Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-029460-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[de veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 mei 2023 en 17 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. I. Raterman op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en haar raadsman mr. I.A. van Straalen op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2. De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 7.380,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3. De grondslag voor ontneming
De veroordeelde is door deze rechtbank bij vonnis van vandaag veroordeeld wegens een strafbare feit, te weten witwassen van een Louis Vuitton-tas, waarvoor volgens artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
De enkele omstandigheid dat een goed voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, brengt niet met zich dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt (vlg. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217).
Uit het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De grondslag voor ontneming van wederrechtelijk voordeel kan daarom niet worden ontleend aan een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, Sr.
Daarmee is niet uitgesloten dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op een andere grondslag dan artikel 36e, eerste lid, Sr wordt gebaseerd. Uit artikel 36e, derde lid, Sr volgt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ook mogelijk is, indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dat kan als de veroordeling een misdrijf betreft dat bedreigd wordt met een geldboete van de vijfde categorie.
In deze zaak heeft op 9 december 2020 een overval plaatsgehad op de Albert Heijn, locatie Het Kleine Loo in Den Haag. Hierbij zijn, naast een geldbedrag, 95.000 koopzegels met een waarde van ongeveer € 9.500,- weggenomen. Uit het dossier blijken voldoende aanwijzingen dat de vriend van de veroordeelde van destijds, [naam] (hierna: [naam] ), betrokken was bij de verzilvering van die gestolen koopzegels. Zoals in het vonnis van vandaag in de strafzaak tegen de veroordeelde wordt overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de veroordeelde op 16 december 2020 € 2.000,- van [naam] geschonken heeft gekregen en dat deze schenking afkomstig is uit de opbrengst van deze zegels, uit het witwassen van deze zegels, dan wel uit enig ander strafbaar feit.
Op grond van het voorgaande dient in deze zaak de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gegrond te worden op artikel 36e, derde lid, Sr.
4. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bewijsmiddelen
De gebruikte bewijsvoering in het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over.
De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 2.000,-. Dit bedrag ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 2.000,-.
5. De vaststelling van de betalingsverplichting
In het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde wordt de inbeslaggenomen Louis Vuitton-tas, die door de veroordeelde is gekocht voor een bedrag van € 1.060,-, verbeurdverklaard. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank volstaat met de constatering daarvan, gelet op de relatief beperkte hoogte van de betalingsverplichting. Bovendien houdt de rechtbank in het strafvonnis van vandaag in de zaak van de veroordeelde al in strafmatigende zin rekening met deze termijnoverschrijding.
6. Het toepasselijke wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7. De beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.000,- (TWEEDUIZEND EURO);
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 940,- (NEGENHONDERDVEERTIG EURO) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
waarbij geldt dat indien een andere veroordeelde geheel of gedeeltelijk betaalt, de veroordeelde in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 9 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. J.M.J. Keltjens, rechter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
in tegenwoordigheid van R.O. Hollander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2026.