[naam], verzoekster,uit [woonplaats],
V-nummer: [nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. C.R.Vink).
Inleiding
1. Bij besluit van 28 januari 2026 heeft de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van verzoekster niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met de uitspraak van 2 maart 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond verklaard. Het beroep en het daaraan connexe verzoek om een voorlopige voorziening staan bekend onder de zaaknummers NL26.5069 en Nl26.5070.
Op 15 maart 2026 heeft verzoeker hoger beroep ingediend bij de Afdeling en verzocht om een voorlopige voorziening. De Afdeling heeft het hoger beroep op 17 maart 2026 als verzet doorgezonden naar de rechtbank. Dit verzet heeft het zaaknummer Awb 26/4949 gekregen.
Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat ze de behandeling van het beroep (lees: het verzet) in Nederland mag afwachten. Dit verzoek heeft het zaaknummer Awb 26/5122 gekregen.
Op 30 maart 2026 heeft verzoekster aan de rechtbank meegedeeld dat zij op 1 april 2026 op grond van de Dublinverordening zal worden overdragen aan de Franse autoriteiten.
Beoordeling voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster voert aan dat ze het niet eens met de uitspraak van 2 maart 2026. Volgens haar heeft de IND haar medische dossier niet onderzocht en beoordeeld. Verzoekster is ziek en kan niet worden overgedragen. Zij heeft het medische dossier op 30 maart 2026 aan de voorzieningenrechter doen toekomen. Ook heeft zij een bewijs waaruit blijk dat zij Frankrijk dient te verlaten. Het is een Frans document gedateerd op 29 oktober 2024.
Is sprake van spoedeisend belang?
4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van spoedeisend belang en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het verzoek om die reden af te wijzen. Volgens de minister ontbreekt het spoedeisend belang omdat verzoekster niet gedwongen wordt overgedragen naar Frankrijk. Wel is er een overdracht voor verzoekster gefaciliteerd door DT&V en verwacht de minister van verzoekster dat zij daaraan meewerkt. Het vertrek op 1 april 2026 betreft daarom een zelfstandig vertrek. Als verzoekster ervoor kiest om op die datum niet in de taxi te stappen is er geen sterke arm die haar op dat moment alsnog zal dwingen te vertrekken.
5. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om wel spoedeisend belang aan te nemen. Daarvoor is van belang dat de geplande overdracht op zeer korte termijn, namelijk 1 april 2026 staat gepland. Dat in dit geval volgens de minister sprake is van een gefaciliteerde overdracht en geen gedwongen vertrek, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Uit het dossier volgt niet dat geen sprake is van een gedwongen vertrek.Daarbij komt dat als verzoekster niet zal meewerken aan deze geplande overdracht en de overdracht om die reden feitelijk niet zal plaatsvinden, dit gevolgen kan hebben voor verzoekster. Zo kan deze situatie aanleiding vormen om verzoekster bij een volgend contact staande te houden en te horen over het al dan niet opleggen van een maatregel van bewaring. Ook volgt uit het dossier niet dat verzoekster vrijwillig naar Frankrijk zal vertrekken. Inzet van het verzoek tot voorlopige voorziening is juist dat zij in Nederland de verzetprocedure mag afwachten. In zoverre is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake van een vrijwillige keuze, zonder mogelijke gevolgen voor verzoekster.
Belangenafweging
6. De voorzieningenrechter is, gelet op de door partijen gegeven onderbouwing, van oordeel dat het belang van verzoekster om haar verzet op een zitting toe te kunnen lichten zwaarder weegt dan het belang van de minister om op 1 april 2026 verzoekster via een gefaciliteerd vertrek over te dragen aan de autoriteiten van Frankrijk.
7. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om te bepalen dat verzoekster niet wordt overgedragen voordat een uitspraak is gedaan op het verzet.
8. De voorzieningenrechter merkt op dat partijen voor de zitting van de verzetzaak een aparte uitnodiging zullen ontvangen. De zitting staat gepland op 9 april 2026 om 13.40 aan het Guyotplein 1 te Groningen. Het is aan verzoekster om een tolk te regelen voor de zitting.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: