RECHTBANK DEN HAAG
[eiser/verzoeker] eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.59191 (beroep) en NL25.59192 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),
en
(gemachtigde: mr. C. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De wijze van beoordelen van die aanvraag is door toepassing van de Werkinstructie 2024/6 niet onrechtmatig. Verweerder heeft eisers identiteit en zijn problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig kunnen vinden. Verweerder heeft bij die beoordeling kunnen betrekken dat eiser geen documenten van eerdere Europese procedures heeft overgelegd en kunnen concluderen dat eiser in grote lijnen als niet geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond en daarom ook een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser kunnen uitvaardigen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser zou aanvankelijk worden overgedragen aan Frankrijk in het kader van de Dublinprocedure. Eiser is niet tijdig overgedragen, waardoor zijn asielaanvraag op 14 maart 2024 in de nationale procedure is opgenomen. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [datum] 1992. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Reerhamar, een stam die volgens hem als minderwaardig wordt gezien. Eiser is in februari 2011 stiekem getrouwd met [naam] . Zij is onderdeel van de stam Abgaal, een grote stam die de leiding heeft in Somalië. Haar vader is lid van Al-Shabaab. De vader van [naam] was van plan haar uit te huwelijken. [naam] heeft dit aan eiser verteld. Eiser is hiervan geschrokken; hij zou groot gevaar lopen als de vader van [naam] erachter zou komen dat eiser en [naam] in het geheim al getrouwd waren. Met hulp van zijn moeder en een eerdere buurman die op de luchthaven in Mogadishu werkte, heeft eiser drie weken later Somalië verlaten. Eiser vreest dat hij vermoord zal worden door de familie van [naam] , omdat zij nadat eiser Somalië heeft verlaten aan haar vader heeft verteld dat ze al is getrouwd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Verweerder gelooft van het eerste asielmotief de nationaliteit en herkomst. Verweerder gelooft de identiteit, met uitzondering van zijn geboortedatum, niet omdat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen, hij geen documenten van eerdere Europese (asiel)procedures heeft overgelegd en eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt beschouwd. Verweerder gelooft het tweede asielmotief ook niet. Eiser heeft zijn verklaringen niet met documenten onderbouwd en hij kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Daarnaast heeft eiser niet samenhangend en aannemelijk verklaard. Verweerder werpt eiser tegen dat hij summier en niet volgbaar heeft verklaard over zijn relatie met [naam] . Dit is de kern van het asielrelaas van eiser waardoor verweerder stelt dat hij mag verwachten dat eiser hier meer over verklaart, ondanks dat dit in zijn cultuur niet gebruikelijk is. Ook heeft eiser wisselend verklaard over de vrees voor de vader van zijn vrouw en zijn eisers verklaringen over zijn uitreis niet volgbaar. Er is geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico op ernstige schade. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning. Daarbij heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die is neergelegd in Werkinstructie 2024/6 in strijd met het Unierecht?
5. Eiser voert aan dat Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) (WI 2024/6) in strijd is met het Unierecht. Het Unierecht vereist geen volledige onderbouwing van het asielrelaas met originele documenten en gelet op artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn kan geen objectief bewijsmateriaal worden verwacht. Verweerder werpt eiser dan ook ten onrechte tegen dat hij zijn verklaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Verweerder dient een integrale beoordeling van alle bewijsmiddelen uit te voeren. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten.
6. De rechtbank is van oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van WI 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn asielrelaas niet heeft onderbouwd met documenten, nu eiser geen documenten heeft overgelegd. Vervolgens gaat verweerder, zoals beschreven in WI 2024/6, over op het beoordelen van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over zijn identiteit, de problemen met Al-Shabaab en de familie van [naam] . Hiermee is eiser in de gelegenheid gesteld zijn asielmotieven op andere wijze, hoofdzakelijk door middel van zijn eigen verklaringen, aannemelijk te maken. De rechtbank kan eiser zonder meer niet volgen, nu hij ook niet heeft geconcretiseerd op welke wijze de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de identiteit van eiser deels ongeloofwaardig kunnen vinden?
7. Eiser voert aan dat het onduidelijk is of verweerder de identiteit van eiser nog ongeloofwaardig vindt. Verweerder vindt inmiddels de geboortedatum van eiser wel geloofwaardig en licht onvoldoende toe of de rest van de identiteit van eiser geloofwaardig wordt bevonden. Daarnaast stelt eiser dat verweerder niet had kunnen tegenwerpen dat hij geen documenten kan overleggen van zijn eerdere procedures in Europa. Asielzoekers bevinden zich in een precaire positie om hun verzoek te kunnen staven met bewijsmiddelen. Verweerder had deze documenten makkelijk kunnen opvragen en dit mag gelet op de samenwerkingsplicht van verweerder worden verwacht. Eiser betoogt verder dat verweerder het eerste asielmotief ten onrechte deels ongeloofwaardig heeft gevonden omdat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Aan eiser kan gelet op de vele procedures in de EU-lidstaten niet worden tegengeworpen dat hij niet precies weet hoe de juridische procedures verlopen en eiser heeft zo veel als mogelijk geprobeerd om inzicht te geven in zijn reisgedrag en de procedures.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de identiteit van eiser deels ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn identiteit en de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag aannemelijk te maken. Jurisprudentie erkent dat hier grenzen aan zijn. Als een vreemdeling een plausibele en verifieerbare reden geeft waarom hij geen originele documenten kan overleggen, moet verweerder daar rekening mee houden. Eiser heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet onderbouwd met documenten. Zijn Somalische nationaliteit en herkomst uit Zuid-Somalië zijn niet in geschil. Ten aanzien van de identiteit van eiser heeft verweerder de geboortedatum van eiser geloofwaardig geacht omdat eiser hiervoor een volgbare verklaring heeft gegeven. Wat betreft de geloofwaardigheidsbeoordeling van het overige van de identiteit van eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser onder meer heeft kunnen tegenwerpen dat hij geen documenten uit eerdere asielprocedures heeft overgelegd. Het is denkbaar dat een vreemdeling in een acute vluchtsituatie geen documenten kan meenemen. Verweerder werpt eiser dan ook niet tegen dat hij geen Somalische documenten heeft overgelegd, maar werpt tegen dat eiser geen documenten heeft van zijn voorgaande asielprocedures in Europa. De verklaringen van eiser dat hij de papieren is kwijtgeraakt omdat hij op straat leefde is op zichzelf geen verschoonbare reden voor het ontbreken van deze documenten. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder op grond van de samenwerkingsplicht de documenten had moeten opvragen. Het is in beginsel aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. De samenwerkingsplicht strekt niet zo ver dat verweerder op eigen initiatief deze documenten moet opvragen. Van een schending van de samenwerkingsplicht is dan ook geen sprake.
9. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder heeft kunnen betrekken dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig wordt beschouwd. Verweerder mocht er in dit kader op wijzen dat eiser zijn asielaanvraag in Italië niet heeft afgewacht, door meerdere Europese landen is gereisd en wisselend asiel heeft aangevraagd en tegenstrijdig heeft verklaard over de zwangerschap van zijn vrouw. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze elementen in onderlinge samenhang mocht betrekken bij de beoordeling van de algemene geloofwaardigheid van eiser. De stelling van eiser dat hij niet wist dat bij het afgeven van vingerafdrukken zijn asielprocedure is gestart, is niet op voorhand onaannemelijk. Van een asielzoeker kan niet worden verwacht dat hij op de hoogte is van de juridische finesses van de verschillende procedures. Echter, van een vreemdeling die stelt internationale bescherming te zoeken mag wel worden verwacht dat hij duidelijkheid verschaft over de door hem gevolgde procedures. Dit is immers relevant voor de beoordeling van de huidige aanvraag. Verweerder heeft dan ook kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eiser, ook nadat hij tijdens de Zweedse procedure op de verantwoordelijkheid van Italië is gewezen, geen enkele poging heeft ondernomen om zijn procedure daar voort te zetten of om opheldering te vragen. Dit draagt bij aan het beeld van een vreemdeling die niet consistent handelt naar zijn gestelde doel, internationale bescherming. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat het reisgedrag van eiser, waarbij hij in sommige landen wel en in andere landen geen asiel heeft aangevraagd vragen oproept. Hoewel er verschillende redenen kunnen zijn voor een dergelijk reispatroon heeft eiser hierover geen plausibele verklaring afgelegd. Dit kan door verweerder worden geïnterpreteerd als strijdig met de intentie om zo snel mogelijk bescherming te zoeken. Daarnaast heeft verweerder gewezen op de tegenstrijdige verklaring van eiser over de zwangerschap van zijn vrouw. Inconsistente verklaringen kunnen afbreuk doen aan de algehele geloofwaardigheid van het relaas. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b en e van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat verweerder uitgaande van de conclusie dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig is, en hij de documenten van eerdere asielprocedures niet heeft overgelegd, heeft kunnen betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn identiteit. Wanneer een vreemdeling op meerdere onderdelen van zijn asielrelaas en handelen onduidelijk, inconsistent en tegenstrijdig is, kan het gerede twijfel oproepen over de juistheid van de door hem verstrekte gegevens met inbegrip van zijn identiteit. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de identiteit van eiser, met uitzondering van zijn geboortedatum, niet geloofwaardig wordt geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig kunnen vinden?
10. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder houdt onvoldoende rekening met de cultuur van eiser waarin het niet gebruikelijk is om over gevoelens en relaties te praten. Verweerder heeft daarom niet kunnen tegenwerpen dat eiser summier en niet volgbaar heeft verklaard over zijn relatie met [naam] . Ook werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser dusdanig tegenstrijdig heeft verklaard over de situatie met zijn vrouw dat hij in grote lijnen ongeloofwaardig wordt beschouwd. Daarnaast voert eiser aan dat zijn verklaring dat hij denkt dat de vader van [naam] lid was van Al-Shabaab onvoldoende is om te stellen dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard hierover. Bovendien heeft verweerder hier ook onvoldoende over doorgevraagd. De vader van [naam] is iemand met connecties met Al-Shabaab en ging ook vaak naar een moskee van Al-Shabaab. Eiser heeft hierover verklaard op basis van zijn eigen waarnemingen. De vader van [naam] behoort daarnaast tot de Abgaal stam, welke een overheersende invloed heeft op de politiek en veiligheid in Mogadishu. Nu eiser is getrouwd met zijn dochter, zal eiser problemen hebben met zowel Al-Shabaab als de Abgaal stam. Ook vindt verweerder de uitreis van eiser ten onrechte ongeloofwaardig. Eiser verklaart dat hij hulp heeft gekregen van zijn moeder en zijn eerdere buurman die op de luchthaven werkt, die hem kon helpen omdat het ging om een binnenlandse vlucht waarbij de controles minder strikt zijn dan bij een internationale vlucht.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers referentiekader kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming en uiteen heeft gezet waarom er, gelet op het referentiekader van eiser, desondanks meer van hem mag worden verwacht. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eisers cultuur geen verschoonbare reden is waarom eiser niet meer inzicht zou kunnen geven over zijn relatie met [naam] , aangezien dit de kern raakt van zijn asielrelaas. De rechtbank leest in het gehoor dat de hoormedewerker hierover gericht heeft doorgevraagd en heeft aangegeven dat het belangrijk is dat eiser hierover uitgebreid verklaart. Desondanks heeft eiser geen inzicht gegeven in hoe de relatie en het huwelijk tot stand zijn gekomen en hoe dit zich verder heeft afgespeeld in Somalië. Zo geeft eiser bijvoorbeeld geen inzicht in wat hij leuk vond aan [naam] . Eiser heeft verder niet concreet gemaakt hoe verweerder rekening houdend met zijn cultuur minder heeft kunnen verklaren. Verweerder heeft dan ook kunnen tegenwerpen dat eiser summier heeft verklaard.
Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over de vrees voor de vader van [naam] wisselend zijn. Eiser geeft wisselende verklaringen over dat hij weet of denkt dat de vader van [naam] bij Al-Shabaab hoort. Daarna geeft eiser gedetailleerde verklaringen over de rol van de vader van [naam] bij Al-Shabaab, terwijl eiser eerst verklaarde dat hij enkel dacht dat de vader van [naam] bij Al-Shabaab hoort. Ook indien gevolgd kan worden dat eiser de rol van de vader van [naam] bij Al-Shabaab kende, heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat dit het starten van een relatie met [naam] verder ongeloofwaardig maakt vanwege het grote gevaar hiervan. Ook volgt de rechtbank de tegenwerping van verweerder betreffende de uitreis van eiser. Eiser heeft niet geduid hoe hij, al dan niet met hulp van een eerdere buurman die op de luchthaven werkte, zonder enige identificerende documenten heeft kunnen uitreizen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder b en e, van de Vw. De rechtbank verwijst naar haar eerdere overwegingen onder 7 t/m 9. Verweerder heeft zich dan ook op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, onder b, c en e, van de Vw genoemde voorwaarden.Verweerder heeft de problemen met Al-Shabaab vanwege [naam] ongeloofwaardig kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade?
12. Eiser voert aan dat uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 (AAB 2025) en andere openbare bronnen volgt dat sprake is van willekeurig geweld tegen burgers door Al-Shabaab. Eiser behoort tot een minderheidsclan, waardoor hij individueel verhoogt kwetsbaar is wegens het ontbreken van clanbescherming. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar een stuk van de UNHCR van september 2022, waarin staat dat personen die tot één van de minderheidsgroepen in Somalië behoren, internationale bescherming als vluchteling nodig kunnen hebben. Uit een rapport van de EUAA van mei 2025 volgt dat minderheidsgroepen worden uitgesloten van de politieke en economische sfeer en dat er berichten zijn van onteigening, schuldarbeid en moord door andere Somaliërs. Ook verwijst eiser naar een Country Guidance van het EUAA van augustus 2023 waarin staat dat sommige daden die tegen etnische minderheden worden gepleegd, zo ernstig van aard zijn dat ze resulteren in en daad van vervolging. Bovendien heeft eiser geen netwerk in Somalië. Eiser verwijst tot slot naar het arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof)
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Uit paragraaf C7/30.4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat er voor iedere terugkeerder naar Somalië een reëel risico op ernstige schade bestaat indien Al-Shabaab het gebied van herkomst controleert of de terugkeerder door gebied moet reizen waar Al-Shabaab de macht heeft. Dat is in de situatie van eiser – gelet op zijn herkomst uit Mogadishu – niet het geval. Uit het AAB 2025 blijkt dat Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser met zijn overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Mogadishu sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict dermate hoog is dat een ieder, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank ziet in de door eiseres aangehaalde informatie geen aanleiding om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van verweerder is vastgelegd. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade en daardoor niet kan terugkeren. Daarbij is van belang dat de door eiser aangevoerde problemen, zoals hiervoor is overwogen, en clanafkomst niet geloofwaardig zijn geacht. Dit kan dus geen rol spelen bij de onderbouwing van het risico op ernstige schade. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij op grond van individuele omstandigheden een reëel risico loopt op ernstige schade. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond en eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod kunnen opleggen?
14. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgedaan als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarom ook ten onrechte eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.
15. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft verweerder eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kunnen beschouwen omdat hij onvoldoende inzichtelijk en wisselend heeft verklaard. Daarom heeft verweerder onder verwijzing naar artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.
16. Omdat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond, heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw een terugkeerbesluit kunnen uitvaardigen en daarbij mocht bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Verweerder heeft daarom ook op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een inreisverbod tegen eiser kunnen uitvaardigen.
17. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
18. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
19. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.