Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-029460-21 en 09-046723-22 (ttz.gev.)
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 april 2021, 9 juli 2021, 25 mei 2023 en 17 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Raterman en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. I.A. van Straalen naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van tenlastelegging van beide dagvaardingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdachte wordt – kort gezegd – ervan verdacht dat zij:
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09-029460-21 (hierna: dagvaarding I):
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09-029460-21 (hierna: dagvaarding II):
1. medeplegen van oplichting van het Schadefonds Geweldsmisdrijven in de periode van 9 december 2020 tot en met 2 februari 2021 te ’s-Gravenhage.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I en dagvaarding II tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I en dagvaarding II tenlastegelegde bepleit.
Vrijspraak medeplegen gewapende overval en oplichting
Ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2 (medeplegen gewapende overval)
Feiten
Op 9 december 2020 heeft tussen 22.00 uur en 22.15 uur een overval plaatsgevonden op filiaal Het Kleine Loo van de Albert Heijn. Om 21:45 uur, kort voor sluitingstijd, is een gemaskerd persoon de Albert Heijn binnengelopen. Hij heeft zich verstopt in de koelcel, die zich bevond in een gedeelte van de winkel dat uitsluitend is bestemd voor personeel. Deze koelcel is direct gelegen tegenover de deur van de kluiskamer.
Twee Albert Heijn-medewerkers, namelijk de verdachte en haar collega [naam 1] , gingen vlak daarna vanuit de winkelruimte de kluisruimte binnen en begonnen daar met de zogeheten kluisprocedure. Ongeveer 15 seconden nadat de verdachte en [naam 1] in de kluiskamer kwamen, is de overvaller uit de koelcel gekomen, om vervolgens gehurkt voor de deur van de kluisruimte te gaan zitten en op de deur van de kluisruimte te kloppen. De verdachte liep naar de deur, keek door het kijkgaatje en deed de deur open. Direct liep de overvaller met een getrokken mes de kluiskamer binnen, en liet de verdachte en [naam 1] de kluis openen. [naam 1] moest in de hoek met haar gezicht naar de muur gaan staan en haar telefoon afgeven. De verdachte moest ook haar telefoon afgeven en moest twee tassen vullen met een deel van de inhoud van de kluis. Het betrof geld (€ 5.600,- aan papiergeld en € 6.600,- aan muntgeld) en (koop)zegels, ter waarde van ongeveer € 9.500,-. De verdachte en later ook [naam 1] hielpen met het tillen van de tassen - die voor de overvaller te zwaar bleken te zijn - naar de uitgang. Daarna is de overvaller met de buit (waarvan enkele zegelrollen op de parkeerplaats zijn teruggevonden) vertrokken.
Rol van de verdachte
In deze zaak zijn meerdere verdachten aangehouden: [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), die ervan verdacht is de overvaller te zijn geweest, de verdachte ( [de verdachte] ), die toentertijd zijn vriendin was, en een aantal personen die zegels, kennelijk afkomstig van de overval, hebben verzilverd of hebben geprobeerd dat te doen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte aangemerkt kan worden als medepleger van de overval op het filiaal Het Kleine Loo van Albert Heijn en van de afpersing van de telefoon van [naam 1] , in Den Haag op 9 december 2020.
Het scenario dat moet worden onderzocht is of de verdachte als insider de overvaller heeft geholpen bij de voorbereiding en de uitvoering van die overval. Die overvaller is mogelijk haar vriend [medeverdachte] geweest. Een ander scenario is dat waarin [medeverdachte] niet de overvaller is geweest, maar als medepleger met de overvaller heeft samengewerkt.
In beide scenario’s zou de verdachte in de voorbereiding van de overval inlichtingen hebben verschaft - aan of via [medeverdachte] - en bij de uitvoering van de overval hebben geholpen.
De betrokkenheid van de verdachte bij de overval zou volgens de politie blijken uit het volgende:
Uit de telefoon van de verdachte blijkt dat zij daags na de overval op haar telefoon naar informatie over Albert Heijn-koopzegels heeft gezocht. Zij heeft vóór de overval haar werkrooster met [medeverdachte] gedeeld.
Ook was het volgens de politie opvallend dat op de camerabeelden te zien is dat [medeverdachte] bukte toen hij op de deur van de kluisruimte klopte, dat de verdachte vervolgens wel door het kijkgaatje keek, maar dat zij, zonder dat zij iemand voor de deur kon zien staan, meteen de deur heeft geopend. Ook zou de verdachte volgens de beelden ogenschijnlijk rustig met de overvaller hebben overlegd, toen bleek dat de tassen te zwaar waren. Ze keken elkaar daarbij aan, wat er bovendien op kunnen wijzen dat de overvaller niet bang was voor herkenning, omdat zij elkaar al kenden.
Het gedrag van de verdachte nadien bij de uitgang van de supermarkt zou erop wijzen dat zij aan het controleren was of de overvaller inmiddels echt weg was, voordat zij hulp ging halen. Dat past niet bij iemand die zojuist met een mes is bedreigd, aldus de politie.
Ook heeft de verdachte in haar verhoor bij de politie in 2023 gezegd dat zij na de overval van [medeverdachte] had gehoord dat ‘hij het was’.
Vrijspraak [medeverdachte] en gevolgen voor deze zaak
Beide genoemde scenario’s, waarin de verdachte [medeverdachte] (of een medepleger van [medeverdachte] ) zou hebben geholpen bij de overval, zijn op losse schroeven komen te staan door de vrijspraak van [medeverdachte] als (mede)pleger van de overval, eerst door de rechtbank (op 6 augustus 2021), en later door het gerechtshof (op 8 april 2025). De laatste vrijspraak is onherroepelijk en brengt mee dat de rechtbank ook in de zaak van de verdachte van de onschuld van [medeverdachte] heeft uit te gaan (vgl. EHRM 23 oktober 2014, nr. 27785/10, Melo Tadeu v. Portugal, AB 2016/69). In haar oordeel mag de rechtbank dus niet van de mogelijkheid uitgaan dat [medeverdachte] wel (mede)pleger was.
Bewijs tegen de verdachte, uitgaande van onschuld [medeverdachte]
Er zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte de overvaller hielp, als ervan moet worden uitgegaan dat [medeverdachte] niet de overvaller is. De aanwijzingen die wijzen op de betrokkenheid van de verdachte (en die niet wijzen in de richting van [medeverdachte] ) zijn naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om die betrokkenheid buiten redelijke twijfel vast te kunnen stellen.
Het gedrag van de verdachte, zoals zichtbaar op de beelden, is daartoe niet voldoende. Opvallend is dat zij wel door het kijkgaatje van de kluiskamer kijkt, maar vervolgens de deur van de kluisruimte opent, terwijl zij niet had kunnen zien wie zich aan de andere kant van die deur bevond. Dit lijkt onlogisch, maar kan ook voortkomen uit nalatigheid. De rechtbank kan bovendien niet vaststellen of zij zich op dat moment moest houden aan specifieke instructies op dit punt. Het feit dat de verdachte zich (anders dan [naam 1] ) niet met haar gezicht van de verdachte hoefde af te wenden, en dat juist zij werd uitgekozen om de verdachte te helpen, kan wijzen op haar betrokkenheid maar kan ook komen doordat de overvaller toevallig haar, en niet [naam 1] , als eerste aantrof na het openen van de deur.
Het na de overval zoeken naar informatie over koopzegels past in het (hierna te bespreken) witwassen van een deel van de opbrengst, maar is slechts een beperkte bevestiging van het scenario dat zij ook aan de overval heeft meegewerkt.
Conclusie
Met het wegvallen van de betrokkenheid van [medeverdachte] heeft de rechtbank te oordelen of de vraag of een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een onbekend gebleven overvaller bestond. De rechtbank overweegt, alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, dat de overvaller met voorkennis moet hebben gehandeld en dat er ook aanwijzingen zijn dat de verdachte bij de overval is betrokken. Maar hoewel de hiervoor besproken handelingen van de verdachte zonder meer de nodige vraagtekens oproepen en te denken geven, zijn deze onvoldoende om een concreet plan tussen de onbekende overvaller en de verdachte te kunnen vaststellen. Ook andere in het dossier genoemde feiten en omstandigheden bieden onvoldoende steun voor die vaststelling.
Gelet daarop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken voor het bij dagvaarding I onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Ten aanzien van dagvaarding II (oplichting Schadefonds Geweldsmisdrijven )
Aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van de overval op de Albert Heijn, zal de rechtbank de verdachte ook vrijspreken van het bij dagvaarding II tenlastegelegde. Immers, nu strafbare betrokkenheid van de verdachte bij de overval niet kan worden vastgesteld, kan evenmin worden vastgesteld dat zij geen slachtoffer van de overval was en het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft opgelicht door zich niettemin als slachtoffer van de overval voor te doen.
Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding I, feit 3 (witwassen )
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis/420quater, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, [medeverdachte] betrokken was bij de verzilvering van koopzegels, afkomstig van de op 9 december 2020 gepleegde overval op de Albert Heijn en dat hij hierdoor geld heeft verdiend. Hij heeft de verdachte twintig briefjes van € 50,- gegeven, zodat zij een Lous Vuitton-tas kon kopen. Dit geld heeft zij op 16 december 2020 op haar rekening gestort. Van dit geld heeft zij een Louis Vuitton-tas gekocht van € 1.060,-.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het geld dat [medeverdachte] aan de verdachte heeft gegeven geld uit enig misdrijf afkomstig is: het was de opbrengst van de gestolen koopzegels dan wel afkomstig uit enig ander misdrijf, dit laatste gezien de hoogte van het in contanten geschonken bedrag en de omstandigheid dat de inkomsten van [medeverdachte] nog geen € 1.000,- per maand bedroegen. Hiermee is ook het vermoeden gerechtvaardigd dat ook de Louis Vuittontas uit enig misdrijf afkomstig is. Noch [medeverdachte] noch de verdachte heeft een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven dat het geld niet van enig misdrijf afkomstig was.
Met haar (verder niet onderbouwde) verklaring dat het geld waarvan zij de tas heeft gekocht van haar vader afkomstig was, heeft de verdachte kennelijk willen verhullen wat de werkelijke herkomst van het geld was. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte wist van de criminele herkomst van het geld.
De rechtbank zal de verdachte bij gebrek aan bewijs partieel vrijspreken van (schuld)witwassen van een horloge (merk Michael Kors). Het gaat volgens het dossier om een horloge met een prijs van € 279,- tot € 249,-, afgeprijsd naar bedragen van € 169,- tot € 135,-. Van verder onderzoek naar het horloge, de financiering en herkomst daarvan blijkt niet uit het dossier. De rechtbank zal de verdachte ook partieel vrijspreken van het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging’, omdat het dossier daarvoor geen bewijs bevat.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij in de periode van 9 december 2020 tot en met 2 februari 2021 te ’s-Gravenhage, één voorwerp te weten:- een tas (merk Louis Vuitton ter waarde van € 1.060,-) - dit voorwerp heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat dit voorwerp, geheel onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, gelet op de gerekwireerde integrale vrijspraak, niet uitgelaten over de vraag welke straf aan de verdachte opgelegd zou moeten worden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Door opbrengsten uit een misdrijf aan het zicht van politie en justitie te onttrekken, heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van criminaliteit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het blanco strafblad van de verdachte van 3 maart 2026. Het strafblad van de verdachte is niet van invloed op de op te leggen straf.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de PJ-rapportage d.d. 26 mei 2021, opgesteld door psycholoog drs. [naam 2] , en meerdere reclasseringsadviezen, te weten die van 30 juni 2021, 10 maart 2023 en van 17 februari 2026. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op een Voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever, van 19 mei 2023, van de reclassering.
De verdachte was tijdens het plegen van het feit 19 jaar oud, zodat in beginsel het commune strafrecht van toepassing is. De rechtbank heeft echter bij jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dat kan de rechtbank doen wanneer de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daarvoor aanleiding geven. De deskundige heeft geconcludeerd dat er voldoende indicaties zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen; volgens de rapportage is een pedagogische rapportage bij de verdachte mogelijk en is zij op het gebied van haar sociaal-emotionele ontwikkeling, vergeleken met leeftijdgenoten, achtergebleven. Overeenkomstig deze rapportage en op basis van het ASR-weeginstrument heeft de reclassering in haar rapport van 30 juni 2023 toepassing van jeugdstrafrecht geadviseerd. De rechtbank zal, gelet op de hiervoor weergegeven adviezen, jeugdstrafrecht toepassen.
De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet worden berecht is overschreden. Dit heeft deels te maken met het toegewezen verzoek van de verdediging in 2023 om de uitkomst van de strafzaak van [medeverdachte] in hoger beroep af te wachten. De rechtbank weegt deze termijnoverschrijding in strafmatigende zin mee.
De rechtbank acht, alles afwegende, een geldboete van € 2.000,- passend en geboden. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte deze in vier termijnen van elk € 500,- mag betalen.
7. De vordering van de benadeelde partij
De vordering
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.311,00. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij, aangezien zij tot vrijspraak van het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft gerekwireerd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering benadeelde partij af te wijzen, omdat integrale vrijspraak is bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien
de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
Er is strafrechtelijk beslag gelegd op:
saldo ABN AMRO: € 1.119,32;
€ 220,-;
tas Louis Vuitton;
horloge Michael Kors.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 1 tot en met 4 op de lijst van inbeslaggenomen genoemde goederen met een strafrechtelijke beslagtitel (hierna: de beslaglijst) aan de verdachte moeten worden teruggegeven, aangezien is gerekwireerd tot integrale vrijspraak.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de op de beslaglijst 1 tot en met 4 genoemde aan de verdachte moeten worden teruggegeven.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het onder 3 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde feit is begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de voorwerpen genoemd onder 1,2 en 4, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.
Op deze voorwerpen rust ook conservatoir beslag, ander beslag dan dat als bedoeld in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. Over dat beslag zal de rechtbank geen beslissing nemen.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen:
- 24a, 33, 33a, 77c, 77g, 77l en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I feit 3:
witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een geldboete van € 2.000,- (TWEEDUIZEND EURO);
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door jeugddetentie voor de tijd van 20 dagen;
beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de geldboete geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op € 50,- per dag;
bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in vier opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 500,- elk;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de benadeelde partij Schadefonds Geweldsmisdrijven niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp, te weten: een tas (Omschrijving: goednummer: 641807, bruin, merk: Louis Vuitton);
gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1, 2 en 4 genoemde voorwerpen, te weten:
-een vordering ad € 1.119,32 (omschrijving ABN AMRO);
-€ 220,- (Omschrijving: goednummer: PL1500-DH2R020103_641756);
-een horloge (Omschrijving: goednummer: 641770, merk Michael Kors).
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. J.M.J. Keltjens, rechter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
in tegenwoordigheid van R.O. Hollander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
ten aanzien van dagvaarding I:
1
zij op of omstreeks 9 december 2020 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag (ten bedrage van 12.260,- euro) en/of 95.000 (koop)zegels (à 0,10 cent per stuk), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan Albert Heijn BV (filiaal Kleine Loo), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of, om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- aan die [naam 1] dreigend een mes te tonen en/of met een mes te zwaaien en/of te wijzen in de richting/in de nabijheid van die [naam 1] en/of
- die [naam 1] onder bedreiging met een mes te vragen/dwingen om de code van de kluis in te voeren en/of
- tegen die [naam 1] te zeggen dat zij naar de grond moest kijken en/of op de grond moest gaan zitten en/of
- tegen die [naam 1] te zeggen dat ze in de hoek moest staan met de handen op haar rug en niet mocht kijken en/of
- tegen die [naam 1] te zeggen dat zij in haar rug zou worden gesneden als ze iets zou proberen en/of
- die [naam 1] (onder bedreiging met een mes) te vragen/dwingen de kluis te openen en/of (vervolgens) de inhoud van die kluis in tassen te doen en/of te helpen die (met gestolen waar gevulde) tassen richting de uitgang van de winkel te dragen;
2
zij op of omstreeks 9 december 2020 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan die [naam 1] , welk geweld en/of welke bedreiging
met geweld bestond(en) uit het:
- dreigend tonen van een mes en/of het zwaaien en/of wijzen met een mes in de richting/in de nabijheid van die [naam 1] en/of
- tegen die [naam 1] zeggen dat zij naar de grond moest kijken en/of op de grond moest gaan zitten en/of
- tegen die [naam 1] zeggen dat ze in de hoek moest staan met de handen op haar rug en niet mocht kijken en/of
- tegen die [naam 1] zeggen dat zij in haar rug zou worden gesneden als ze iets zou proberen en/of
- tegen die [naam 1] zeggen dat ze haar telefoon af moest geven.
3
zij in de periode van 9 december 2020 tot en met 2 februari 2021 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen van één of meerdere voorwerpen te weten:
- een tas (merk Louis de Vuitton ter waarde van € 1100,-) en/of
- een horloge (merk Michael Kors)
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of
- dit voorwerp c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
ten aanzien dagvaarding II:
zij in de periode van 9 december 2020 tot en met 2 februari 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,- in elke geval een geldbedrag, door zich voor te doen als slachtoffer van een diefstal met geweld en/of afpersing op 9 december 2020 bij de Albert Heijn het Kleine Loo in 's-Gravenhage, terwijl zij in werkelijkheid mededader is bij dit strafbare feit.