[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Nederland heeft bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 1 december 2025 aanvaard. Daarbij vertrouwt verweerder erop dat Duitsland zijn internationale verdragsverplichtingen voor de behandeling van de asielaanvraag nakomt. Dat wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd.
Beroepsgronden
7. Eiser stelt dat hij is geboren op [datum] 2000 en dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft.
8. Eiser betwist niet dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser beroept zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 19 juli 2024. Hij verzoekt de rechtbank om als ‘EVRM-rechter’ het risico dat hij loopt op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland te beoordelen. Hij wijst daarbij verder op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025 waarin is geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom vreemdelingen die naar Jemen moeten terugkeren geen risico lopen te worden blootgesteld aan ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Eiser voert aan dat uit zijn Duitse asieldossier blijkt dat de Duitse autoriteiten Jemen veilig genoeg achten om asielaanvragers terug te sturen. Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd met welk ‘novum’ hij in Duitsland een succesvolle opvolgende asielaanvraag kan indienen, aangezien de situatie in Jemen ongewijzigd is. Het bestreden besluit is volgens hem dan ook in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel tot stand gekomen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2024, 6 mei 2024 en 14 februari 2025. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken wanneer in Duitsland sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Het is aan eiser om dat aannemelijk te maken.
10. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Duitse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
11. Verder volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 en de uitspraak de Afdeling van 12 juni 2024 dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het (verschil in) beschermingsbeleid dat geldt in de lidstaat waarnaar de vreemdeling wordt overgedragen. Ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, zijn niet relevant bij de toetsing van een overdrachtsbesluit. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zoals hiervoor is overwogen, is verweerder ten aanzien van Duitsland terecht uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers nieuwe asielaanvraag - in overeenstemming met de geldende Richtlijnen - in Duitsland zal worden behandeld. Voor zover eiser vreest voor (indirect) refoulement door het verschil in beschermingsbeleid in Duitsland, moet hij dat risico daar zelf melden of aantonen dat dat door systeemfouten niet mogelijk is.
12. Het beroep op het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.