RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [V-nummer 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2891
[eiseres] , v-nummer: [V-nummer 2] , eiseres,
mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen:
[kind 1] , v-nummer: [V-nummer 3] ,
[kind 2] , v-nummer, [V-nummer 4] ,
[kind 3] , v-nummer, [V-nummer 5] ,
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij het besluit van 16 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De zitting heeft zonder tolk plaatsgevonden, nu de gemachtigde van eisers heeft aangegeven dat geen tolk beschikbaar was. Partijen hebben ermee ingestemd de behandeling zonder tolk voort te zetten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eisers stellen te zijn geboren op [datum 1] 1995 respectievelijk [datum 2] 1997, [datum 3] 2017, [datum 4] 2018 en [datum 5] 2023 en staatloze Palestijnen afkomstig uit Gaza te zijn. Zij hebben op 18 juli 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij besluit van 21 oktober 2025 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 27 december 2018 en 20 maart 2019 in Griekenland, op 12 april 2022 in Duitsland en op 27 mei 2025 in België al een asielaanvraag had ingediend. Verder is uit onderzoek in Eurodac gebleken dat eiseres op 12 april 2022 in Duitsland en op 27 mei 2025 in België al een asielaanvraag had ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Belgische autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen. De Belgische autoriteiten hebben dit verzoek op 29 augustus 2025 afgewezen, omdat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland. Om het gezin bijeen te houden, hebben de Belgische autoriteiten ook het verzoek van eiseres en hun minderjarige kinderen afgewezen. Na een heroverwegingsverzoek van verweerder, hebben de Belgische autoriteiten op 24 september 2025 het verzoek nogmaals afgewezen.
3. Verweerder heeft op 17 september 2025 ook de Duitse autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 30 september 2025 aanvaard. Op 23 december 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem het hiertegen gerichte beroep gegrond verklaard en onder meer geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek nu geen blijk is gegeven van het betrekken van de belangen van de kinderen. Verweerder heeft op 16 januari 2026 het huidige bestreden besluit genomen en de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen.
4. Eisers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen en voeren daartoe aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen. Uit internationale en Europese regelgeving volgt dat het belang van het kind een fundamenteel rechtsbeginsel vormt dat zowel materieel als procedureel moet worden gewaarborgd. Dit brengt mee dat een zorgvuldige en systematische beoordeling moet plaatsvinden, waaronder onder meer de ontwikkeling, veiligheid, gezondheid, identiteit en sociale omgeving van de kinderen worden betrokken. Eisers stellen dat verweerder een dergelijk BIC-assessment niet heeft verricht en evenmin heeft laten verrichten door deskundigen, terwijl dit wel is vereist. Zonder een dergelijke beoordeling kan niet worden vastgesteld wat het belang van de kinderen is en kan daarmee ook geen zorgvuldige belangenafweging plaatsvinden. In dit verband verwijzen eisers naar arresten van het Hof, T.Q. en K.L. en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 2 juni 2025. Verder voeren eisers aan dat de kinderen in de afgelopen jaren meerdere malen zich hebben moeten verplaatsen en dat een overdracht opnieuw belastend is. Ook verwijzen zij naar de impact van de oorlogssituatie in Gaza op hun familie. Daarnaast stellen eisers bereid te zijn om naar Griekenland terug te keren. Zij achten het niet in het belang van de kinderen om eerst naar Duitsland te worden overgedragen en mogelijk vervolgens naar Griekenland te moeten reizen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Zoals ter zitting is besproken, ligt in deze procedure (uitsluitend) ter beoordeling voor of verweerder zich met het bestreden besluit voldoende rekenschap heeft gegeven van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 23 december 2025. In geschil is daarmee of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielaanvragen van eisers in Nederland in behandeling te nemen en meer specifiek of hij daarbij de belangen van de minderjarige kinderen voldoende heeft betrokken.
6. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de belangen van de minderjarige kinderen alsnog voldoende kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij heeft verweerder meegewogen dat sprake is van jonge kinderen, dat zij in Nederland naar school gaan, dat zij volgens eisers in Duitsland zijn gepest en dat zij belang hebben bij stabiliteit. Ook heeft verweerder de door eisers gestelde impact van eerdere ervaringen en de daarmee samenhangende onrust in zijn beoordeling betrokken. Daarmee heeft verweerder uitvoering gegeven aan de in de uitspraak van 23 december 2025 gegeven opdracht om het belang van de kinderen concreet en kenbaar te toetsen.
7. Verweerder heeft zich vervolgens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden dat overdracht aan Duitsland in strijd is met de belangen van de minderjarige kinderen of leidt tot onevenredige hardheid. Daarbij heeft verweerder kunnen meewegen dat het gezin bijeen blijft en dat niet is gebleken dat stabiliteit uitsluitend in Nederland kan worden opgebouwd. Verweerder heeft verder mogen meewegen dat eisers geen objectieve stukken hebben overgelegd waaruit volgt dat de kinderen door overdracht aan Duitsland aantoonbare schade zullen ondervinden in hun welzijn of ontwikkeling. In deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende heeft betrokken.
8. Anders dan eisers stellen, volgt uit artikel 6 van de Dublinverordening, artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest dat het belang van het kind in de besluitvorming moet worden betrokken, maar niet dat dit uitsluitend kan door middel van een afzonderlijk deskundigenonderzoek. Voldoende is dat verweerder de belangen van de minderjarige kinderen kenbaar en inzichtelijk in de besluitvorming heeft betrokken. Dat verweerder geen extern BIC-assessment heeft laten verrichten, leidt daarom niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is.
9. De door eisers aangehaalde rechtspraak treffen geen doel. Het arrest T.Q. ziet op niet-begeleide minderjarige kinderen in het kader van de Terugkeerrichtlijn en is daarom niet zonder meer vergelijkbaar met de onderhavige situatie, waarin sprake is van minderjarige kinderen die met hun ouders in het kader van de Dublinprocedure reizen. Verder volgt uit het arrest K.L. weliswaar dat het belang van het kind voorafgaand aan de besluitvorming concreet moet worden vastgesteld, maar dat het aan de lidstaten is om de wijze waarop die beoordeling plaatsvindt nader vorm te geven. Daaruit volgt niet dat verweerder gehouden was een afzonderlijk deskundigenonderzoek te verrichten. Ook de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 2 juni 2025 leidt, gelet op de wezenlijk andere feitelijke en juridische context van die zaak, niet tot een ander oordeel.
10. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat zij liever rechtstreeks aan Griekenland worden overgedragen, volgt daaruit niet dat verweerder van overdracht aan Duitsland had moeten afzien. De Dublinverordening kent een dwingend systeem voor de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat. Daarbij is van belang dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hun verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers hebben aanvaard. Dat eisers menen dat overdracht aan Duitsland ertoe kan leiden dat zij vervolgens naar Griekenland worden verwezen, maakt dit niet anders. Een dergelijke omstandigheid, indien al aan de orde, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van Duitsland in de zin van de Dublinverordening.
11. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.