Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/243114-25 en 22/001610-23 (tul)
Datum uitspraak: 2 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 19 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. van den Eijnden en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. H.S.K. Jap A Joe naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 18 maart 2026 – ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 23 december 2019 te ’s-Gravenhage door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , te weten het meermalen en/of op onverhoedse wijze:
- wrijven over en/of betasten van en/of voelen aan de buik van die [aangeefster 1] en/of
- spreiden van de benen van die [aangeefster 1] en/of
- kusjes geven op het (boven)been van die [aangeefster 1] en/of
- brengen en/of houden van zijn tong in of tegen de vagina van die [aangeefster 1] en/of
- brengen en/of duwen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster 1] , en bestaande dat
geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte (meermalen):
- zich heeft voorgedaan als spirituele healer/therapeut die [aangeefster 1] zou kunnen helpen en/of
- die [aangeefster 1] een of meerdere alcoholisch(e) drankje(s) heeft gegeven en die [aangeefster 1] daarbij heeft gezegd dat zij alcohol binnen moest krijgen omdat hij dan in haar leven kon kijken, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- de deur op slot/op de knip heeft gedaan en/of
- een fysiek, psychisch en een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die
[aangeefster 1] heeft gehad, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die
[aangeefster 1] en/of haar staat van dronkenschap en/of zijn rol als spirituele healer/therapeut en/of
- heeft ingespeeld op de devotie/godvruchtigheid van die [aangeefster 1] en/of misbruik heeft gemaakt van zijn (geestelijke) overwicht, voortvloeiende uit zijn werk als spirituele healer/therapeut door tegen die [aangeefster 1] te zeggen:
‘Ik ga je beter maken’ en/of
‘Om van die hoofdpijn af te komen moet jij orgasmes krijgen. Door middel van orgasmes zul jij geen last meer krijgen van hoofdpijn.’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- aldus voor die [aangeefster 1] een bedreigende en ongelijkwaardige situatie heeft doen ontstaan of waardoor die [aangeefster 1] zich niet kon verzetten tegen eerdergenoemde seksuele handelingen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 december 2019 te ’s-Gravenhage, terwijl hij werkzaam was in de
gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, te weten als spirituele healer/therapeut ontucht
heeft gepleegd met [aangeefster 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door het (meermalen):
- wrijven over en/of betasten van en/of voelen aan de buik van die [aangeefster 1] en/of
- spreiden van de benen van die [aangeefster 1] en/of
- kusjes geven op het (boven)been van die [aangeefster 1] en/of
- brengen en/of houden van zijn tong in of tegen de vagina van die [aangeefster 1] en/of
- brengen en/of duwen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster 1] ;
2
hij op of omstreeks 8 maart 2024 te ’s-Gravenhage door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2] , te weten het meermalen en/of op onverhoedse wijze:
- spreiden van de benen van die [aangeefster 2] en/of
- brengen en/of houden van zijn tong in of tegen de vagina van die [aangeefster 2]
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld of die
andere feitelijkheden hierin dat verdachte (meermalen):
- zich heeft voorgedaan als spirituele healer/therapeut die [aangeefster 2] zou kunnen helpen en/of
- die [aangeefster 2] een of meerdere alcoholisch(e) drankje(s) heeft gegeven en/of
- die [aangeefster 2] heeft gezegd dat zij zich volledig moest ontkleden en/of
- een fysiek, psychisch en een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die [aangeefster 2] heeft gehad, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [aangeefster 2] en/of haar staat van dronkenschap en/of zijn rol als spirituele healer/therapeut en/of
- heeft ingespeeld op de devotie/godvruchtigheid van die [aangeefster 2] en/of misbruik heeft
gemaakt van zijn (geestelijke) overwicht, voortvloeiende uit zijn werk als spirituele
healer/therapeut door tegen die [aangeefster 2] te zeggen:
‘Ik ga je liefdesblokkade weghalen’ en/of
‘Je hebt nooit een orgasme gehad, dus je moet iets voelen.’
‘Ik moet het zeven keer doen.’
en/of
- aldus voor die [aangeefster 2] een bedreigende en ongelijkwaardige situatie heeft doen ontstaan of waardoor die [aangeefster 2] zich niet kon verzetten tegen eerdergenoemde seksuele handelingen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 maart 2024 te ’s-Gravenhage, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, te weten als spirituele healer/therapeut ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 2] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door het (meermalen):
- spreiden van de benen van die [aangeefster 2] en/of
- brengen en/of houden van zijn tong in of tegen de vagina van die [aangeefster 2] .
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Nadere duiding van de bewijsmiddelen
Naast de hierboven genoemde bewijsmiddelen worden de processen-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] (bewijsmiddel 1) en van [aangeefster 2] (bewijsmiddel 5) ook over en weer voor het bewijs van feit 1 en 2 gebruikt. Deze constructie van schakelbewijs wordt onder 3.4.2. en 3.4.3. nader uiteengezet.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte twee vrouwen in respectievelijk 2019 en 2024 heeft verkracht, dan wel ontucht met hen heeft gepleegd zoals hem ten laste is gelegd. De vrouwen hebben de verdachte bezocht in verband met problemen die zij in hun persoonlijk leven ervaarden. De verdachte zou een spiritueel healer zijn met wie zij via derden in contact zijn gebracht. De bezoeken aan de verdachte zijn voor de vrouwen traumatisch verlopen: zij hebben aangifte gedaan van verkrachting. De verdachte zegt dat de vrouwen hem hebben bezocht, maar dat hij hen niet heeft aangeraakt. Hij ontkent ook werkzaam te zijn als spiritueel healer. De verdachte is eerder veroordeeld voor ontucht toen hij (wel) werkzaam was in die hoedanigheid. Hem is toen een beroepsverbod opgelegd.
Juridisch kader in zedenzaken
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaringen van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden zijn.
Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad in zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging moeten vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van een aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf voldoende betrouwbaar moet zijn.
Een bijzondere vorm van steunbewijs vormt het zogeheten schakelbewijs. Met de term schakelbewijs wordt doorgaans een bewijsvoering bedoeld waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken is geweest. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering (vgl. ECLI:HR:2019:1445). Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen.
De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Bewijswaardering van de verklaringen van de aangeefsters
Betrouwbaarheid
De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefsters in deze zaken betrouwbaar. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hun verklaringen (ondanks de verstreken tijd) in de kern ieder op zichzelf beschouwd consistent en gedetailleerd. Aan de oprechtheid en betrouwbaarheid van hun verklaringen draagt bij dat de aangeefsters – die elkaar niet kennen – over omstandigheden hebben verklaard die in beide verklaringen voorkomen en die zij, anders dan de verdediging bij pleidooi heeft gesuggereerd, niet uit de in het dossier opgenomen mediaberichtgeving in het publieke domein hebben kunnen vernemen. Het gaat daarbij in het bijzonder om het aanbieden van chips, het besprenkelen/bespuiten van de slachtoffers met (rozen)water, het meegeven van een tasje met medicijnen aan de aangeefsters en het feit dat zij beide verklaren over vrijwel dezelfde seksuele handelingen die bij hen werden verricht. Bovendien vinden de verklaringen van de aangeefsters, zoals onder 3.4.4. en 3.4.5. nader wordt overwogen, steun in andere bewijsmiddelen. Er zijn geen aanknopingspunten die aannemelijk maken dat de verklaringen niet betrouwbaar zouden zijn. Gezien het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs.
Schakelbewijs
De aangiftes van de beide aangeefsters vinden, zoals hiervoor overwogen, op zichzelf steun in andere bewijsmiddelen en worden bovendien wederzijds versterkt door elkaars verklaringen. Uit de verklaringen van de aangeefsters blijkt een specifieke modus operandi, die in de onderscheiden gevallen in overwegende mate overeenkomt. De rechtbank stelt daartoe op basis van het gebezigde bewijs het volgende vast.
Uit de verklaringen van de beide aangeefsters komt naar voren dat zij met de verdachte in aanraking zijn gekomen omdat zij een hulpvraag hadden. Beide aangeefsters hebben meermalen (telefonisch) contact gehad met de verdachte en verkeerden in de veronderstelling dat de verdachte hen kon helpen door een spirituele healing. De beide aangeefsters verklaren dat zij tijdens de healing (meerdere) alcoholische dranken moesten drinken, dat zij werden besprenkeld/bespoten (met (rozen)water) en over hoe de verdachte hun benen wijd doet en in/aan de vagina likt. De beide aangeefsters verklaren door de alcohol niet alles goed meegekregen te hebben. Verder verklaren zij beide dat de verdachte hen chips aanbood, omdat dat zou helpen tegen het dronken zijn. Tot slot spreken de beide aangeefsters over een tasje met medicijnen die zij van de verdachte hebben meegekregen.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters op essentiële punten overeenkomen en over en weer kunnen dienen als schakelbewijs voor de bewezenverklaring. De rechtbank gaat hierna in op het verdere steunbewijs in beide zaken afzonderlijk.
Verdere waardering bewijs met toepassing van het juridisch kader in zedenzaken op feit 1
Steunbewijs in de vorm van ‘disclosure-getuigen’
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat steunbewijs onder meer kan bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van de emotie van het slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Zo’n verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige (‘disclosure-getuige’) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer. Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties is daarbij relevant. Meestal gaat het om bewijs waaruit emoties blijken die kort na het incident door een getuige zijn waargenomen. Wel is behoedzaamheid op haar plaats bij het gebruik van emoties als steunbewijs.
Op basis van het gebezigde bewijs stelt de rechtbank ten aanzien van de ‘disclosure-getuigen’ die de verklaring van aangeefster [aangeefster 1] ondersteunen, het volgende vast.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op de bewuste avond de aangeefster heeft opgehaald bij de verdachte. Ze zag de aangeefster naast haar auto staan met de verdachte naast haar. Ze merkte op dat de aangeefster er heel geschrokken uit za: ‘alsof ze een lijk had gezien, zo bleek zag ze eruit’. Ze zag dat de verdachte haar een witte papieren tas gaf, waar medicijnen voor de aangeefster in zaten. Verder verklaart [getuige 1] dat toen ze eenmaal in de auto zaten, de aangeefster haar vast pakte, knuffelde en non-stop begon te huilen. Na een paar minuten werd ze iets rustiger en zei ze: ‘hij heeft me verkracht’. Daarnaast heeft [getuige 1] waargenomen dat de aangeefster een wit shirt aan had nadat ze de aangeefster had opgehaald en dat de blouse, die de aangeefster droeg toen zij eerder die avond door [getuige 1] bij de verdachte werd afgezet, in de papieren tas zat. Onderin de tas, onder die blouse, zag [getuige 1] tissues die een beetje plakten. Die tissues heeft zij uiteindelijk weggegooid. De rechtbank stelt vast dat deze getuige haar waarnemingen heeft gedaan kort na de gedragingen die de verdachte in deze zaak ten laste zijn gelegd.
Naast [getuige 1] hebben ook de moeder van de aangeefster, getuige [aangeefster 1] , en haar toenmalige vriend, getuige [getuige 2] , een verklaring afgelegd. [aangeefster 1] heeft verklaard dat de aangeefster een dag na het incident aan haar vertelde wat er was gebeurd en dat de aangeefster in dat gesprek alleen maar kon huilen. [getuige 2] heeft verklaard dat de aangeefster hem na twee weken vertelde dat ze door de verdachte is verkracht en dat zij daarbij moest huilen. [getuige 2] heeft ook verklaard dat de aangeefster sinds het ten laste gelegde bang is voor kale mannen.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van de bewijsvraag dan ook uit van de juistheid van de verklaring van de aangeefster. Haar verklaring vindt namelijk voldoende steun in de hiervoor genoemde getuigenverklaringen over de emotionele toestand en gedragsverandering die de getuigen bij de aangeefster hebben waargenomen. Ook vindt de verklaring steun in de verklaring van de aangeefster [aangeefster 2] .
Dwang
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte heeft ingespeeld op de devotie en/of gezondheidsklachten van de aangeefster. De aangeefster heeft uitsluitend contact gezocht en onderhouden met de verdachte omdat hij spiritueel healer is. De aangeefster verkeerde in de veronderstelling dat de verdachte haar beter kon maken door die healingsessies uit te voeren. De verdachte gaf de aangeefster meerdere keren alcoholische drank en zei dat het drinken daarvan nodig was voor de healingsessie. Zij moest alcohol binnenkrijgen omdat de verdachte dan “in haar leven kon kijken”. Door de hoeveelheid alcohol verloor de aangeefster zo nu en dan haar bewustzijn en wist zij niet meer precies wat er gebeurde.
Gelet op alle omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van feitelijke dwang, waardoor de aangeefster is gedwongen tot het ondergaan van verschillende handelingen. Bovendien heeft de verdachte haar ook onverhoeds aangeraakt. Vaste rechtspraak leert dat het onverhoedse karakter van dergelijke handelingen kan worden gekwalificeerd als een feitelijkheid waardoor een slachtoffer kan worden gedwongen deze handelingen te ondergaan.
Conclusie
Concluderend komt de rechtbank, gelet op het hiervoor (en onder 3.4.3) overwogene en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, tot het oordeel dat de verdachte de aangeefster [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van meerdere seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam met de tong. De rechtbank kan op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting niet vaststellen dat de verdachte ook bij de aangeefster is binnengedrongen met zijn penis, reden waarom de rechtbank de verdachte daarvan zal vrijspreken. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 1 zoals omschreven onder 3.5.
Verdere waardering bewijs met toepassing van het juridisch kader in zedenzaken op feit 2
Vrijspraak feit 2, primair
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte met zijn tong in de vagina van de aangeefster [aangeefster 2] is geweest. Uit de verklaring van de aangeefster volgt uitsluitend dat de verdachte ‘aan’ haar vagina heeft gelikt. Nu er geen andere bewijsmiddelen zijn met betrekking tot de aard van de seksuele handelingen, kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is geweest van het binnendringen van het lichaam door de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve het primair onder feit 2 aan de verdachte ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.
Feit 2, subsidiair
Subsidiair wordt de verdachte onder feit 2 verweten dat hij ontucht heeft gepleegd met de aangeefster. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangifte van de aangeefster niet wordt ondersteund door relevant steunbewijs. De rechtbank is echter van oordeel dat de verklaring van de aangeefster wel op cruciale punten steun vindt in andere bewijsmiddelen. Uit het gebezigde bewijs volgt immers dat de aangeefster een aantal dagen na het ten laste gelegde feit een bericht heeft gestuurd aan de verdachte waarin zij onder meer schrijft: ‘Jij engerd! Jij hebt seksueel misbruik van mij gemaakt! Jij hebt mij dronken gemaakt om daarna aan mij te zitten’ en: ‘als je mijn €120 niet terug geef ga ik met mijn vader naar de politie om aangifte te doen’. Daarna heeft de verdachte € 120 overgemaakt naar de aangeefster. Verder heeft de aangeefster een maand na het ten laste gelegde feit contact opgenomen met de persoon die haar naar de verdachte had doorverwezen. Aan die persoon stuurde zij onder meer de volgende berichten: ‘Ik had je vertrouwd’, ‘nee, die waarzegster van u …’ en: ‘die mijn in dronkenschap zette en daarna onbedoelde sexual handelingen uitvoerde’.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde berichten die de aangeefster na het ten laste gelegde feit heeft gestuurd, de verklaring van de aangeefster ondersteunen. Daarnaast vindt de verklaring van de aangeefster ook steun in de verklaring van de aangeefster [aangeefster 1] , nu deze verklaringen (zoals hiervoor onder 3.4.3. overwogen) onderling grote overeenkomsten vertonen.
Conclusie
Concluderend komt de rechtbank, gelet op het hiervoor (en onder 3.4.3.) overwogene en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, tot het oordeel dat de verdachte ontucht heeft gepleegd met het slachtoffer, terwijl hij werkzaam was als spiritueel healer, zoals onder 3.5. omschreven.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 23 december 2019 te ’s-Gravenhage door een andere feitelijkheid [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , te weten het meermalen en op onverhoedse wijze:
- wrijven over de buik van die [aangeefster 1] en
- spreiden van de benen van die [aangeefster 1] en
- kusjes geven op het bovenbeen van die [aangeefster 1] en
- brengen en houden van zijn tong in de vagina van die [aangeefster 1] , en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte meermalen:
- zich heeft voorgedaan als spiritueel healer/therapeut die [aangeefster 1] zou kunnen helpen en
- die [aangeefster 1] meerdere alcoholische drankjes heeft gegeven en die [aangeefster 1] daarbij heeft gezegd dat zij alcohol binnen moest krijgen omdat hij dan in haar leven kon kijken, althans woorden van gelijke aard of strekking en
- een fysiek, psychisch en een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op die
[aangeefster 1] heeft gehad, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die
[aangeefster 1] en haar staat van dronkenschap en zijn rol als spiritueel healer/therapeut en
- heeft ingespeeld op de devotie/godvruchtigheid van die [aangeefster 1] en misbruik heeft gemaakt van zijn (geestelijke) overwicht, voortvloeiende uit zijn werk als spiritueel healer/therapeut door tegen die [aangeefster 1] te zeggen:
‘Ik ga je beter maken’ en
‘Om van die hoofdpijn af te komen moet jij orgasmes krijgen. Door middel van orgasmes zul jij geen last meer krijgen van hoofdpijn.’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en
- aldus voor die [aangeefster 1] een bedreigende en ongelijkwaardige situatie heeft doen ontstaan of waardoor die [aangeefster 1] zich niet kon verzetten tegen eerdergenoemde seksuele handelingen.
2
hij op 8 maart 2024 te ’s-Gravenhage, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en maatschappelijke zorg, te weten als spiritueel healer/therapeut ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 2] , die zich als patiënt en cliënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, door het:
- spreiden van de benen van die [aangeefster 2] en
- brengen en houden van zijn tong tegen de vagina van die [aangeefster 2] .
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een contactverbod met de slachtoffers wordt opgelegd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en dat aan hem een beroepsverbod wordt opgelegd als bijkomende straf. De officier van justitie heeft verzocht om deze bijkomende straf en maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring de strafeis van vijf jaren te matigen. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat de resultaten van het verdiepende onderzoek van De Waag aanleiding geven om verder diagnostisch onderzoek te doen naar het mogelijke bestaan van een verstandelijke beperking bij de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkrachting en aan het plegen van ontucht. Beide slachtoffers kwamen bij de verdachte voor een healing en de verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie in combinatie met de kwetsbaarheid van de slachtoffers. De verdachte heeft daarbij alle grenzen overschreden. In beide gevallen is de verdachte op geraffineerde wijze te werk gegaan. Hij bouwde het contact met de slachtoffers op, liet hen geloven dat hij hen kon helpen, liet hen veel (sterke) drank drinken waardoor zij bedwelmd raakten en verrichte vervolgens seksuele handelingen bij beide slachtoffers.
Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij op een ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoel van vertrouwen in mensen. Deze impact is groot. De rechtbank kent hieraan bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte bij op 29 december 2023 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor een soortgelijk feit, waarvoor de verdachte op dit moment nog in een proeftijd loopt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 maart 2026, waaruit volgt dat mogelijk sprake is van problematiek op cognitief vlak en van een laag tot gemiddeld recidiverisico. De reclassering constateert enerzijds dat ambulante behandeling recidive niet kon voorkomen. Anderzijds geven de resultaten van verdiepingsdiagnostiek aanknopingspunten voor uitgebreider diagnostisch onderzoek, en indien geïndiceerd, behandeling. De reclassering adviseert daarom, in overleg met De Waag, bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, controleerbare dagbesteding, diagnostiek en ambulante behandeling en een contactverbod.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 tot 48 maanden vermeld voor een verkrachting. De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting geven geen oriëntatiepunten voor ontucht met een slachtoffer die aan de zorg van de dader is toevertrouwd, maar in soortgelijke gevallen wordt doorgaans een gevangenisstraf tussen de drie en twaalf maanden opgelegd.
De rechtbank neemt bij de straftoemeting in aanmerking dat het eerste feit in 2019 is gepleegd en dat artikel 63 Sr hierop van toepassing is. Hieraan kent zij strafmatigende betekenis toe.
De rechtbank acht strafverhogend dat bij het tweede feit sprake is van herhaling en zij kent hieraan in de gegeven situatie gelet op de ernst van het feit en de kwetsbaarheid van de slachtoffers bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe. Daarbij neemt zij ook in acht dat de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de eerder door het gerechtshof Den Haag opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf heeft gevorderd (zie hierna) en een onevenredige strafrechtelijke aansprakelijkheid vanwege de samenloop van die vordering en de strafverhogende omstandigheid vanwege de herhaling moet worden voorkomen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Strafoplegging
De rechtbank zal alles overwegende aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Vrijheidsbeperkende maatregel 38v Sr
Nu de rechtbank komt tot toewijzing van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, waaronder een contactverbod met de slachtoffers, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr. De rechtbank zal deze vordering afwijzen.
Bijkomende straf: beroepsverbod
De rechtbank merkt op dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in de uitoefening van zijn beroep heeft begaan. Om het gevaar in te perken dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten, legt de rechtbank tevens een verbod op aan de verdachte tot het uitoefenen van een beroep als spiritueel healer/spiritueel genezer, althans spiritueel therapeut zoals in het dictum vermeld. Die oplegging vindt haar grond in artikel 28 lid 1 aanhef, sub 5º Sr. De rechtbank is van oordeel dat enkel de bijzondere voorwaarde van een controleerbare dagbesteding, waarbij de verdachte zijn werkzaamheden en clientèle inzichtelijk maakt indien de reclassering dit nodig acht, en waarbij hij één-op-één contact met vrouwen tijdens zijn werkzaamheden moet vermijden, ter voorkoming van herhaling niet toereikend is.
De rechtbank overweegt dat het op te leggen beroepsverbod tot doel heeft dat de verdachte zich onthoudt van beroepsmatige werkzaamheden in de eerder genoemde hoedanigheden, althans beroepsmatige werkzaamheden die één-op-één behandelsessies met vrouwen omvatten, waarbij de verdachte een healing en/of ‘studie’ uitvoert en/of anderszins mentale en/of fysieke begeleiding en/of zorg biedt aan vrouwen.
De in artikel 31, eerste lid, sub 2º Sr bedoelde periode van minimaal twee en maximaal vijf jaren wordt in dit geval door de rechtbank bepaald op vijf jaar. Daarbij kent de rechtbank zwaarwegende betekenis toe aan het feit dat de verdachte al eerder een beroepsverbod voor de duur van twee jaar (en twee dagen) heeft gekregen nadat hij werd veroordeeld voor een soortgelijk delict. Echter, het beroepsverbod heeft de verdachte er toen niet van weerhouden om opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. De rechtbank acht een duur van vijf jaren passend en geboden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meer personen, te weten [aangeefster 1] en [aangeefster 2] .
Gelet op de herhaling, zoals eerder is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
De vordering benadeelde partij ten aanzien van feit 1
Mr. S. van der Eijk heeft zich namens [aangeefster 1] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.000, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het psychisch letsel onvoldoende is onderbouwd en verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval meebrengen dat de in dit verband door de benadeelde ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 7.500.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van €7.500, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank sluit niet uit dat de benadeelde partij meer schade heeft geleden. Voor de bepaling daarvan is echter, in het licht van de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing vereist. De benadeelde partij daartoe de gelegenheid geven zou leiden tot een onevenredige benadeling van het strafproces. Zij kan zich daarvoor wenden tot de civiele rechter.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 december 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover het slachtoffer aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.500, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] .
De vordering benadeelde partij ten aanzien van feit 2
Mr. D.M.P. van Eijsden heeft zich namens [aangeefster 2] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 45.000, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 40.000 aan materiële schade en € 5.000 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.000 aan immateriële schadevergoeding en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van de materiële schade is aangevoerd dat deze schade niet is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade is niet-ontvankelijkheid bepleit, omdat door de verdediging vrijspraak wordt bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De rechtbank is – onder verwijzing naar het onder 7.1.3 genoemde kader – ook met betrekking tot feit 2 van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval meebrengen dat de in dit verband door de benadeelde ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 5.000 toewijzen.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 40.000 gevorderd in verband met verlies van arbeidsvermogen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat de materiële schade betreft afwijzen, omdat het bestaan van de gestelde schade namens de verdachte (gemotiveerd) is betwist en namens de benadeelde partij niet is onderbouwd.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 5.000, bestaande uit immateriële schade en de vordering voor het overige afwijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 8 maart 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover het slachtoffer aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] .
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 5 februari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 22/001610-23 door het gerechtshof te Den Haag op 14 december 2023 voorwaardelijke opgelegde straf van 120 dagen gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte geen standpunt ingenomen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 5 februari 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Den Haag van 14 december 2023, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld arrest was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 28, 31, 36f, 57, 60, 60a, 63, 242 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1, primair: verkrachting
ten aanzien van feit 2, subsidiair: werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan telefonisch bij Reclassering Nederland op het adres Stationsplein 20 te Amersfoort en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
Controleerbare dagbesteding
- meewerkt aan door de reclassering goedgekeurde en controleerbare dagbesteding.
Hij maakt werkzaamheden en clientèle inzichtelijk, indien de reclassering dit nodig acht. Hij vermijdt het één-op-één contact met vrouwen tijdens zijn werkzaamheden;
Diagnostiek en ambulante behandeling
- meewerkt aan diagnostiek en, indien de reclassering dit nodig acht, meewerkt aan behandeling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
Contactverbod
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [aangeefster 1] en [aangeefster 2] ;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
bijkomende straf
ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van spiritueel healer/spiritueel genezer, althans spiritueel therapeut, althans beroepsmatige werkzaamheden die één-op-één behandelsessies met vrouwen omvatten, waarbij de verdachte een healing en/of ‘studie’ uitvoert en/of anderszins mentale en/of fysieke begeleiding en/of zorg biedt aan vrouwen, voor de duur van 5 (vijf) jaren;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 7.500, aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partij [aangeefster 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 5.000, aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen [aangeefster 1] en [aangeefster 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.500, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van het gerechtshof te Den Haag van 14 december 2023, gewezen onder parketnummer 22/001610-23, te weten gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen;
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, voorzitter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.