij voor een
voldongen feit: betalen of de getuigen worden niet gehoord), maar achteraf wel de verdediging vraagt om verantwoording (eufemistisch geformuleerd als “uw visie”) af te komen leggen.
Dan de beslissing op de onderzoekswensen van 3 maart 2026 . Ik richt mij niet zozeer op de beslissingen als wel op de motiveringen.
Ten eerste valt op dat u er maar liefst — op enkele dagen na — vier maanden over doet om op de meeste verzoeken van de verdediging te antwoorden — afgezien van een kribbig mailtje (dat niet bij de stukken is gevoegd) van 12 november 2025, waarin de verdediging wordt gevraagd wat het belang eigenlijk is om dat nu te vragen. Het OM krijgt binnen een week of drie antwoord op een verzoek. Dat wekt de schijn van partijdigheid.
Ten tweede valt op dat in het algemeen het OM kan volstaan om een verzoek met één alinea toe te lichten, terwijl de motivering van de verdediging niet alleen doorgaans vele malen uitgebreider is maar ook vooral met vele vragen wordt beantwoord — in plaats van de simpele toewijzing die het OM kan genieten. De enige uitzondering is onze getuige waarbij het OM zich aansloot — [naam 2] . Ook dat wekt de schijn van partijdigheid.
Getuige B1 : er wordt een nadere motivering van deze getuige verlangd omdat zij nog niet voorkomt in het dossier (allicht, daarin is gezocht naar belastende getuigen) en een belastende getuige (haar echtgenoot) heeft verklaard dat zij geen getuige kan zijn. Deze motivering wekt de indruk dat u de belastende getuige gelooft, en de verdediging moet motiveren waarom hij liegt. Dat wekt de schijn van vooringenomenheid.
Getuigen B2, B3, B4 : u noemt deze getuigen prematuur omdat zij zouden zijn opgeroepen om de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] over hun brief aan de Ombudsman te bevestigen. Dat is al grotendeels onjuist: zij zijn ook nog ooggetuigen van wat er bij de parochie van Mugina is gebeurd. Dat belangrijke feit verzwijgt u in uw motivering. Tevens noemt u wel de verklaring van [naam 2] dat ze niet wisten van de brief aan de Ombudsman, maar verzwijgt u dat getuige [naam 3] verklaarde dat deze getuigen erbij waren toen de klacht aan de Ombudsman werd opgesteld. Uw zeer selectieve keuze van citeren bij
de motiveringen van uw reactie wekt de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid.
Getuige [naam 4] : ook hier zien we het patroon dat een klein stukje motivering van de verdediging wordt besproken, het merendeel van de motivering niet. Deze selectie van onderwerpen (en vooral van omissies) wekt de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid.
En tenslotte het pv van bevindingen .
Onder punt 34 stelt u dat de informatie vooraf en verklaringen van getuigen wel eens divergeren. Dat hebben wij ook gemerkt — niet alleen bij getuigen van de verdediging. Opvallend is dat u discrepanties in verklaringen van getuigen a charge voor lief neemt, maar als een getuige van de verdediging anders verklaart dan wij van hem hebben vernomen — dan moet dat opeens in een pv van bevindingen. Dat wekt de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid.
Het wordt nog erger als u één van ons beschuldigt van het vertellen van onwaarheden tijdens een regiebijeenkomst. Wij hebben van getuigen A6 en A8 zelf vernomen dat zij door een Gacaca waren veroordeeld in relatie met de genocide in Mugina. Dat mr. Pestman gezegd zou hebben dat zij “geen verdachte zijn of zijn geweest” is simpelweg onjuist. Had u ons het pv van die regiebijeenkomst gezonden, dan hadden wij dat direct gecorrigeerd. Wij hebben van die regiebijeenkomst na uw pv ex art. 238 lid 2 Sv echter niets meer vernomen...
Gelet op al het voorgaande, een korte bloemlezing van handelingen die tenminste de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid hebben gewekt. zijn wij genoodzaakt u te wraken.”
De rechter-commissaris heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
De wrakingskamer zal de door verzoeker naar voren gebrachte wrakingsgronden hierna afzonderlijk bespreken en tot slot ook tezamen beoordelen. De wrakingskamer destilleert uit het schriftelijke wrakingsverzoek van 9 maart 2026 de volgende onderwerpen waarop het wrakingsverzoek betrekking heeft:
MICT-stukken;
De vragen voor Guichaoua;
Rogatoire reis Kenia;
Tijdsverloop verzoeken en reactie rechter-commissaris;
Motivering;
Getuige B1;
Getuigen B2, B3 en B4;
Getuige [naam 4] ;
PV van bevindingen (discrepanties);
PV van bevindingen (beschuldigingen).
Toetsingskader
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden. Voor de gronden 1 t/m 5, 9 en 10 geldt dit toetsingskader. De gronden 6, 7 en 8 zijn gericht tegen de motivering van beslissingen van de rechter-commissaris ten aanzien van het horen van getuigen. Daarvoor geldt het toetsingskader dat blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413):
3.3.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.4.
Het middel stelt de vraag aan de orde of en in hoeverre dit ook geldt voor de motivering van de (tussen)beslissing. Bij de beantwoording van die vraag moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Beoordeling gronden 1 t/m 5, 9 en 10
In het hiernavolgende zal de wrakingskamer achtereenvolgens de wrakingsgronden 1 tot en met 5, 9 en 10 beoordelen.
1. MICT-stukken:
De wrakingskamer leidt uit het e-mailbericht van 5 maart 2026 van de rechter-commissaris en hetgeen zij hierover ter zitting naar voren heeft gebracht af dat zij het MICT heeft benaderd over het verzoek van verzoeker om voeging van een stuk en dat zij geen informatie voor verzoeker heeft willen achterhouden. De rechter-commissaris erkent dat zij haar verzoek tot nadere toelichting aan verzoeker beter had kunnen uitleggen om verwarring te voorkomen. De wrakingskamer is met de rechter-commissaris eens dat een nadere uitleg wellicht de nodige duidelijkheid had kunnen verschaffen, maar is van oordeel dat het verzoek van de rechter-commissaris om nadere informatie geen blijk geeft van (de schijn van) vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek wordt daarom op dit punt afgewezen.
2. De vragen voor Guichaoua:
Uit het verweerschrift van de rechter-commissaris blijkt dat zij geen nadere vragen aan het Openbaar Ministerie heeft gesteld over vragen die het Openbaar Ministerie aan de deskundige wilde stellen, omdat zij daar inhoudelijk geen aanleiding toe zag. In het e-mailbericht van 5 maart 2026 heeft de rechter-commissaris uitgebreid en duidelijk gemotiveerd waarom zij wél aanleiding zag nadere vragen te stellen aan verzoeker, namelijk omdat onduidelijk is waarom verzoeker onderwerpen die al beschreven zijn nog aan een andere deskundige wil voorleggen. Het enkele feit dat de rechter-commissaris nadere vragen stelt aan verzoeker, maar niet aan het Openbaar Ministerie, vormt geen aanwijzing voor de schijn van vooringenomenheid. Daarom zal het verzoek op dit punt worden afgewezen.
3. Rogatoire reis Kenia:
De rechter-commissaris heeft ten aanzien hiervan het volgende geschreven in haar e-mailbericht aan de advocaten van verzoeker van 5 maart 2026:
“Zoals uit het proces-verbaal van bevindingen van de rogatoire reis van januari 2026 kan worden afgeleid, acht de rechter-commissaris zich onjuist en onvolledig geïnformeerd over onder meer de verblijfstatus en achtergrond van de getuigen A6 en A8 en de wijze waarop de getuigen vanuit Oeganda naar Kenia zouden reizen. Ook is de indruk ontstaan dat bij de grensovergang van de getuigen mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd, met medeweten van een lid van het verdedigingsteam. Dit raakt de positie van de rechter-commissaris (en de rogatoire commissie) en de rechtshulprelatie met de autoriteiten van het gastland. Hierbij nodigt de rechter-commissaris de verdediging uit om, in aanwezigheid van de officier van justitie, haar visie op de gang van zaken te geven en hierover verder — ook met het oog op toekomstige rogatoire reizen — van gedachten te wisselen. Graag vernemen wij van u of u beschikbaar bent voor deze bespreking na afloop van de pro forma zitting op 12 maart a.s. op het kabinet.”
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter-commissaris deze e-mail juist uiterst voorzichtig en zorgvuldig heeft geformuleerd zodat hiermee geen objectief gerechtvaardigde (schijn van) vooringenomenheid is gewekt. Zij heeft voldoende toegelicht op basis waarvan bij haar een bepaalde indruk is ontstaan en nodigt - zonder verder oordeel - verzoeker en zijn advocaten daarom uit om daarover met haar in gesprek te gaan. De wrakingskamer leidt hieruit niets anders af dan dat de rechter-commissaris heeft gepoogd transparant te zijn en partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over een (mogelijk onjuiste) indruk die bij haar is ontstaan. Voor zover het wrakingsverzoek gegrond is op deze e-mail, wordt dit dus afgewezen.
De relevantie van de beslissing over de kosten van het horen van de getuigen ontgaat de wrakingskamer, mede omdat dit ter zitting niet nader is geconcretiseerd door verzoeker. Voor zover een discussie daarover al een afzonderlijke wrakingsgrond was, wordt deze daarom afgewezen.
4. Tijdsverloop tussen verzoeken en reactie rechter-commissaris:
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter-commissaris in haar verweerschrift duidelijk heeft uitgelegd waarom zij ervoor heeft gekozen om (pas) op 3 maart 2026 te beslissen op een aantal onderzoekswensen. Uit het verweerschrift volgt duidelijk dat dit te maken had met de reeds geplande rogatoire reizen en verhoren en het feit dat het Openbaar Ministerie de gelegenheid diende te krijgen om op de onderzoekswensen van de verdediging te reageren. Die uitleg komt de wrakingskamer logisch voor en vormt geen aanwijzing voor (de schijn van) partijdigheid. Het wrakingsverzoek wordt daarom op dit punt afgewezen.
5. Motivering:
De door verzoeker aangevoerde wrakingsgrond met betrekking tot de eisen die de rechter-commissaris stelt aan de motivering van de verzoeken van de verdediging is onvoldoende concreet gemotiveerd. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de partijdigheid van de rechter-commissaris of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken, zeker nu dit ter zitting ook niet nader is toegelicht. Daarom wordt het verzoek ook op dit punt afgewezen.
9. PV van bevindingen (discrepanties):
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter-commissaris in haar verweerschrift afdoende heeft toegelicht waarom zij van mening was dat dit onderdeel opgenomen diende te worden in het proces-verbaal van bevindingen. Zij benoemt dat dit belangrijk is in het kader van de veiligheid van de getuigen en de samenwerking met de Keniaanse autoriteiten en het Team Beschermde Getuigen. De wrakingskamer vindt dit niet onbegrijpelijk en is van oordeel dat het benoemen van discrepanties in verklaringen van getuigen zoals in het proces-verbaal van bevindingen geen blijk geeft van de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid. Het verzoek wordt op dit punt dan ook afgewezen.
10. PV van bevindingen (beschuldigingen):
In het proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2026 refereert de rechter-commissaris aan mededelingen van de advocaat van verzoeker tijden de regie-zitting van 27 november 2025. Uit het dossier blijkt dat geen proces-verbaal is opgemaakt van die regiezitting. De rechter-commissaris heeft ter zitting van de wrakingskamer uitgelegd waarom geen proces-verbaal is opgemaakt, namelijk omdat de regiezitting één dag voor een rogatoire reis plaatsvond en hetgeen is besproken al in andere processen-verbaal is opgenomen. De wrakingskamer vindt dit een begrijpelijke verklaring voor het ontbreken van een proces-verbaal van de regiezitting. Daarbij heeft de rechter-commissaris erkend dat zij op het moment van de regiezitting van 27 november 2025 de brief van de verdediging van 20 mei 2025 niet helder voor ogen had, maar dat hetgeen in het proces-verbaal van bevindingen onder paragraaf 34 is opgenomen volgens haar juist is. De wrakingskamer leest in paragraaf 34 dat de rechter-commissaris vaststelt dat door de getuigen niet is verklaard conform de uitlatingen van de verdediging naar de rechter-commissaris bij de regiebijeenkomst van 27 november 2025 over eerdere verdenkingen en veroordelingen van deze getuigen. De rechter-commissaris wekt daarmee naar het oordeel van de wrakingskamer niet de suggestie dat de verdediging willens en wetens zou hebben gelogen. Daar komt bij dat later is gebleken dat een en ander heeft berust op een misverstand, omdat uit de e-mail van 20 mei 2025 blijkt dat de getuigen (wel) veroordeeld waren, en de verdediging en achteraf gezien ook de rechter-commissaris daarvan op de hoogte waren. Dit misverstand valt te betreuren, maar al met al ziet de wrakingskamer in hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen geen grond voor wraking van de rechter-commissaris.
Beoordeling gronden 6 t/m 8
De wrakingsgronden 6 tot en met 8, zien - zoals hiervoor onder 3.2 aangegeven - op de motivering van beslissingen van de rechter-commissaris op de door de verzoeker ingediende onderzoekswensen (in dit geval het horen van getuigen). Daarvoor geldt een zwaardere toets, namelijk dat slechts kan worden aangenomen dat sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Met inachtneming van deze maatstaf beoordeelt de wrakingskamer de gronden 6 tot en met 8 als volgt.
6. Getuige B1:
Uit de beslissing op de onderzoekswensen van 3 maart 2026 blijkt dat de rechter-commissaris het verzoek om getuige B1 te horen nog niet heeft toe- of afgewezen, maar slechts heeft gevraagd om nadere toelichting op dit verzoek. Het enkele feit dat de rechter-commissaris vraagt om een nadere toelichting en daarbij een andere getuigenverklaring betrekt, maakt niet dat (de motivering van) die beslissing niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Dit onderdeel van het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
7. Getuigen B2, B3 en B4:
De wrakingskamer is van oordeel dat het feit dat de rechter-commissaris een aantal door de verdediging aangevoerde omstandigheden niet heeft genoemd in de beslissing op het verzoek om deze getuigen te horen, niet zonder meer meebrengt dat dit niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Daar komt bij dat de rechter-commissaris - ook hier - nog geen beslissing heeft genomen over de toe- of afwijzing van deze getuigen en slechts vraagt om meer informatie over de Gacaca-verklaringen van B2 en B4. Dit onderdeel van het wrakingsverzoek wordt daarom ook afgewezen.
8. Getuige [naam 4]:
Verzoeker heeft niet toegelicht welke onderdelen van de motivering van het verzoek om deze getuige te mogen horen wel en niet worden besproken in de beslissing van de rechter-commissaris. Alleen al daarom geldt ook ten aanzien van deze getuige naar het oordeel van de wrakingskamer dat de beslissing van de rechter-commissaris in het licht van bovenstaande (strenge) toets geen blijk geeft van (de schijn van) vooringenomenheid en dit onderdeel van het verzoek dus ook ongegrond is.
De wrakingskamer merkt bij het voorgaande nog op dat zij in de uitgebreid gemotiveerde beslissingen van de rechter-commissaris ten aanzien van getuigen B1 tot en met B4 en [naam 4] ook leest dat de rechter-commissaris probeert regie te voeren op de getuigenverhoren door specifieke vragen te stellen. Dat is onderdeel van haar taak als rechter-commissaris, gelet op de omvang van het dossier niet onbegrijpelijk en geen zwaarwegende aanwijzing voor het aannemen van (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid.
Beoordeling van het wrakingsverzoek ‘as a whole’
Verzoeker schetst op basis van zijn wrakingsgronden, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, een beeld van (schijn van) vooringenomenheid en partijdigheid van de rechter-commissaris. De wrakingskamer herkent dit beeld niet in de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2026, de beslissing van 3 maart 2026, het proces-verbaal ex artikel 238 lid 2 Sv van 5 maart 2026 en het e-mailbericht van 5 maart 2026, noch in de onderliggende correspondentie.
Gelet op het voorgaande zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking integraal afwijzen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het onderzoek door de rechter-commissaris in de strafzaak tegen verzoeker wordt voortgezet in de stand waarin dit zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde in artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
de verzoeker p/a zijn advocaten;
de rechter-commissaris;
de officieren van justitie in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.F. Baaij, L. Kelkensberg en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.M.C. Mulders, in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 en waarvan deze uitwerking is vastgesteld op 30 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.