RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40625
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).
Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op de zitting van 12 februari 2026 aangehouden omdat er geen tolk aanwezig was en de zaak vervolgens op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
Het asielrelaas
1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1982. Hij behoort tot de Igbo bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser is lid van de Indigenous People of Biafra (IPOB) en heeft deelgenomen aan demonstraties. Bij een demonstratie in 2017 is eiser gearresteerd. Eiser heeft Nigeria toen verlaten. Ook in Europa is eiser actief voor IPOB. Eiser vreest bij terugkeer te worden opgepakt door de Nigeriaanse autoriteiten omdat hij zich wil uiten als IPOB-lid door mee te doen aan activiteiten en demonstraties. Eiser vreest bij terugkeer ook door de autoriteiten gevangen te worden genomen of te worden gedood door de gemeenschap omdat hij biseksueel is. Tot slot vreest eiser dat zijn dochter bij terugkeer wordt besneden en dat hij dit niet kan tegenhouden. Eisers zoon heeft sikkelcelziekte en staat onder medische behandeling.
Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Biseksualiteit en daaruit voortvloeiende problemen
3. Lidmaatschap IPOB en daaruit voortvloeiende problemen
4. Eiser is afkomstig uit Zuid-Nigeria/Igbo waar vrouwenbesnijdenis voorkomt en eiser heeft een onbesneden dochter.
Verweerder heeft alleen het vierde asielmotief geloofwaardig geacht. Het eerste asielmotief wordt deels geloofwaardig geacht. Eisers nationaliteit en herkomst zijn volgens verweerder geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Verweerder legt aan dit standpunt ten grondslag dat eiser bekend staat onder meerdere aliassen, met onbekende bestemming is vertrokken, zonder verklaring twee keer niet is verschenen bij zijn MediFirst afspraak, en in meerdere landen asiel heeft aangevraagd zonder het antwoord af te wachten.
Het tweede en derde asielmotief wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht omdat eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vw, voldoet. Eiser heeft volgens verweerder wisselend en vaag verklaard over zijn seksuele gerichtheid, heeft geen inzicht gegeven in zijn persoonlijke beleving rondom de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid en heeft oppervlakkig en summier verklaard over zijn relatie. Daarnaast heeft eiser vaag en onduidelijk verklaard over zijn rol bij IPOB en heeft hij wisselend verklaard over de duur van zijn lidmaatschap, de start van zijn lidmaatschap, zijn tijd in ‘Camp’ en zijn tijd in de gevangenis.
Het vierde geloofwaardig geachte asielmotief en eisers nationaliteit en herkomst leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit. Eiser krijgt wel een afgeleid voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van het BMA-onderzoek naar aanleiding van de overgelegde medische stukken van zijn zoon.
Beoordeling door de rechtbank
Identiteit
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zijn identiteit aannemelijk heeft gemaakt door een Duitse verblijfsvergunning over te leggen. Eiser kan geen andere documenten overleggen omdat hij deze op zee is verloren. Over de verschillende aliassen stelt eiser zich op het standpunt dat deze niet veel van elkaar afwijken en dat hij op veel verschillende plekken in Europa is geweest. Het is volgens eiser mogelijk dat er bij de registratie iets mis is gegaan. Eiser heeft op de zitting verder nog verklaard dat zijn naam in Nederland niet goed is genoteerd en dat hij dit heeft aangegeven.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit kader heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser bekend staat onder meerdere aliassen waarbij zowel eisers naam als zijn geboortedatum afwijkt. Dat, zoals eiser stelt, deze aliassen niet veel van elkaar verschillen en dat het mogelijk is dat er in andere lidstaten iets mis is gegaan, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser bij zijn huidige asielaanvraag heeft aangegeven dat hij [eiser] heet en dat hij is geboren op 24 maart 1982. Bij zijn asielaanvraag in Nederland in 2019 heeft eiser verklaard dat hij [naam 2] en dat hij is geboren op [geboortedatum 2] 1985. In Italië is eiser ook bekend onder de naam [naam 3], geboren op [geboortedatum 1] 1982. In Frankrijk heeft eiser doorgegeven dat hij [eiser] heet en is geboren op [geboortedatum 1] 1982. In Duitsland heeft eiser verklaard dat hij [eiser] heet en dat hij is geboren op [geboortedatum 3] 1982. Verweerder stelt niet ten onrechte dat deze verschillen afbreuk doen aan eisers geloofwaardigheid. Dat, zoals eiser stelt, in Nederland de verkeerde naam is genoteerd en dat eiser heeft aangegeven dat dit niet klopt, doet hier niet aan af. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag in 2019, zijn asielaanvraag in Italië en zijn asielaanvraag in Duitsland immers ook een andere naam dan wel geboortedatum doorgegeven. Ook eisers overgelegde verblijfsvergunning heeft verweerder in dit kader niet voldoende kunnen vinden om eisers identiteit aannemelijk te achten. Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat de gegevens op deze kaart ook op basis van eisers eigen verklaring zijn opgenomen omdat eiser zijn documenten op zee zou zijn verloren (pagina 4 aanmeldgehoor 16 januari 2023). Eiser heeft dit niet bestreden en heeft ook niet concreet gemaakt waarom verweerder gehouden was om nader onderzoek te doen naar de registratie van de identiteitsgegevens van eiser in Duitsland of andere lidstaten. Alleen al gelet hierop heeft verweerder de identiteit van eiser niet geloofwaardig kunnen achten. De rechtbank laat de overige tegenwerpingen die verweerder in dit kader heeft gedaan dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Biseksualiteit
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het tweede asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft geprobeerd om zijn gevoelens op een open en oprechte manier te uiten en antwoord te geven op de vragen. Verweerder heeft volgens eiser, gelet op eisers referentiekader, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom zijn verklaringen over de ontdekking van zijn seksualiteit tekortschieten. Hierbij is het volgens eiser van belang dat het gaat om een situatie van lang geleden, waarbij eiser veel heeft meegemaakt en in verschillende landen is geweest. Dit sijpelt volgens eiser door in zijn mogelijkheid om te verklaren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers biseksualiteit niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Zo heeft verweerder eiser uitvoering en concreet gemotiveerd tegengeworpen dat hij wisselend en vaag heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid, dat hij oppervlakkig en summier heeft verklaard over zijn relatie met de man uit Weert en dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving rondom zijn seksuele gerichtheid en de ontdekking daarvan. Eiser heeft niet concreet toegelicht op welke punten de motivering van verweerder tekort zou schieten. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze tegenwerpingen niet heeft kunnen maken. De enkele stelling dat eiser heeft geprobeerd om zijn gevoelens op een open en oprechte manier te uiten en antwoord te geven op de vragen is hiervoor onvoldoende. Hieruit blijkt immers niet waarom verweerder zich ten onrechte op het standpunt zou hebben gesteld dat eiser wisselend, vaag en summier heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en zijn relatie met de man uit Weert of uit welke concrete verklaringen blijkt dat eiser wel inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving rondom de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid. Ook uit eisers stelling dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn referentiekader blijkt dit niet. Eiser heeft ook hier niet concreet gemaakt waaruit blijkt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat eiser tijdens het gehoor meermaals de kans heeft gekregen om te verklaren over zijn gerichtheid en dat de hoormedewerker op meerdere momenten in het gehoor de vraag over eisers gevoelens heeft herhaald of op een andere manier heeft gevraagd. Ook heeft de hoormedewerker een aantal keer aan eiser uitgelegd waarom een vraag werd gesteld. Verweerder heeft met deze manier van handelen naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat het voor eiser mogelijk moeilijk is om over zijn seksuele gerichtheid te praten. Verder stelt verweerder niet ten onrechte dat van eiser mag worden verwacht dat hij in grote lijnen inzicht geeft in zijn gevoelswereld en dat hij consistent verklaart over het moment dat hij besefte biseksueel te zijn. Verweerder stelt, gelet op de niet concreet betwiste tegenwerpingen, niet ten onrechte dat eiser hier niet in is geslaagd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers biseksualiteit niet geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
IPOB
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het derde asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser stelt dat hij niet vaag heeft verklaard over zijn rol bij IPOB. Verder kan eiser niet worden tegengeworpen dat de tijdlijn waarin de gestelde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden onduidelijk is. Verweerder heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser al jaren in Europa verblijft en dat wat eiser heeft meegemaakt zeer traumatisch is geweest. Eiser heeft daarom moeite met het benoemen van exacte data. Op de zitting heeft eiser nog verwezen naar de overgelegde foto’s. Volgens eiser heeft verweerder nagelaten om deze foto’s in zijn beoordeling mee te nemen.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser enige algemene kennis over IPOB heeft en dat eiser betrokken is bij het doel van IPOB. Eiser heeft bij zijn aanmeldgehoor en nader gehoor verschillende documenten en foto’s overgelegd, waaronder foto’s van eiser tijdens verschillende demonstraties en foto’s van eiser met de IPOB-vlag. Een aantal van deze foto’s zijn ook op facebook, dan wel Instagram geplaatst en zijn dus openbaar. Op de zitting heeft eiser hierover verklaard dat een deel van de foto’s is genomen in Nigeria en een deel in Frankrijk, dat er online op de foto’s is gereageerd en dat hij in die reacties soms ook wordt bedreigd. Verweerder heeft op de zitting erkend dat deze foto’s niet expliciet zijn meegenomen in de besluitvorming. Volgens verweerder doen de foto’s echter niet af aan de verschillende tegenwerpingen die in het kader van het derde asielmotief zijn gedaan en leiden deze dus niet tot een ander oordeel over dit asielmotief. De rechtbank acht dit standpunt onvoldoende gemotiveerd en overweegt daartoe als volgt.
Verweerder werpt eiser in het kader van de geloofwaardigheid van zijn lidmaatschap bij IPOB en de daaruit voortvloeiende problemen – kort samengevat – tegen dat onduidelijk is wat eisers rol bij IPOB is. Zo heeft eiser verklaard dat hij in 2014 coördinator is geworden (p. 2 proces-verbaal van verhoor 5 september 2022), maar ook dat hij voorzanger was en faciliterend helpt bij bijeenkomsten (p. 29 nader gehoor). Ook werpt verweerder eiser tegen dat hij wisselend heeft verklaard over de start en de duur van zijn lidmaatschap van IPOB. Eiser heeft verklaard dat hij in 2010, maar ook in 2012 lid is geworden (p. 10 en 11 nader gehoor). Uit de kopie van de lidmaatschapspas blijkt dat eiser in 2013 lid is geworden. Verder verklaart eiser volgens verweerder ook wisselend over zijn tijd in het bos en zijn tijd in de gevangenis. Zo heeft eiser verklaard dat hij een jaar aaneensluitend in het bos heeft verbleven (p. 11 nader gehoor), maar ook dat hij van 2011-2017 af en toe in het bos verbleef (p. 30 nader gehoor). Over de tijd in de gevangenis heeft eiser verklaard dat dit drie dagen was (p. 11 nader gehoor), maar ook dat dit een week was (p. 31 nader gehoor). Gelet op deze tegenwerpingen, en omdat eiser volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser lid is van IPOB en in het verlengde daarvan, dat eiser daardoor problemen heeft gehad.
Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft eisers gestelde lidmaatschap van IPOB en daaruit voortvloeiende problemen onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Uit de tegenwerping dat niet duidelijk is wanneer eisers lidmaatschap bij IPOB is aangevangen, volgt niet zonder meer dat eiser in Nigeria geen lid was van IPOB dan wel daar niet feitelijk bij betrokken was. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiser heeft verklaard over verschillende activiteiten die hij in Nigeria heeft verricht voor IPOB. Wat betreft eisers verblijf in het kamp en de gevangenschap heeft verweerder in het bestreden besluit erkend dat daarover had moeten worden doorgevraagd, maar onduidelijk is in hoeverre die erkenning doorwerkt in verweerders beoordeling. Eiser heeft bovendien ter onderbouwing van zijn betrokkenheid bij IPOB (naast documenten) foto’s overgelegd die in Nigeria zouden zijn gemaakt. Verweerder heeft eiser over die foto’s tijdens het nader gehoor (kennelijk wegens tijdgebrek) geen vragen gesteld en is hier in zijn reactie op de zitting onvoldoende concreet op ingegaan. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij na zijn vertrek uit Nigeria ook in Europa activiteiten heeft ondernomen voor IPOB, wat hij ook met foto’s en documenten aannemelijk heeft willen maken. Verweerder heeft over die activiteiten in Europa niet doorgevraagd en heeft de foto’s ook niet in het bestreden besluit betrokken. Daarnaast zijn enkele foto’s online te zien en heeft eiser verklaard dat hierop met bedreigingen is gereageerd. Verweerder heeft ook dit niet in zijn beoordeling betrokken, terwijl hier naar het oordeel van de rechtbank wel een mogelijke vrees bij terugkeer uit kan volgen. Gelet op dit alles slaagt de beroepsgrond.
Afkomst, vrouwenbesnijdenis en onbesneden dochter
6. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen de overwegingen van verweerder over het vierde asielmotief, zodat dit onderwerp geen bespreking behoeft.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op wat hiervoor onder 5.1. en verder is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit ten aanzien van het gestelde lidmaatschap van IPOB en de daaruit voortvloeiende problemen niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is op dat punt dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het besluit van 20 augustus 2025 voor zover dit ziet op het derde asielmotief. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van dit deel van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Verweerder moet eiser aanvullend horen en een nieuw dan wel aanvullend besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van zes weken.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en tweemaal 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 20 augustus 2025 voor zover dit ziet op het gestelde lidmaatschap van IPOB en daaruit voortvloeiende problemen;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw dan wel aanvullend besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.