RECHTBANK DEN HAAG
[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.57086 (beroep) en NL25.57087 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Hol),
en
(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft de politieke overtuiging van eiser onvoldoende zwaarwegend kunnen vinden. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat in de voorgaande asielprocedures van eiser reeds is vast komen te staan dat zijn tatoeage, activiteiten in Nederland en littekens niet betekenen dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. Verder heeft verweerder in dit oordeel kunnen betrekken dat eiser geen significante en prominente rol vervult voor de TCC in Nederland en dit ook niet beoogt in Sri Lanka. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat de situatie voor Tamils in Sri Lanka verbetert. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft zijn eerste asielaanvraag ingediend op 30 maart 2011. Deze asielaanvraag is door verweerder afgewezen, welk besluit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is bevestigd. Eiser heeft zijn tweede asielaanvraag ingediend op 14 juni 2012. Deze asielaanvraag is wederom afgewezen door verweerder. Het beroep hiertegen is door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard op 19 augustus 2014. Eiser heeft zijn derde asielaanvraag ingediend op 15 april 2015. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, wat door de Afdeling is bevestigd op 5 februari 2016. Eiser heeft op 2 juni 2017 zijn vierde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, wat door de Afdeling is bevestigd.
Eiser heeft op 10 januari 2022 zijn vijfde, huidige, asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats op 21 augustus 2025 gegrond verklaard. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een nieuw besluit genomen. Dit is het bestreden besluit van 19 november 2025, waarmee verweerder de asielaanvraag van eiser wederom heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het beroep en het verzoek zijn op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1987. Eiser heeft verklaard voorstander te zijn van een Tamil Eelam en wenst zo een einde te maken aan de onderdrukking van Tamils. Hij stelt lid te zijn van het Tamil Forum en daarnaast neemt eiser deel aan de vergaderingen van de Tamil Youth Organisation (TYO). Eiser heeft van 2021 tot 2024 deelgenomen aan verschillende demonstraties, herdenkingen en sportdagen die werden georganiseerd door het Tamil Forum en het Tamil Informatiecentrum. Eiser stelt dat hij meehelpt met de organisatie van die bijeenkomsten. Hij verklaart dat hij het streven naar een Tamil Eelam heeft geuit middels een tatoeage met het LTTE embleem. Ook verwijst hij naar zijn medisch dossier en het overlijden van zijn zus op 31 oktober 2021. Eiser doet een beroep op de uitspraak KK en RS van het Britse Upper Tribunal van 27 mei 2021, waaruit volgens hem blijkt dat activiteiten in het buitenland een significante risicofactor vormen bij terugkeer. Verder heeft eiser enkele artikelen uit Sri Lankaanse kranten overgelegd, waarin melding wordt gemaakt van demonstraties inclusief foto's daarvan. Eiser heeft een verklaring van Stichting Tamil Informatiecentrum Nederland (de Stichting) en een verklaring van de Nederlandse Tamil Coordinating Committee (TCC) overgelegd. In beide verklaringen wordt eisers bijdrage aan de activiteiten bevestigd.
Het bestreden besluit
4. Verweerder stelt in het bestreden besluit één asielmotief vast:
1. uw politieke asielmotief (de rechtbank begrijpt, “politieke overtuiging”)
Verweerder vindt het asielmotief geloofwaardig maar niet zwaarwegend. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat dan wel zal komen te staan wegens zijn politieke activiteiten in Nederland. De rol van eiser bij de TCC is bovendien zeer marginaal. Eiser licht onvoldoende toe dat hij op zeer zichtbare wijze een bijdrage levert. Ook de wijze waarop hij bij terugkeer zijn politieke overtuiging zal uiten, leidt niet tot gegronde vrees. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
Heeft verweerder de politieke overtuiging van eiser onvoldoende zwaarwegend kunnen vinden?
5. Eiser voert aan dat hij met stukken heeft onderbouwd dat het TCC door de Sri Lankaanse regering is aangemerkt als een terroristische organisatie en dat de Sri Lankaanse overheid bekend is met de activiteiten van het TCC in landen waar Tamils verblijven. Hierbij wijst eiser op de uitspraak KK en RS van het Upper Tribunal en het daarin opgenomen oordeel van deskundige dr. Chris Smith. Verweerder gaat ten onrechte voorbij aan de omstandigheid dat eiser actief is voor een als terroristisch aangemerkte organisatie. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte een verschil maakt tussen de voorzitter van de TCC en eiser. De voorzitter is essentieel, maar kan zijn activiteiten niet verrichten zonder ondersteuning van mensen zoals eiser. Eiser staat dan ook bekend als een activist die altijd aanwezig is. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft betrokken dat hij voldoet aan vrijwel alle factoren genoemd in paragraaf 21 van de Country Guidance. Hierbij wijst eiser op de beslissing van het CAT van 16 augustus 2021. Volgens eiser moet zijn tatoeage betrokken worden bij de beoordeling van verweerder. Eiser verwijst naar een Gazette van 20 februari 2025, waaruit blijkt dat de Sri Lankaanse autoriteiten nog steeds belangstelling hebben voor personen en organisaties in Nederland met een separatistisch leven. Daarnaast laat het thematisch ambtsbericht uit 2024 open of Tamils in Nederland bij hun activiteiten worden gemonitord. Verder ziet dit thematisch ambtsbericht op Tamils die gemonitord worden wegens het feit dat zij vanuit het buitenland zijn teruggekeerd en Tamils zijn die streven naar een Tamil Eelam.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de politieke overtuiging van eiser onvoldoende zwaarwegend heeft kunnen vinden. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt.
Ten eerste merkt de rechtbank op dat in de voorgaande asielprocedures van eiser in rechte vast is komen te staan dat de gestelde betrokkenheid bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam, de tatoeages en littekens van eiser en zijn deelname aan activiteiten van de Tamil beweging in Nederland niet tot de conclusie leiden dat eiser door de Sri Lankaanse autoriteiten wordt beschouwd als activist die een significante rol speelt in een georganiseerd separatistisch streven buiten Sri Lanka, en eiser op grond daarvan in de negatieve belangstelling zou staan. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de rechtbank deze omstandigheden opnieuw zou moeten beoordelen. Eiser verwijst naar oudere stukken en brieven, maar deze zijn reeds in de voorgaande asielprocedures beoordeeld. Voor zover eiser verwijst naar de uitspraak van het CAT met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in de vorige procedures, kan ook dat niet afdoen aan de in rechte vaststaande uitspraak in die procedures. Het CAT plaatst bovendien meer een nuancering in algemene zin bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het eerdere asielrelaas van eiser. Wat in deze procedure nieuw ter beoordeling ligt, is de zwaarwegendheid van de politieke overtuiging van eiser als zelfstandig asielmotief. En daarbij dienen betrokken te worden de geloofwaardig geachte activiteiten voor de STIN en voor de TCC.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen vinden dat eiser bij terugkeer niet in de negatieve belangstelling zal komen te staan vanwege zijn politieke overtuiging. Weliswaar verricht hij activiteiten als vrijwilliger voor de TCC en de STIN, en is de TCC als terroristische organisatie aangewezen in Sri Lanka, maar hij speelt daarin geen prominente rol. Eiser heeft verklaard te helpen bij het organiseren van evenementen, demonstraties, sportdagen en herdenkingsdiensten en dat hij bijvoorbeeld een zaal moest organiseren, pamfletten aan het uitdelen was en dat hij een vlag droeg. Het door eiser aangehaalde nieuwsartikel van de Gazette waarin staat dat de voorzitter van de STIN en het TCC, [naam] , is aangemerkt als terrorist, leidt dan ook niet tot een ander oordeel nu [naam] in tegenstelling tot eiser wel een significante en prominente rol inneemt binnen de STIN en het TCC. Hetzelfde geldt voor zover eiser aanvoert dat het thematisch ambtsbericht niet volledig uitsluit dat personen worden gemonitord. In dit verband heeft verweerder er terecht op gewezen dat volgens het thematisch ambtsbericht er tijdens de verslagperiode van oktober 2014 tot en met april 2024 weliswaar berichten zijn verschenen over de monitoring door de Sri Lankaanse autoriteiten van personen die buiten Sri Lanka activiteiten verrichten voor Tamil-organisaties, maar dat niet kon worden vastgesteld of dit ook in Nederland gebeurde en het voornamelijk plaatsvond bij grote Tamil diaspora’s zoals in het Verenigd Koninkrijk. Bovendien is eiser al sinds 2011 in Nederland en is niet gebleken dat hij sindsdien is gemonitord. Verweerder heeft wederom op dit punt kunnen betrekken dat eiser geen significante en prominente rol speelt binnen de Tamil-beweging in Nederland, waardoor het minder aannemelijk is dat eiser op enig moment gemonitord zou zijn. Daarnaast heeft verweerder bij dit oordeel mogen betrekken dat de situatie voor Tamils in Sri Lanka is verbeterd. Zo is gebleken dat tijdens de verslagperiode van het thematisch ambtsbericht, dat een periode beslaat van oktober 2014 tot en met april 2024, veel minder op Tamils gerichte misstanden plaatsvonden, dat de Tamils politiek actiever worden en zo ook steeds meer politieke invloed kunnen uitoefenen in Sri Lanka.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer in Sri Lanka in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal komen te staan vanwege uiting van zijn politieke overtuiging. Anders dan dat eiser heeft gesteld, verwacht verweerder geen terughoudendheid van eiser met betrekking tot het uiten van zijn politieke overtuiging in Sri Lanka. Verweerder heeft (slechts) de verklaringen van eiser over zijn beoogde uiting beoordeeld bij de vraag of eiser bij terugkeer gevaar zal lopen. Verweerder heeft daarbij het feit dat eiser zich bij een studentenprotestbeweging wil aansluiten onvoldoende kunnen vinden, nu niet blijkt dat het verboden is om dit te doen. Verweerder heeft ook hier kunnen wijzen op het ambtsbericht waaruit blijkt dat er een veelheid aan Tamil politieke partijen en Tamil NGO’s actief zijn en herdenkingsactiviteiten steeds minder problematisch zijn voor de autoriteiten. Hier komt bij dat eiser ook ter zitting nog heeft verklaard dat hij niet op de voorgrond zou willen staan in Sri Lanka. Dit komt ook overeen met hoe eiser zijn politieke overtuiging in Nederland thans uit. De rechtbank kan verweerder daarom volgen in zijn conclusie dat eiser geen significante en prominente rol zal innemen in Sri Lanka.
Gelet op het bovenstaande, slaagt deze beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Aangezien op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraakkan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.