Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696713 / KG ZA 25-1283
Vonnis in kort geding van 18 februari 2026
in de zaak van
[de man] te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. D.E. Oud te Krommenie,
tegen:
[de vrouw] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de akte houdende een eis in reconventie;
- de conclusie van repliek;
- de op 4 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
Na de zitting heeft [de minderjarige 1] haar mening kenbaar gemaakt aan de kinderrechter. Nu dit gesprek heeft plaatsgevonden na de zitting kan en zal de voorzieningenrechter op grond van de goede procesorde en proceseconomie hetgeen [de minderjarige 1] gezegd heeft niet aan zijn vonnis ten grondslag leggen.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te
[geboorteplaats] .
Bij beschikking van 4 maart 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat de kinderen voorlopig, met ingang van week 10 (5 maart 2025 tot en met 11 maart 2025), bij de man zullen zijn:
o in week 10 en 11: op zondag van 13.00 uur tot aan de zwemles om 15.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en afzet bij de zwemles;
o in week 12 tot en met 19: op zondag van 10.00 uur tot aan de zwemles om 15.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en afzet bij de zwemles;
o in week 20 en 22: op zaterdag vanaf 16.00 uur tot aan de zwemles op zondag om 15.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en afzet bij de zwemles;
o vanaf week 23: om de week op zaterdag vanaf 11.00 uur uit toneelles tot aan de zwemles op zondag om 15.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij toneelles en afzet bij de zwemles;
- vastgesteld dat de ouders zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling;
- iedere verdere beslissing over de zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen tot 1 september 2025 aangehouden.
Bij vonnis in kort geding van 14 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat de kinderen (met ingang van 6 juli 2025) voorlopig bij de man zijn:
o op zondag 6 juli 2025 en zondag 13 juli 2025 van 10.00 uur tot de zwemles om 13.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en afzet bij de zwemles;
daarna conform de opbouwregeling uit de beschikking van 4 maart 2025:
o gedurende zeven achtereenvolgende weken: op zondag van 10.00 uur tot 15.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en afzet bij de zwemles als die om 15.30 uur begint, of afzet om 15.30 uur bij de vrouw als de zwemles later of op een andere dag is;
o gedurende twee achtereenvolgende weken: op zaterdag vanaf 16.00 uur tot zondag om 15.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en afzet bij de zwemles als die om 15.30 uur begint, of afzet om 15.30 uur bij de vrouw als de zwemles later of op een andere dag is;
o daarna: om de week op zaterdag vanaf 11.00 uur uit toneelles tot zondag om 15.30 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt bij toneelles en afzet bij de zwemles als die om 15.30 uur begint, of afzet om 15.30 uur bij de vrouw als de zwemles later of op een andere dag is;
hierbij geldt het volgende:
- de man haalt de kinderen op bij de vrouw thuis, waarbij hij aanbelt bij het huis van de vrouw en wacht op de kinderen;
- als de man meer dan een half uur later is dan het afgesproken tijdstip, dan is het aan de vrouw om de dag met de kinderen verder in te richten;
- de vrouw regelt dat de zwemles wordt verplaatst van zondag 13.30 uur naar een andere dag of een later tijdstip op zondag;
- als de kinderen (samen met de vrouw) op vakantie zijn of als de man op vakantie is, dan wordt de zorgregeling tijdens die vakanties opgeschort. Wanneer iedereen terug is van vakantie, wordt de opbouw van de zorgregeling weer hervat;
- de man laat de kinderen zijn woning zien voordat de kinderen met hem meegaan voor een overnachting.
3. Het geschil
in conventie
De man heeft gevorderd – zakelijk weergegeven –:
- de vrouw te veroordelen tot het nakomen van de beschikking van deze rechtbank van 29 november 2024 en het vonnis van 14 juli 2025 met betrekking tot de bepaalde zorgregeling, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,-;
- de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de man;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
Daartoe heeft de man – samengevat – het volgende aangevoerd. De vrouw staat toe dat de man overdag omgang heeft met de kinderen, maar zij weigert om de kinderen bij de man te laten overnachten. De man is bij zijn nieuwe partner ingetrokken, waar er geschikte slaapplekken zijn voor de kinderen. Hij heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat het in het belang van de kinderen is dat de omgang met de man zo spoedig mogelijk wordt hersteld.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De vrouw heeft gevorderd – zakelijk weergegeven –:
- te bepalen dat tussen partijen een omgangsregeling, althans een regeling aangaande de onderlinge verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de kinderen zal dienen te gelden, waarbij de kinderen vooralsnog slechts onder professionele begeleiding van een instantie als het Omgangshuis contact zullen hebben met de man, en dat voorts een opbouw in voormelde omgang zal dienen te worden aangebracht door de betreffende instantie indien en voor zover deze contacten goed zullen verlopen;
- subsidiair: de kinderen conform een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen regeling bij de man zullen verblijven, bij voorkeur van de vrouw zonder overnachting;
- een en ander op straffe van een dwangsom ad € 250,- per dag of dagdeel dat door de man niet aan deze regeling zal worden voldaan, met veroordeling van de man in de kosten van het geding;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Op de zitting heeft de vrouw – samengevat – het volgende aangevoerd. De vrouw staat omgang tussen de man en de kinderen niet in de weg. De vrouw heeft aangegeven dat de man vaak niet is gekomen om de kinderen op te halen voor de omgang. Ook heeft zij toegelicht dat de kinderen zelf aangeven dat ze niet bij de man willen overnachten.
Daarbij is voor de vrouw onduidelijk waar de kinderen verblijven als ze bij de man zijn. De vrouw vindt het daarom niet prettig om de kinderen bij de man te laten overnachten. Verder heeft de vrouw gesteld dat de omgang tussen de man en de kinderen onder begeleiding moet plaatsvinden om te evalueren hoe de omgangsmomenten verlopen, nu de kinderen weerstand tegen de omgang vertonen.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling moet worden nageleefd. Het moet immers in het belang van de kinderen worden geacht dat zij contact hebben met beide ouders. Dit kan echter anders zijn indien nadien feiten zijn voorgevallen die maken dat de zorgregeling niet meer in het belang van de kinderen moet worden geacht.
Op de zitting is gebleken dat de man de kinderen sinds november 2025 niet meer heeft gezien. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat de vrouw de zorgregeling tussen de man en de kinderen onvoldoende ondersteunt, in het bijzonder de overnachtingen van de kinderen bij de man; mede in het licht van haar eis in reconventie. Het door de vrouw overgelegde overzicht maakt dit niet anders, nu dit slechts een overzicht biedt van de omgang tot september 2024. De vrouw heeft aangevoerd dat zij niet weet waar de man momenteel verblijft. Op de zitting heeft de man aangegeven wat het adres is waar de omgang (met overnachting) plaats zou vinden.
De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande geen gewijzigde feiten of omstandigheden, die maken dat de kinderen niet bij de man zouden kunnen overnachten. De voorzieningenrechter ziet in het door de vrouw gestelde ook geen aanleiding om de omgang tussen de man en de kinderen onder begeleiding te laten plaatsvinden. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de zorgregeling tussen de man en de kinderen moet worden hervat en zal hij de vrouw veroordelen deze regeling na te komen.
Gelet op de stukken, het eerdere kort geding, en wat er op de zitting is besproken acht de voorzieningenrechter de oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd tot € 200,- en gemaximeerd tot € 10.000,-, nu de vrouw op de zitting heeft aangegeven dat zij momenteel een WW-uitkering ontvangt.
Gelet op het feit het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, wordt bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
in reconventie
Zoals hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter de vrouw veroordelen tot nakoming van de zorgregeling en ziet hij geen aanleiding om de omgang onder begeleiding te laten plaatsvinden. Daarom zullen de vorderingen in reconventie worden afgewezen.
Gelet op het feit het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, wordt bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
veroordeelt de vrouw om de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 4 maart 2025 van deze rechtbank en het vonnis van 14 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank na te komen;
bepaalt dat de vrouw een dwangsom van € 200,- verbeurt voor iedere dag dat zij deze zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,-;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G. Meeder en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
EY