RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1816
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 2 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
Het inreisverbod
Conclusie
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; - 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Het terugkeerbesluit
3. Uit de informatie van verweerder van 26 februari 2026 volgt dat eiseres op 13 januari 2026 is uitgezet naar de Filipijnen. Verweerder stelt zich derhalve op het standpunt dat eiseres – vanwege haar vertrek naar de Filipijnen – niet langer procesbelang heeft bij de behandeling van het beroep tegen het terugkeerbesluit.
4. De rechtbank stelt vast dat met de uitzetting van eiseres het terugkeerbesluit is uitgewerkt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat ook bij een uitgewerkt terugkeerbesluit sprake is van procesbelang. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging vier van voornoemde uitspraak van de Afdeling.
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een risico op onderduiking. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiseres aan dat zij in het bezit is van haar originele Filipijnse paspoort, waarmee zij rechtmatig Nederland is ingereisd. Ten aanzien van zware grond 3g stelt eiseres dat zij weliswaar strafrechtelijk is veroordeeld voor het bezit van valse documenten, maar dat zij in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van het bestreden besluit heeft aangegeven zelf te willen terugkeren naar de Filipijnen. Dit blijkt mede uit het verzoek van eiseres aan de verhorend ambtenaar of hij haar kan helpen om terug te keren naar haar eigen land en de constatering van de verhorend ambtenaar dat eiseres ook middels het IOM kan terugkeren.
6. De rechtbank is van oordeel dat zware grond 3a feitelijk juist is. Dat eiseres bij binnenkomst in Nederland beschikte over een geldig paspoort voor de Filipijnen, doet niet af aan verweerders vaststelling dat zij niet beschikte over een geldig document om Nederland in te reizen. Door eiseres is niet gesteld, noch blijkt uit het dossier, dat zij beschikte over een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning. Ook zware grond 3b is feitelijk juist. Eiseres heeft bij de verhorend ambtenaar alvorens de oplegging van het bestreden besluit verklaard dat zij twintig jaar illegaal in Nederland heeft verbleven en dat zij gedurende deze periode geen melding heeft gemaakt van haar illegale verblijf. Zware grond 3g is ook feitelijk juist. Eiseres erkent dat zij een vervalst Poolse verblijfsvergunning in haar paspoort heeft opgenomen, waarvoor zij in een strafrechtelijke procedure is veroordeeld. Dat eiseres bij de verhorend ambtenaar heeft aangegeven zelf te willen terugkeren naar de Filipijnen, doet geen afbreuk aan de feitelijke juistheid van deze zware grond. De zware gronden zijn feitelijk juist en voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft het risico op onttrekking voldoende gemotiveerd en op grond hiervan een terugkeerbesluit kunnen nemen, waarbij aan eiseres een vertrektermijn is onthouden.
7. Voor zover eiseres meent dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel vanwege haar bereidheid vrijwillig terug te keren naar de Filipijnen, volgt de rechtbank dit niet. Uit de zware en lichte gronden volgt voldoende dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en dat daarom niet had kunnen worden volstaan met een lichter middel.
8. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw. Gelet op de constatering dat verweerder niet ten onrechte een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd waarin een vertrektermijn is onthouden, is door verweerder aan eiseres terecht een inreisverbod opgelegd.
9. Het standpunt van eiseres dat het opleggen van een inreisverbod niet opportuun is, omdat de verhorend ambtenaar constateert dat zij in Nederland heeft geleefd en gewerkt in een uitbuitingssituatie, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder stelt in het verweerschrift terecht dat uit de bewoordingen van de verhorend ambtenaar; “Wilt u praten over de mensen waar u gewerkt heeft. U moet begrijpen dat als ze u vragen voor werk dat dit eigenlijk niet mag. U moet werken voor lage kosten en betaalt dan geen belasting. Die mensen die u inhuren worden er beter van en u uiteindelijk niet. Ik denk dat er misschien ook wel sprake is van uitbuiting.” geen constatering blijkt dat eiseres onder uitbuitende omstandigheden heeft geleefd en gewerkt. Eiseres heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat verweerder van het opleggen van een inreisverbod had moeten afzien. Het beroep van eiseres op het opportuniteitbeginsel slaagt derhalve niet.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.