RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3328
(gemachtigde: mr. O. Sarac),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 10 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 1], de dochter van eiseres (hierna: referente), [naam 2], de zoon van eiseres, [naam 3] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1939 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres beoogt verblijf bij haar dochter/referente ([naam 1]) in Nederland.
Eiseres stelt dat zij in 1969 naar Nederland is gekomen met haar echtgenoot, [naam 4], en dat zij in 1990 samen met haar echtgenoot weer naar Turkije is vertrokken. Volgens eiseres is zij in de tussenliggende periode in Nederland in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Op 15 december 2021 is de echtgenoot van eiseres overleden en is eiseres alleen achtergebleven in Turkije. Zij heeft in Nederland haar kinderen, onder wie referente, en haar kleinkinderen wonen.
Om te kunnen beoordelen of eiseres in aanmerking zou kunnen komen voor vrijstelling van het vereiste om over een machtiging tot voorlopig verblijf te beschikken (mvv-vereiste), heeft verweerder het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd om een medisch advies uit te brengen. Op 6 december 2023 heeft het BMA een advies uitgebracht.
Uit dit medisch advies blijkt dat eiseres is gediagnosticeerd met diabetes mellitus type 2, een hoge bloeddruk en bloedarmoede. Bij het uitblijven van de benodigde medische behandeling verwacht het BMA een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden, omdat een combinatie van diabetes mellitus, hypertensie en een hoge leeftijd het risico op cardiovasculaire complicaties zoals een beroerte of een hartinfarct verhoogt. Dit kan volgens het BMA levensbedreigend zijn. Het is voor eiseres mogelijk om te reizen, maar wel wordt aanbevolen dat zij door een familielid wordt begeleid voor hulp bij mobiliteit, zoals het duwen van een rolstoel. Verder wordt geadviseerd dat eiseres een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt (zoals bijvoorbeeld een ingevuld Europees Medisch Paspoort). Ook wordt aangeraden om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. De benodigde medische zorg waaronder medicatie zijn voor eiseres beschikbaar in Ankara.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Omdat eiseres op basis van de inhoud van het BMA-advies van 6 december 2023 vanwege haar medische omstandigheden voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt, heeft verweerder beoordeeld of de uitzetting van eiseres in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verweerder is dat niet het geval, omdat tussen eiseres en haar dochter geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM doordat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen bestaat. Daarnaast komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘medische behandeling’ of voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet en tot slot ziet verweerder geen reden om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht af te wijken van zijn beleid.
Beroepsgronden
3. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen haar en haar dochter geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Er bestaat namelijk wel degelijk een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen. Eiseres is sinds het overlijden van haar echtgenoot afhankelijk van referente. Eiseres kampt met diabetes mellitus en hypertensie en heeft een hoge leeftijd, waardoor het risico op cardiovasculaire problemen zoals een beroerte of een hartinfarct is verhoogd. Dit kan levensbedreigend zijn voor eiseres. De medische behandeling kan volgens verweerder dan wel aanwezig zijn in het land van herkomst, maar in de stad waar zij woont (Kirsehir) zijn slechts beperkte zorgmogelijkheden voorhanden, terwijl Ankara zo ver weg is dat het verkrijgen van medische zorg daar feitelijk onmogelijk is. Daarbij komt dat eiseres ook afhankelijk is van iemand die haar begeleidt. In Turkije heeft eiseres echter geen familieleden of een ander sociaal vangnet in haar directe omgeving. Haar echtgenoot is overleden en haar broer woont op grote afstand en is zelf ook afhankelijk van zorg. De omstandigheid dat referente een periode in Turkije heeft verbleven om voor eiseres te zorgen, toont aan dat eiseres van haar afhankelijk is. Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Daartoe verwijst zij naar de situatie van twee andere vreemdelingen die volgens haar in vergelijkbare situaties verkeerden. Ook daarbij ging het om een vrouw die in haar land van herkomst verbleef met haar echtgenoot en die na het overlijden van haar echtgenoot niemand in haar land van herkomst had die voor haar kon zorgen. Ter onderbouwing van haar beroep heeft eiseres verder verwezen naar Werkinstructie 2020/16, de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:10167) en – ter zitting – naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 december 2024 in de zaak Martinez Alvarado (4470/21) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2748) en 7 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:927).
Verder voert eiseres aan dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen.
Beoordeling door de rechtbank
De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, overwogen dat tussen meerderjarigen buiten het kerngezin sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er daarbij vooral om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zouden kunnen blijken. Verweerder moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Naast de vraag of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, moeten ook elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond, voor zover deze elementen zijn aangevoerd, in de beoordeling een rol spelen. Deze beoordeling is van feitelijke aard, aldus de Afdeling in voormelde uitspraak.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden betrokken en in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Verweerder heeft in de eerste plaats van belang kunnen achten dat eiseres van 1990 tot aan haar aankomst in Nederland in maart 2022 in Turkije heeft gewoond en dat referente en de andere familieleden van eiseres van kinds af aan altijd in Nederland hebben gewoond. Dat de dochter van eiseres – naar eigen zeggen – van juli 2021 tot het vertrek naar Nederland in maart 2022 bij eiseres in Turkije zou hebben verbleven, neemt niet weg dat eiseres voorafgaand aan deze periode gedurende een lange tijd gescheiden van haar dochter en andere familieleden heeft gewoond, wat niet duidt op de aanwezigheid van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De omstandigheid dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit bij haar dochter in huis woonde, is, zoals verweerder terecht stelt, niet meer dan gebruikelijk in een situatie waarin een vreemdeling in Nederland in afwachting is van diens verblijfsprocedure.
Niet in geschil is dat eiseres medische klachten heeft waarvoor zij medische behandeling behoeft. Verweerder heeft er echter op kunnen wijzen dat uit het BMA-advies van 6 december 2023 blijkt dat de benodigde medische zorg ook in Turkije beschikbaar is. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze zorg feitelijk niet toegankelijk voor haar is. Daarbij is van belang dat de zorginstellingen die in het BMA-advies zijn genoemd, slechts voorbeelden zijn van plaatsen in Turkije waar de medische behandeling beschikbaar is. De enkele stelling dat Ankara te ver reizen is voor eiseres en dat in de directe woonomgeving slechts beperkte zorgmogelijkheden bestaan, is daarom niet voldoende om aan te nemen dat eiseres in Turkije niet de benodigde medische zorg zal kunnen krijgen.
De rechtbank begrijpt dat eiseres in Nederland verzorgd en geholpen wordt door referente. Die hulp bestaat onder meer uit het meegaan naar medische afspraken in het ziekenhuis, hulp bij het innemen van medicatie en hulp bij dagelijkse bezigheden. Hoewel de rechtbank dit wil aannemen, heeft verweerder terecht van belang geacht dat uit het BMA-advies van
6 december 2023 niet blijkt dat eiseres afhankelijk is van mantelzorg of dat mantelzorg essentieel is voor het welslagen van haar medische behandeling. Uit het BMA-advies blijkt evenmin dat eiseres niet meer in staat is om zelfstandig te wonen en te functioneren. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij wel mantelzorg nodig heeft, en dat als mantelzorg nodig zou zijn, deze alleen door referente kan worden geboden. Voor de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid is weliswaar niet vereist dat er sprake is van exclusieve afhankelijkheid, maar verweerder mag dit aspect wel bij deze beoordeling betrekken. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2748). Verweerder heeft daarom kunnen meewegen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor haar verzorging exclusief afhankelijk is van haar dochter. Nu eiseres lange tijd in Turkije heeft gewoond, heeft verweerder niet zonder meer aannemelijk hoeven achten dat er in Turkije geen familieleden, vrienden of andere personen (meer) zijn die eiseres zouden kunnen ondersteunen. Verweerder heeft ook kunnen overwegen dat de kinderen van eiseres haar vanuit Nederland – middels moderne communicatiemiddelen – kunnen bijstaan bij medische procedures en dat niet is gebleken dat het voor hen niet mogelijk is om in voorkomende gevallen voor kort verblijf naar Turkije te reizen om eiseres te vergezellen bij een bezoek aan een arts of een andere zorgverlener. Referente is ook al eerder naar Turkije gereisd om eiseres bij te staan.
Verweerder heeft voorts in aanmerking kunnen nemen dat het gegeven dat de emotionele band tussen referente en eiseres intensiever is geworden na het overlijden van de echtgenoot van eiseres, onvoldoende is om in dit geval bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te kunnen nemen. Verweerder heeft van belang kunnen achten dat er gedurende het lange verblijf van eiseres in Turkije altijd telefonisch contact is geweest met referente en dat eiseres en referente elkaar ook kunnen bezoeken.
Verweerder heeft dan ook, gelet op het geheel aan individuele feiten en omstandigheden, niet ten onrechte geconcludeerd dat tussen eiseres en referente geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referente aangenomen. Bij deze stand van zaken volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1189) dat aan een belangenafweging niet wordt toegekomen. De rechtbank gaat daarom niet in op wat eiseres over de belangenafweging heeft aangevoerd.
Eiseres heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en daarbij verwezen naar twee V-nummers. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van rechtens vergelijkbare gevallen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het feitencomplex in deze gevallen aanmerkelijk anders was dan de situatie van eiseres, omdat het in de twee aangehaalde (samenhangende) zaken ging om een moeder en een verstandelijk gehandicapte dochter. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Ter zitting is gesteld dat de gezondheidstoestand van eiseres inmiddels verder is verslechterd en dat zij nieuwe medicatie voor haar nieren gebruikt. Gelet op de ex tunc-toetsing kan dit aspect echter niet bij de beoordeling worden betrokken. Het staat eiseres vrij om een nieuwe aanvraag in te dienen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.