RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13248
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 21 augustus 2019 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Eiser heeft aanvullende (medische) stukken overgelegd.
Op 1 oktober 2025 heeft verweerder kenbaar gemaakt dat het Bureau Medische Advisering (BMA) een nieuw medisch advies zal uitbrengen.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen G. Neng.
Na de inhoudelijke bespreking ter zitting heeft de rechtbank het beroep aangehouden in afwachting van het (nieuwe) BMA-advies.
Verweerder heeft op 27 oktober 2025 het nieuwe BMA advies (van 24 oktober 2025) ingediend. Eiser heeft hier vervolgens op 4 december 2025 op gereageerd. Verweerder heeft ten slotte op 7 januari 2026 een nadere reactie ingediend.
De rechtbank heeft op 18 januari 2026 aan partijen gevraagd om, indien zij een nadere zitting wensen, dit binnen twee weken kenbaar te maken.
Nadat partijen niet binnen de gegeven termijn te kennen hebben gegeven een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek op 3 februari 2026 gesloten.
Totstandkoming van het besluit
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat en voor zover van belang – het volgende ten grondslag. Eiser was vanaf 2009 tot aan zijn vertrek uit Nigeria in december 2012 lid van het Eiye genootschap in Nigeria. Zijn baas en tevens lid van het Eiye genootschap, [persoon A] , gaf eiser verschillende opdrachten. Dit betrof in eerste instantie een overval en daarna heeft eiser als vrachtwagenchauffeur gewerkt voor het genootschap. Eiser heeft toen gedurende één jaar twee keer per maand, onder meer babylijkjes, menselijke lichaamsdelen en organen, wapens en munitie en brandstof vervoerd voor het Eiye genootschap. Eiser vreest bij terugkeer naar Nigeria voor zowel het Eiye genootschap als zodanig als voor zijn voormalige baas. Het is immers niet toegestaan het genootschap te verlaten en hij heeft een lading motorolie niet afgeleverd. Eiser vreest verder voor de politie omdat hij verdachte zou zijn in een moordzaak. Eiser stelt ook homoseksueel te zijn, waardoor hij om die reden ook te vrezen heeft voor vervolging in Nigeria.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens hem gebleken is dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich in Nigeria in de periode van 2009 tot december 2012 schuldig heeft gemaakt aan gedragingen zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (artikel 1(F)). Eiser wordt in verband gebracht met ernstige niet-politieke misdrijven. Verweerder gaat uit van eisers verklaringen dat hij gedurende één jaar, twee keer per maand, onder meer babylijkjes, menselijke lichaamsdelen en organen, wapens en munitie en brandstof heeft vervoerd voor het Eiye genootschap. Verweerder stelt dat hierbij sprake is van zowel ‘knowing’ als ‘personal participation’ en dat geen sprake is van dwang op grond waarvan eiser zou moeten worden gevrijwaard van zijn verantwoordelijkheid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Nigeria een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit het advies van het BMA van 25 november 2024 blijkt dat de door eiser benodigde medische zorg beschikbaar is in Nigeria. Tot slot heeft de staatssecretaris een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd aan eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Zorgvuldigheid van de besluitvorming
4. Eiser voert aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. In het voornemen van 13 juli 2023 heeft verweerder het gehele asielrelaas nog ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft vervolgens zonder deugdelijke motivering een volledige draai gemaakt en het asielrelaas geloofwaardig geacht en aan eiser artikel 1(F) tegengeworpen. Van verweerder mag vanaf het begin een consistente besluitvorming verwacht worden en daar is in dit geval geen sprake van. Verder heeft verweerder ten onrechte het besluit genomen zonder dat eisers toenmalige gemachtigde de kans had gekregen om het voornemen met haar cliënt te bespreken. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit geen acht geslagen op de crisisopname van eiser op 24 januari 2025 in CTP Veldzicht. Verweerder had, alvorens een besluit te nemen, een nieuw BMA-advies moeten vragen. Verweerder heeft het bestreden besluit te haastig genomen.
De rechtbank stelt vast dat eiser zelf de door verweerder geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser is verder tijdens zijn asielprocedure en in beroep op geen enkele wijze teruggekomen van zijn asielrelaas.
De rechtbank kan de strekking van eisers beroepsgrond dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen omdat verweerder een draai heeft gemaakt en eisers verklaringen alsnog geloofwaardig heeft geacht, niet rijmen met eisers wens internationale bescherming te verkrijgen op basis van zijn (geloofwaardig geachte) asielrelaas. Verder heeft verweerder in zijn verweerschrift voldoende toegelicht waarom de door eiser ingediende zienswijze van 9 augustus 2023, waarin wordt gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser wél geloofwaardig zijn, tot nader onderzoek noopte. Dit heeft geleid tot het (nieuwe) voornemen van 22 januari 2025, waarin verweerder het asielrelaas wel geloofwaardig heeft geacht. Hierbij heeft verweerder uitvoerig gemotiveerd waarom nu wel van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen wordt uitgegaan. Voor zover verweerder dus gehouden was zijn gewijzigde standpunt over de geloofwaardigheid te motiveren, heeft hij dat gedaan.
De rechtbank overweegt over het betoog dat sprake is van zorgvuldigheidsgebreken door het handelen van verweerder gedurende de periode tussen het voornemen en het bestreden besluit, het volgende. Het is feitelijk juist dat eiser kort na bekendmaking van het voornemen van 22 januari 2025 is opgenomen in CPT Veldzicht en dat de toenmalige gemachtigde van eiser dit kenbaar heeft gemaakt aan verweerder. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de crisisopname en de gevolgen daarvan onvoldoende heeft onderkend en besproken in het kader van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3 van het EVRM op medische gronden. De medische situatie van eiser was ten tijde van het bestreden besluit niet meer dezelfde als op het moment van het BMA-advies van 25 november 2024. Verweerder heeft ook niet aan het BMA gevraagd of het advies gelet daarop wijziging behoefde. Aan genoemd oordeel kan niet afdoen dat - zoals verweerder aanvoert in het verweerschrift van 28 augustus 2025 - eiser inmiddels is ontslagen uit CTP Veldzicht en weer reguliere GGZ-zorg ontvangt zoals ten tijde van het BMA-advies van 25 november 2024. Van dat ontslag was immers ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen sprake. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd en moet wat dit betreft worden vernietigd. De rechtbank zal later in deze uitspraak beoordelen wat hiervan de gevolgen zijn.
5. Eiser voert verder aan dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat het is genomen tijdens zijn opname in CTP Veldzicht. De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden hieromtrent geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een gebrek aan zorgvuldig handelen bij verweerder. De rechtbank constateert dat de toenmalige gemachtigde in de zienswijze wel meedeelt dat het niet mogelijk is het voornemen met eiser te bespreken gezien de inhoud daarvan en eisers psychische problematiek en opname in CTP Veldzicht, maar niet verzoekt om uitstel voor het indienen van een zienswijze. Het enerzijds indienen van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de asielaanvraag en het anderzijds (achteraf) van verweerder verlangen dat hij wacht met beslissen op diezelfde aanvraag, valt bovendien niet goed met elkaar te verenigen. Het staat eiser weliswaar vrij om een beroep tegen het niet tijdig beslissen in te dienen, maar dat betekent niet dat vervolgens van verweerder kan worden verwacht dat hij (ambtshalve) wacht met beslissen vanwege de persoonlijke situatie van eiser.
Artikel 1(F) tegenwerping
Beroepsgrond
6. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest is van ‘personal participation’. Hij kan immers niet persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden voor de aan hem tegengeworpen feiten. Verweerder heeft niet onderkend dat eiser niet uit vrije wil, maar (gelet op zijn persoonlijke omstandigheden) uit bittere noodzaak zich bij het Eiye genootschap heeft aangesloten. De activiteiten die hij voor de Eiye heeft verricht hebben ook onder dwang plaatsgevonden. Eiser werkte altijd in opdracht en onder gezag van Eiye en had geen invloed op die opdrachten vanwege de door hem afgelegde eed. Bovendien was eiser maar een laaggeplaatst lid en hadden de activiteiten ook zonder hem plaatsgevonden. Ten slotte heeft verweerder miskend dat eiser zich niet heeft kunnen onttrekken aan het Eiye genootschap. Dat was zeer gevaarlijk geweest en bovendien had eiser niets om op terug te vallen in Nigeria.
Juridisch kader
7. Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
Op grond van artikel 3.17, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt onder een persoon als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mede verstaan een persoon die heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de in dat artikel genoemde misdrijven of daden.
De wijze waarop verweerder onderzoekt of een vreemdeling individueel verantwoordelijk moet worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, is neergelegd in paragraaf C2/7.10.7.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verweerder beoordeelt eerst of sprake is van een dergelijk misdrijf. Daarna beoordeelt verweerder of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van een misdrijf ‘knowing participation’ én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ‘personal participation’, bijvoorbeeld door het plegen of faciliteren van dergelijke misdrijven of het opdracht geven daartoe. Wanneer is vastgesteld dat van het voorgaande sprake is, beoordeelt verweerder tot slot of er sprake is van omstandigheden die de vreemdeling vrijwaren van verantwoordelijkheid. Dit kan het geval zijn wanneer de vreemdeling handelde op bevel, onder dwang of ter zelfverdediging.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling een van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft gepleegd. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. De bewijslast die op verweerder rust gaat echter niet zo ver dat hij moet aantonen dat is uit te sluiten dat de vreemdeling dergelijke misdrijven niet heeft gepleegd.
Wat is niet in geschil?
8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser lid is (geweest) van het Eiye genootschap. De feiten die verweerder aan eiser tegenwerpt worden op zichzelf ook niet betwist door eiser. Het geschil spitst zich ten eerste toe op de vraag of sprake is van ‘personal participation’ en ten tweede op de vraag of eiser gevrijwaard dient te worden van de gevolgen van zijn optreden.
Personal participation
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van ‘personal participation’. Uit de eigen verklaringen van eiser blijkt dat hij als vrachtwagenchauffeur gedurende een langere periode de illegale handel in menselijke lichamen, organen, wapens en brandstof mogelijk heeft gemaakt. Het handelen van eiser heeft dus in wezenlijke mate bijgedragen aan de betreffende misdrijven. De bijdrage van eiser heeft immers effect gehad op het begaan van de misdrijven en deze zouden hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden hebben indien niemand de rol van eiser had vervuld of indien eiser gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden. Dat eiser de misdrijven liever niet had willen plegen, speelt bij de beoordeling van ‘personal participation’ geen rol. De stelling van eiser dat hij slechts een kleine rol speelde in de illegale praktijken van het Eiye genootschap volgt de rechtbank ook niet. Het genootschap was immers voor de illegale handel afhankelijk van een transportnetwerk, waar eiser onderdeel van uitmaakte.
Vrijwaringsgronden
10. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vrijwaringsgrond dwang niet van toepassing is. Er bestond voor eiser een mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf en de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van de door eiser begane misdrijven. Daarmee is voldaan aan paragraaf C2/7.10.7.5.2 van de Vc.
Uit de verklaringen van eiser blijkt dat eiser door heel Nigeria heeft gereisd met zijn vrachtwagen en dat hij tijdens het transport alleen was. Eiser heeft onvoldoende toegelicht waarom van hem niet gevergd kon worden dat hij zich eerder onttrok dan op 6 december 2012. Eiser kan wellicht gevolgd worden in zijn stelling dat het gevaarlijk voor hem was om zomaar het Eiye genootschap te verlaten, maar dit maakt niet dat in het geheel niet van eiser verwacht mag worden dat hij zich desondanks onttrekt. Daarbij komt dat eiser uiteindelijk wel in staat bleek om zich te onttrekken aan de macht van het Eiye genootschap op 6 december 2012. Eiser heeft niet overtuigend toegelicht waarom het toen wel mogelijk voor hem was, maar eerder niet.
Verweerder heeft ook genoegzaam gemotiveerd dat de mate van dwang niet opweegt tegen de door eiser begane misdrijven. Eiser heeft zeer ernstige en schokkende feiten gepleegd waaronder het vervoeren van lijken, lichaamsdelen en organen voor het Eiye genootschap. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij op enig moment op zijn hoofd werd geslagen met een geweer toen hij zou hebben geweigerd een al gedode baby aan te stampen, maar verweerder heeft dit terecht onvoldoende gevonden om eiser te vrijwaren van zijn verantwoordelijkheid voor de hem tegengeworpen misdrijven. Eiser is bovendien pas gestopt met het vervoeren van lichaamsdelen en organen omdat dat hem op een gegeven moment niet langer werd opgedragen.
Tussenconclusie
11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Eiser is daarom uitgesloten van bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag. Daarom komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser komt om die reden ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere in artikel 29 van de Vw genoemde gronden. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Vrees voor het Eiye genootschap
12. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM door het Eiye genootschap. Eiser heeft immers Nigeria (en dus het genootschap) zonder toestemming verlaten. Volgens eiser blijkt uit landeninformatie dat mensen die het genootschap de rug toe keren een groot risico lopen op represailles.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser de gestelde vrees voor het Eiye genootschap niet aannemelijk heeft gemaakt. Hiertoe heeft verweerder allereerst van belang mogen achten dat niet is gebleken dat eiser het genootschap daadwerkelijk heeft verlaten, in die zin dat hij daar (openlijk) afstand van heeft gedaan. Het vertrek van eiser uit Nigeria kan daarmee niet zonder meer gelijk worden gesteld. Uit het nader gehoor volgt verder niet dat eiser zich op enig moment openlijk heeft afgezet tegen het Eiye genootschap. Dat uit landeninformatie volgt dat het lidmaatschap van het genootschap levenslang is, maakt gelet op het voorgaande nog niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij daarom gevaar loopt. Bovendien heeft verweerder terecht gewezen op het tijdsverloop sinds eiser is vertrokken uit Nigeria. Eiser heeft inmiddels ongeveer 13 jaar geleden Nigeria verlaten en heeft al die tijd geen dreigementen ontvangen. Niet valt in te zien waarom het Eiye genootschap specifiek nog naar eiser op zoek zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Medische situatie
Juridisch kader
14. Verweerder zal uitstel van vertrek verlenen als de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen of als een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. Daarvan is, aldus paragraaf A3/7.1.3 van de Vc, sprake als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie én de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is óf deze aantoonbaar niet toegankelijk is voor eiser. Onder een medische noodsituatie verstaat verweerder: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Als verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat dit advies naar de wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Een vreemdeling kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een BMA-advies betwisten.
Wat betreft de houdbaarheidstermijn vermeldt het BMA-protocol de volgende uitgangspunten. Het BMA adviseert in het algemeen geen beslissingen te nemen op een medisch advies ouder dan zes maanden omdat de medische situatie van de vreemdeling gewijzigd zou kunnen zijn. In dat geval adviseert het BMA een nieuw adviesverzoek. Mocht na zes maanden na het uitbrengen van het medisch advies aangetoond zijn dat de medische situatie en/of de medische behandeling van de vreemdeling niet is veranderd, dan adviseert het BMA geen nieuw adviesverzoek en verlengt dat dus de houdbaarheidstermijn. Mocht binnen zes maanden na het uitbrengen van het medisch advies aangetoond zijn dat de medische situatie en/of de medische behandeling van de vreemdeling wezenlijk is veranderd, dan adviseert het BMA een aanvullend adviesverzoek.
Het BMA-advies van 25 november 2024
15. Op 25 november 2024 heeft het BMA advies uitgebracht. Kortgezegd komt het advies erop neer dat bij uitblijven van behandeling een medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan, maar dat de benodigde medische zorg in Nigeria aanwezig is.
Het BMA merkt het volgende op ten aanzien van het risico op een medische noodsituatie:
‘Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik wel een medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat er bij betrokkene sprake is van een voorgeschiedenis met (gedwongen) opname en zelfmoordpogingen. Dit maakt dat er een aanmerkelijke kans is dat er binnen drie tot zes maanden een situatie zou kunnen ontstaan die levensbedreigend is of waarbij een gedwongen opname noodzakelijk zou zijn.’
Over de behandelmogelijkheden in Nigeria staat het volgende vermeld:
‘Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie m.b.t. de therapiemogelijkheden in het land van herkomst/land van eventuele verwijdering, concludeer ik dat de behandeling
aanwezig is.’
‘Met betrekking tot de therapie zoals genoemd onder vraag 2b:
Uit brondocument AVA 18537 blijkt dat poliklinische en klinische behandeling door een psychiater en/of psycholoog, al dan niet gedwongen opname op een gesloten afdeling en crisisinterventie bij een zelfmoordpoging wel aanwezig zijn o.a. in National Hospital Abuja, Central Business District (Phase II), Abuja. Uit brondocument AVA 17780 blijkt dat EMDR-behandeling bij PTSS niet aanwezig is. Er zijn echter wel andere behandelmogelijkheden voor PTSS aanwezig, zoals cognitieve gedragstherapie, o.a. in National Hospital Abuja, Central Business District (Phase II), Abuja.
Met betrekking tot de medicatie zoals genoemd onder vraag 2b:
Uit brondocument AVA 17658 blijkt dat het middel citalopram wel aanwezig is o.a. in Dozie and Dozie’s Pharm Nig Ltd, Wuse, Abuja. Uit brondocument AVA 17363 blijkt dat het middel olanzapine wel aanwezig is o.a. in Skylark Pharmaceuticals Ltd, Wuse II, Abuja’.
Het BMA-advies van 24 oktober 2025
16. Verweerder heeft bij brief van 1 oktober 2025 aangegeven dat de door eiser in beroep overgelegde medische stukken maken dat het BMA-advies niet langer actueel is.
Op 24 oktober 2025 heeft het BMA een nieuw medisch advies opgesteld. Het BMA komt tot dezelfde conclusie als in het BMA-advies van 25 november 2024, dat is betrokken bij het bestreden besluit. Uit het advies van het BMA van 24 oktober 2025 blijkt immers dat de door eiser (nog altijd) benodigde medische zorg beschikbaar is in Nigeria. Bij die beoordeling zijn alle door eiser (en zijn behandelaren) overlegde stukken betrokken. De conclusie luidt als volgt:
‘Over betrokkene werd eerder medisch advies uitgebracht, namelijk op 25-11-2024. Betrokkene is in januari 2025 opnieuw opgenomen geweest na een suïcidepoging. Er wordt heden nog steeds een medische noodsituatie bij uitblijven van behandeling verwacht binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden, dit is onveranderd ten opzichte van eerder. Omdat er sprake is van verminderd ziektebesef is er tevens sprake van een zorgmachtiging en wordt medicatie onder toezicht genomen. Psychiatrische thuiszorg blijkt aanwezig in Nigeria. De aanwezige behandeling wordt voldoende geacht om een medische noodsituatie binnen de genoemde termijn te voorkomen. De conclusie van dit advies komt daarmee overeen met die van het vorig advies.’
Volledigheid BMA-advies
17. Eiser heeft zich in zijn reactie op het BMA-advies van 24 oktober 2025 op het standpunt gesteld dat het BMA-advies onvoldoende ingaat op de geschiktheid van de behandelmogelijkheden in Nigeria. Uit de informatie van de behandelaars blijkt immers dat eiser zeer specifieke (trauma)behandelingen ondergaat in Nederland. Het BMA heeft enkel gesteld dat er verschillende behandelmogelijkheden zijn, zonder te onderzoeken of deze (generieke) behandelmogelijkheden voldoende zijn in het geval van eiser. Het BMA heeft zich bovendien niet uitgelaten over de gevolgen van het vroegtijdig afbreken van de huidige behandeling van eiser.
18. De rechtbank is van oordeel dat het BMA-advies voldoende inzichtelijk en concludent is en dat verweerder in beginsel van de juistheid van dat advies mag uitgaan. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank voorts geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan. Zij overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt ten eerste vast dat het BMA alle door eiser overgelegde medische stukken heeft betrokken bij het opstellen van het medisch advies. Bij het BMA is dus bekend welke medicatie en behandeling eiser krijgt. Gesteld noch gebleken is dat het BMA uit is gegaan van verkeerde of verouderde informatie.
De stelling van eiser dat het BMA niet heeft onderbouwd dat de specifieke behandeling die eiser ondergaat (onder andere Narrative Exposure Therapy) beschikbaar is in Nigeria, kan niet leiden tot de conclusie die eiser daaraan verbindt. Daaraan ligt in de kern ten grondslag dat de beoordeling van het BMA toegespitst is op de vraag of er een medische noodsituatie zal ontstaan op een korte termijn. Die beoordeling is dus bedoeld om verweerder in staat te stellen om te beoordelen of eiser om medische redenen in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zal komen na terugkeer. Dat kan betekenen dat de zorg die eiser in Nederland ontvangt beter of geschikter is voor eiser op de lange termijn, maar zolang de zorg in Nigeria toereikend is om een medische noodsituatie op korte termijn te voorkomen, hoeft verweerder in beginsel geen aanleiding te zien om aan eiser bijvoorbeeld uitstel van vertrek te verlenen. Dat is een andere insteek en een ander doel dan de behandelaars van eiser in Nederland hebben (omdat die zorg gericht is op vermindering van eisers psychische klachten en verbetering van zijn situatie). Het BMA hoeft daarbij dus niet te onderzoeken of elke specifieke vorm van specialistische behandeling die eiser thans ondergaat ook beschikbaar is in Nigeria, zolang de wel onderzochte en beschikbare behandeling voldoende is om een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM te voorkomen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat de door het BMA vastgestelde behandelmogelijkheden ontoereikend zouden zijn om een medische noodsituatie op korte termijn te voorkomen. De e-mail van de behandelaar van eiser van 27 november 2025 weerspreekt niet de inhoudelijke conclusies van het BMA, maar schetst enkel de behandeling die eiser momenteel ontvangt in Nederland. Eiser heeft verder geen contra-expertise overgelegd die de conclusies van het BMA weerspreekt. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.
Feitelijke toegankelijkheid medische zorg in Nigeria
19. Eiser stelt zich op het standpunt dat de noodzakelijke zorg en medicatie voor hem niet feitelijk toegankelijk is in Nigeria. Hij zal in Nigeria niet kunnen terugvallen op enig sociaal netwerk en zal geen baan kunnen krijgen gezien zijn ziekte.
20. De Afdeling heeft bij herhaling geoordeeld dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM omdat de benodigde zorg voor hem niet toegankelijk is. Hieruit volgt ook dat de omstandigheid dat een vreemdeling enkel stelt dat de kosten voor een medische behandeling hoog zijn of dat de plek waar de medische behandeling kan plaatsvinden ver weg is van de beoogde verblijfplaats van de vreemdeling, onvoldoende reden vormt om een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Het is dan ook aan eiser om aan de hand van nadere onderbouwing van zijn stellingen aannemelijk te maken dat de medische zorg in het land van herkomst voor hem niet feitelijk toegankelijk is.
Eiser heeft niet aan deze bewijslast voldaan. Eiser heeft namelijk in het geheel niet onderbouwd wat bij benadering de kosten van de medische zorg en medicatie zouden zijn. Met de enkele stelling dat hij geen baan zal kunnen krijgen en geen sociaal vangnet in Nigeria heeft, heeft eiser ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk geen toegang zal hebben tot de benodigde zorg. Eiser heeft verder ook niets aangevoerd over of het voor hem mogelijk is een verzekering af te sluiten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Reisvoorwaarden
21. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder heeft nagelaten te concretiseren hoe invulling zal worden gegeven aan de door het BMA genoemde reisvoorwaarden. Deze informatie dient wel op voorhand beschikbaar te zijn om te kunnen beoordelen of de begeleiding die verweerder voor ogen heeft afdoende is.
22. Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet is gebleken dat eiser niet kan reizen onder de door het BMA gestelde reisvoorwaarden. Een directe overdracht van eiser aan een zorginstelling die zijn behandeling kan voortzetten is één van de reisvoorwaarden en zal door verweerder worden georganiseerd. Verweerder merkt daarbij terecht op dat eiser niet zal worden uitgezet als deze fysieke overdracht niet geregeld kan worden. De vergewisplicht van verweerder strekt niet zo ver dat reeds ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de fysieke overdracht en voortzetting van de zorg geregeld en gegarandeerd dienen te zijn. De rechtbank merkt hierbij nog op dat wanneer de uitzetting daadwerkelijk is georganiseerd, eiser hiertegen bezwaar kan maken, waarin hij volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt aan de orde kan stellen. Mocht verweerder bepaalde reisvoorwaarden niet kunnen waarborgen, dan beschikt eiser dus over een effectief rechtsmiddel.
Gevolgen
23. Nu verweerder inmiddels een nieuw advies heeft gevraagd aan het BMA, het BMA daarin tot dezelfde conclusie komt als in het advies van 25 november 2024 en de beroepsgronden die eiser tegen dit nieuwe advies heeft aangevoerd niet slagen, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten.
Openbare orde
24. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden en tegen hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft uitgevaardigd en hem voor de duur van tien jaar in het Schengen Informatie Systeem (SIS) heeft gesignaleerd. Hij betoogt dat de misdrijven lang geleden onder dwang zijn gepleegd en dat hij ernstig ziek is. Hij vormt daarom geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde. Ook is een inreisverbod voor de duur van tien jaar disproportioneel.
25. Bij de beoordeling of er een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging is die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, moet verweerder alle feitelijke en juridische gegevens betrekken over de situatie van een vreemdeling in relatie met de door hem gepleegde strafbare feiten, zoals de aard en ernst van die strafbare feiten en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Verweerder moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van een besluit.
In dit geval stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat de bedreiging die van eiser uitgaat voldoende ernstig is, nu hij veel en zeer ernstige misdrijven heeft gepleegd. Dit zijn zeer ernstige misdrijven die, als ze hier gepleegd waren, de rechtsorde ernstig hadden geschokt. De door eiser gestelde omstandigheden doen hier niet aan af. Gelet op wat is overwogen onder 10.1, heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze misdrijven onder dwang heeft gepleegd. Verweerder heeft ook niet ten onrechte gesteld dat het tijdsverloop sinds de gepleegde misdrijven onvoldoende in het voordeel van eiser kan meewegen. Gelet op de zeer ernstige en schokkende aard van de misdrijven, blijft de door de misdrijven veroorzaakte bedreiging voor de openbare orde gedurende lange tijd actueel.
Eiser heeft ook niet nader toegelicht waarom het feit dat hij bekend is met (ernstige) psychiatrische problematiek afdoet aan de conclusie van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft zich weliswaar ter zitting op het standpunt gesteld dat de aanwezige trauma’s betekenen dat eiser de misdrijven niet vrijwillig heeft gepleegd, maar heeft deze stelling niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld medische stukken. Zonder die nadere onderbouwing ziet de rechtbank geen aanleiding om uit de aanwezigheid van trauma’s bij eiser af te leiden dat hij niet het oogmerk had om de misdrijven te plegen. Dat causale verband dient immers te worden vastgesteld door een medisch deskundige. Dit staat nog los van het feit dat het ook zeer goed mogelijk is dat eiser, ondanks dat hij spijt heeft van zijn gedragingen en de misdrijven wellicht liever niet had willen plegen, nog altijd een gevaar voor de openbare orde kan vormen. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtmatigheid terugkeerbesluit
26. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is. In het bestreden besluit staat namelijk niet duidelijk vermeld naar welk land eiser moet terugkeren. Het enkel vermelden van het land van terugkeer in het BMA-advies is onvoldoende.
27. De rechtbank stelt vast dat op pagina 7 van het bestreden besluit duidelijk staat vermeld dat eiser dient terug te keren naar Nigeria. De stelling van eiser dat Nigeria als land van terugkeer alleen is genoemd in het BMA-advies is dus feitelijk onjuist. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
28. De rechtbank zal, gelet op wat is overwogen onder rechtsoverweging 4.3, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin de crisisopname van eiser en de gevolgen daarvan onvoldoende zijn onderkend en besproken. De rechtbank zal, zoals is overwogen onder rechtsoverweging 23, de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten.
28. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke reactie op het nieuwe BMA-advies, met een waarde per punt van € 934,- en met wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzitter, en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. E.C. Harting, leden, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.