ECLI:NL:RBDHA:2026:7355

ECLI:NL:RBDHA:2026:7355

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer NL25.36730
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Asiel Colombia, beroep ongegrond. Verweerder heeft de door eiser overgelegde documenten voldoende betrokken in zijn besluitvorming. Ook heeft verweerder de problemen van eiser met de Guerrilla ongeloofwaardig kunnen vinden vanwege de tegenstrijdige en onlogische verklaringen van eiser hierover. Verweerder heeft terecht de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daarom ook het terugkeerbesluit kunnen opleggen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.36730

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),

en

(gemachtigde: mr. C. van Es).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft de door eiser overgelegde documenten voldoende betrokken in zijn besluitvorming. Ook heeft verweerder de problemen van eiser met de Guerrilla ongeloofwaardig kunnen vinden vanwege de tegenstrijdige en onlogische verklaringen van eiser hierover. Verweerder heeft terecht de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daarom ook het terugkeerbesluit kunnen opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is zonder bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1998. Eiser legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Eiser heeft in Colombia tijdens zijn militaire dienst vanaf augustus 2018 tot eind november 2019 bij de luchtmacht gediend. Hij moest patrouilleren en gebieden beveiligen. Eiser was ook betrokken bij acties om drugs te onderscheppen van de Farc. Eén keer moest eiser drugs in beslag nemen van een boot in Caqueta. Een week nadat eiser dit had gedaan, hoorde hij van de inlichtingendienst dat hij op een zwarte lijst van de Guerrilla Carolina was geplaatst. Op hun advies heeft eiser ontslag genomen. Toen eiser in mei 2021 beveiliger werd van een kolonel in Pareira, werd hij bedreigd en vertelde een politieagent dat hij op een zwarte lijst stond. Eiser werd gevolgd, waardoor hij besloot onder te duiken. Tien dagen later ging eiser naar een feest waar hij sprak met [naam] . Eiser is tijdens het feest naar buiten gegaan maar toen werd geschoten. Hij is naar het huis van zijn oma gerend om te schuilen. [naam] is later in januari 2023 vermoord. Eiser heeft vijf maanden ondergedoken en heeft daarna Colombia verlaten.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig en het tweede asielmotief niet geloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ondanks dat hij niet alle documenten van eiser kenbaar in het voornemen heeft betrokken, deze wel zijn meegenomen in de beoordeling van de asielaanvraag. Verweerder werpt verschillende tegenstrijdige, wisselende en onlogische verklaringen van eiser tegen bij het ongeloofwaardig vinden van het tweede asielmotief. Verweerder werpt eiser ook tegen dat hij niet om bescherming heeft verzocht in Colombia, zeker nu hij zelf bij de luchtmacht heeft gezeten.

Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Ook legt verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar op.

Heeft verweerder de documenten van eiser voldoende meegewogen in zijn besluitvorming?

5. Eiser voert aan dat verweerder heeft nagelaten om de inhoud van de documenten kenbaar te betrekken in zijn besluitvorming. Dit is in strijd met het Unierecht. Verweerder merkt enkel op dat aan de documenten geen bewijswaarde toekomt omdat het kopieën zijn en de documenten daarom niet op echtheid zijn te controleren. Ook het argument van verweerder dat aan de verklaring geen waarde toegekend kan worden omdat deze op verzoek van eiser is opgesteld, is geen inhoudelijke beoordeling van het document.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de documenten van eiser voldoende heeft meegewogen in zijn besluitvorming. Eiser heeft foto’s overgelegd en een brief van een kapitein. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de brief niet afkomstig is uit objectieve bron, maar op verzoek van eiser is opgesteld, zodat de bewijswaarde van dit document beperkt is en niet zonder meer eisers asielmotieven kan onderbouwen. Daarmee is de brief niet zonder meer ter zijde geschoven. De rechtbank kan ook de toelichting van verweerder ter zitting over de foto’s die eiser heeft overgelegd volgen, te weten dat de foto’s een momentopname zijn en geen concrete onderbouwing geven van de gestelde problemen van eiser met de Guerrilla. Hiermee heeft verweerder zich voldoende uitgelaten over de documenten van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de problemen van eiser met de Guerrilla ongeloofwaardig kunnen vinden?

6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat corruptie in Colombia geen reden is om het ontslag van eiser daarmee in direct verband te brengen. Eiser heeft verklaard dat het leger hem geen bescherming kon bieden vanwege de corruptie binnen het leger. Ook heeft eiser toegelicht dat hij zelf een verkeerde inschatting had gemaakt door te denken dat hij veilig zou zijn in Pareira, omdat dit ver weg is van Caqueta. Bovendien is bij het nader gehoor niet doorgevraagd door verweerder over waarop de politieagent heeft gebaseerd dat eiser op een zwarte lijst stond. Verweerder kan dan ook niet tegenwerpen dat eisers verklaringen hierover niet te volgen zijn. Verder werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser naar de discotheek ging tijdens zijn periode van onderduiken, nu eiser heeft verklaard dat hij dacht daar veilig te zijn omdat het een besloten feest was. Bovendien heeft eiser tijdens het feest voorzorgsmaatregelen genomen. Ook kon eiser door corona niet eerder het land verlaten. Eiser heeft geen aangifte gedaan, omdat hij de politie in Colombia niet vertrouwt. De politie heeft banden met de Guerrilla. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar het Algemeen Ambtsbericht Colombia (juni 2024). Tot slot voert eiser aan dat de omstandigheid dat hij het land op legale wijze heeft verlaten, niet afdoet aan zijn vrees.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eiser met de Guerrilla ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt wat de reden is geweest voor zijn ontslag. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat corruptie in Colombia direct verband houdt met zijn ontslag. Wat betreft hetgeen eiser aanvoert over het doorvragen door verweerder over de politieagent, overweegt de rechtbank dat het in eerste instantie aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Nu de zwarte lijst waar de politieagent eiser op zou hebben gewezen de kern raakt van het asielrelaas van eiser, mocht verweerder verwachten dat eiser hierover meer zou verklaren. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat niet is te volgen dat eiser een risico nam om naar een discotheek te gaan terwijl hij in die periode ook was ondergedoken vanwege de waarschuwing dat hij op de zwarte lijst zou staan. Vervolgens heeft verweerder de verklaringen van eiser over het schietincident dat bij de discotheek zou hebben plaatsgevonden onlogisch kunnen vinden. Eiser heeft niet uitgelegd waarom hij na zijn telefoongesprek met [naam] naar buiten is gegaan, terwijl hij op een zwarte lijst stond en dus gevaar zou lopen. Des te meer omdat eiser op de hoogte zou zijn van de banden die [naam] heeft met de maffia. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser het verband tussen het schietincident en de Guerrilla op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Verder heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen goede reden heeft gegeven waarom hij vijf maanden heeft gewacht om Colombia te verlaten. Eiser heeft hierover tijdens het nader gehoor verklaard dat hij zich in die periode heeft ingelezen over business en crypto en daarnaast heeft geïnvesteerd, terwijl eiser het geld dat hij hiermee heeft verdiend niet nodig had om Colombia te verlaten. Eisers verklaringen stroken niet met een geloofwaardige, acute vrees. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond?

7. Eiser voert aan dat in het voornemen niet is gemotiveerd waarom de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit heeft eiser in zijn belangen geschaad. Ten aanzien van de motivering in het bestreden besluit stelt eiser dat hij een verschoonbare reden heeft waarom hij in Nederland niet direct asiel heeft gevraagd, namelijk omdat hij niet eerder op de hoogte was van deze mogelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit is gemotiveerd waarom verweerder de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft in beroep de gelegenheid gehad om op deze motivering te reageren. Daar komt bij dat het niet spoedig indienen van zijn asielaanvraag ook in het voornemen wordt tegengeworpen, al dan niet onder de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d Vw. Eiser heeft hierop in de zienswijze een reactie gegeven. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet zo spoedig mogelijk na binnenkomst in Nederland asiel heeft aangevraagd, maar hier bijna twee jaar mee heeft gewacht. Eiser heeft hiervoor geen verschoonbare reden gegeven. De rechtbank volgt verweerder dat van iemand die stelt ernstige vrees voor vervolging of schade te hebben, mag worden verwacht dat hij onverwijld bescherming zoekt.

Heeft verweerder het terugkeerbesluit kunnen opleggen?

8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte motiveert dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken, nu eiser op een vast adres verblijft.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij er niet langer vanuit gaat dat er een risico bestaat op onderduiken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat hij het terugkeerbesluit alsnog heeft kunnen opleggen, omdat verweerder het bestreden besluit terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Niet tijdig nemen van het besluit

9. Eiser heeft op 25 augustus 2023 asiel aangevraagd. Op 21 juli 2025 heeft eiser een ingebrekestelling verstuurd, omdat de beslistermijn ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling was verstreken. In deze ingebrekestelling heeft eiser verweerder verzocht om binnen twee weken een beschikking te geven. Verweerder heeft niet aan dit verzoek voldaan. Eiser heeft daarom op 7 augustus 2025 een beroep niet tijdig ingediend. Voor de rechtbank op dit beroep heeft besloten, heeft verweerder het bestreden besluit op 17 oktober 2025 uitgebracht. Eiser verzoekt de rechtbank om alsnog een dwangsom toe te kennen, omdat verweerder het bestreden besluit te laat heeft genomen. Daarnaast verzoekt eiser om toekenning van de proceskosten voor het beroep niet tijdig.

De rechtbank is van oordeel dat nu verweerder inmiddels wel op de asielaanvraag van eiser heeft beslist, het belang van eiser bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag is komen te vervallen. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen, is om deze reden niet-ontvankelijk.

Nu verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren, heeft hij geen dwangsom hoeven betalen aan eiser.

Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en verweerder pas na deze overschrijding een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet tijdig beslissen. Hier heeft verweerder zich ook niet tegen verzet.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Voor zover het beroep zich richt tegen het niet tijdig beslissen, is het niet-ontvankelijk. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover dat gericht is tegen het bestreden besluit;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig nemen van het besluit;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.M. Nieuwenhuijs

Griffier

  • mr. J.W. Robijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?