RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2684
(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 7 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft eiser verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder NL26.2685 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de waarnemer van de gemachtigde van eiser, mr. A. Hol, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij Syrië heeft verlaten, omdat de PKK hem gedwongen wilde rekruteren. Daarbij is, na eisers vertrek, zijn huis ingenomen door een Arabische man die tot het VSL behoort. Hij heeft eiser toen met de dood bedreigd, mocht eiser het proberen terug te krijgen. Verder vreest eiser voor de huidige algemene situatie in Syrië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, evenals de problemen omtrent de huisinname. De gestelde rekrutering door de Koerden is ongeloofwaardig.
Loopt eiser een risico op gedwongen rekrutering?
5. Eiser stelt dat hij een gegronde vrees heeft voor rekrutering, hoewel hij formeel buiten de leeftijdscategorie voor rekrutering zou vallen, Vrouwen en kinderen worden ook gerekruteerd, hoewel er voor hen geen dienstplicht is. Ook vrijstellingen worden niet altijd nagekomen. Eiser heeft in de zienswijze reeds aangegeven dat, afhankelijk van de veiligheidssituatie en de behoefte aan mankracht, er jaarlijks een of meerdere rekruteringsrondes voor de militaire dienst plaatsvonden. Eiser wijst erop dat de precaire situatie in Syrië is geëscaleerd. Er zijn gevechten uitgebroken tussen de Syrische regeringstroepen, daaraan gelieerde milities en Koerdische strijders. De Koerdische strijdkracht verloren ongeveer twee derde van het gebied waar ze meer dan tien jaar lang de macht hadden. Een akkoord is nog niet bereikt. Gelet op deze ontwikkelingen zal de Koerdische strijdkracht meer mankracht nodig hebben.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte concludeert dat eiser geen gegronde vrees voor gedwongen rekrutering heeft. De minister heeft met objectieve bronnen onderbouwd dat de dienstplicht is opgeheven en dat rekrutering op vrijwillige basis plaatsvindt. Ook de informatie van de EUAA bevestigt dat de dienstplicht is beëindigd door de overgangsregering. De minister heeft daarnaast kunnen overwegen dat vooral jongvolwassenen werden gerekruteerd. Eiser is inmiddels 49 jaar en valt dus niet meer binnen deze categorie. Bovendien is bekend dat voor mensen die in het regeringsleger hebben gediend, een vrijstelling kon worden aangevraagd. Dit geldt ook voor eiser. Eiser heeft verder niet onderbouwd, met bronnen of anderszins, dat Koerdische strijdkrachten meer mankracht nodig hebben, dat gedwongen rekrutering als gevolg daarvan is toegenomen of dat eiser hierdoor een verhoogd risico op rekrutering loopt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit aan te nemen.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees heeft gelet op de algehele veiligheidssituatie?
6. Eiser heeft ter zitting verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de algemene veiligheid in verband met artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Onduidelijk blijft volgens eiser in hoeverre de val van Assad zwaarwegend genoeg is om de laagste gradatie van willekeurig geweld aan te kunnen nemen. Eiser merkt daarbij ook op dat, met het uitbreken van gevechten tussen de Syrische regeringstroepen, daaraan gelieerde milities en Koerdische strijders, er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser stelt dat de recente gewelduitbarstingen niet zijn meegewogen in het land gebonden beleid dat is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht 2025.
Eiser stelt verder dat, ook als al kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zijn individuele omstandigheden maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van geweld. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat ook humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken als die verband houden met willekeurig geweld. Hierbij dienen niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict te worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Eiser meent dat de minister niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats reeds heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Net als in die zaak volstaat eiser met een generieke verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond en de rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de meervoudige kamer te komen.
Verder noemt eiser slechts dat sprake is het uitbreken van gevechten tussen de Syrische regeringstroepen, daaraan gelieerde milities en Koerdische strijders en dat daarom sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. In het ambtsbericht van 2025 is erkend dat sprake is van incidentele geweldsuitbarstingen en gevechten. In die zin is de door eiser genoemde geweldsuitbarsting verdisconteerd in het beleid van minister. Uit het Ambtsbericht van 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd en bovendien – daargelaten dat eiser niet naar de regio van het conflict hoeft terug te keren - is op 30 januari 2026 een akkoord gesloten dat onder andere een staakt het vuren omvat.
Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden oordeelt de rechtbank dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 en uit het AAB Syrië van januari 2026 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in hun algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling, spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien zijn beleid te wijzigen.
Voorts ziet – en in zoverre eiser hier een beroep op doet - de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een situatie als uiteengezet in de arresten van het EHRM van 28 juni 2011. Eiser volstaat met een generieke verwijzing naar humanitaire omstandigheden en de rechtbank volstaat daarom met de overweging dat, hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Syrië in het algemeen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden bestaan waarmee de lat van deze arresten wordt gehaald.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister terecht stelt dat eiser er niet in is geslaagd om met persoonlijke omstandigheden te onderbouwen dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden genoemd en de rechtbank is hier ook overigens niet van gebleken.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.