RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60993
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
(gemachtigde: mr. B.W Zagers).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 18 november 2025, waarbij verzoekers aanvraag om een verblijfvergunning regulier is afgewezen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar van eiser een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij besluit van 18 november 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor verblijf als familie- en gezinslid afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Overwegingen
3. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker tot 4 september 2025 rechtmatig in Nederland verbleef onder de Richtlijn tijdelijk bescherming. Verzoeker kon tot die datum gebruik maken van de rechten die uit die Richtlijn voortvloeien en hij was daarom tot die datum ook werkgerechtigd.
Op 30 augustus 2025 heeft verzoeker een reguliere verblijfsvergunning (verblijfsdoel: verblijf als familie- of gezinslid) aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 18 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hangende die procedure verzocht om het treffen van de voorlopige voorziening.
Op 2 september 2025 heeft verzoeker een reguliere verblijfsvergunning (verblijfsdoel: verblijf en arbeid) aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 21 oktober 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker vraagt de behandeling van het bezwaar te mogen afwachten en de minister te gelasten zich tot vier weken nadien zich te onthouden van op uitzetting gerichte handelingen of voorbereiding van dergelijke handelingen.
Op 27 januari 2026 heeft verzoeker zijn verzoek geconcretiseerd. Hij stelt dat zijn verzoek zich ‘specifiek’ richt op het verkrijgen van een tijdelijke voorziening in de vorm van een sticker met arbeidstoestemming, zodat hij gedurende de periode waarin op het definitieve besluit wordt gewacht, in zijn levensonderhoud kan voorzien.
Niet in geschil is dat verzoeker spoedeisend belang heeft.
Oordeel voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat er geen grondslag is voor het treffen van een voorziening waarbij verzoeker een sticker met arbeidstoestemming krijgt. De onderhavige voorlopige voorziening hangt aan de procedure, waarin is verzocht om een vergunning voor verblijf als familie- of gezinslid. Mocht die vergunning worden verleend, dan is verzoeker nog steeds niet werkgerechtigd. Met het toewijzen van de gevraagde voorziening voor zover deze op de zogenoemde arbeidssticker ziet, zou de voorzieningenrechter buiten de omvang van het geding treden. Verzoeker kan ten aanzien van de arbeidssticker met deze procedure niet bereiken wat hij wil bereiken.
5. Ten aanzien van de vraag of een voorziening getroffen moet worden waarbij wordt bepaald dat verzoeker de behandeling van zijn bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek van 30 augustus 2025 in Nederland mag afwachten, beoordeelt de voorzieningenrechter of dit bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
In dat kader stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker ten onrechte het mvv-vereiste is tegengeworpen. Verzoeker heeft op 30 augustus 2025 verzocht om de verblijfsvergunning. Dat is voor de in IB 2025/17 genoemde datum van 4 september 2025. Volgens het beleid van de minister, is verzoeker daarom automatisch vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Dat betekent echter niet dat het bezwaar reeds hierom een redelijke kans van slagen heeft. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat, ook als het mvv-vereiste niet langer wordt tegengeworpen, dit niets verandert aan de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De conclusie van de volledige heroverweging in bezwaar zal nog steeds zijn dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de vergunning en dat het bezwaar ongegrond is. De minister wijst daarbij op de inhoudelijke overwegingen die gemaakt zijn in het kader van een eventuele vrijstelling van het mvv-vereiste, en die voorgaande conclusie dragen.
De voorzieningenrechter volgt de minister. Daartoe wordt overwogen dat de minister inhoudelijk heeft getoetst aan artikel 8 EVRM, daargelaten dat hij dit heeft gedaan in het kader van een mogelijke vrijstelling van het mvv-vereiste. Nu duidelijk is dat het mvv-vereiste niet meer kan worden tegengeworpen, zal het inhoudelijke standpunt van de minister onveranderd blijven.
Daarbij is relevant dat niet aannemelijk is gemaakt dat de overwegingen die tot dit standpunt hebben geleid niet deugdelijk zijn gemaakt. Verzoeker heeft enkel aangevoerd, dat de minister onvoldoende heeft betrokken dat verzoeker en zijn partner op een gezamenlijk geregistreerd adres wonen, en dat niet in zijn nadeel meegewogen kan worden dat hij zonder permanent verblijfsrecht een relatie is aangegaan en dat het economisch welzijn van de Staat niet tegengeworpen kan worden, omdat verzoeker inkomen heeft uit arbeid. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende.
De minister heeft verzoeker tegengeworpen dat niet duidelijk is hoe hij en zijn partner het familieleven uitoefenen, omdat verzoeker hier niks over heeft aangevoerd. De stelling dat verzoeker en partner op een geregistreerd adres wonen, verandert dit niet. Voor zover verzoeker stelt inkomen uit arbeid te hebben, overweegt de voorzieningenrechter dat dit, gelet op de huidige verblijfsstatus van verzoeker, in ieder geval geen legaal inkomen is en dat hem daarom het economische belang van de Staat tegengeworpen kan worden. Hoewel de voorzieningenrechter enige vraagtekens plaatst bij de zwaarwegendheid van het tegenwerpen van het aangaan van een relatie met slechts procedureel verblijfsrecht, staat dit niet in verhouding tot de andere, en grotendeels onbestreden gelaten, overwegingen van de minister. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker heeft aangevoerd dat hij op grond van artikel 73, eerste lid, Vw de behandeling van zijn bezwaar sowieso in Nederland had mogen afwachten, wanneer hem het mvv-vereiste niet was tegengeworpen. Volgens verzoeker moet reeds hierom de voorziening worden toegewezen.
Hoewel de constatering van verzoeker juridisch juist is, ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding om de voorziening toe te wijzen. Voornoemde doet namelijk niet af aan de conclusie dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Die constatering doet namelijk niet af aan de overwegingen zoals weergegeven hierboven. Er is daarom geen aanleiding om verzoeker de behandeling van het bezwaar in Nederland af te laten wachten.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.