RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15695
geboren op [geboortedatum] 1992, Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).
Procesverloop
Op 20 februari 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank tijdig in kennis gesteld van de opgelegde bewaringsmaatregel, welke kennisgeving tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de kennisgeving op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om in persoon door de rechtbank te worden gehoord over de vrijheidsontnemende maatregel en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is op 20 februari 2026 overgenomen van de Duitse autoriteiten en is aansluitend opgehouden en in bewaring gesteld op de zogenoemde asielgrond omdat hij een opvolgende asielaanvraag heeft gedaan.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
In de maatregel is tevens artikel 59b, onder c, Vw opgevoerd.
3. Verweerder heeft in de aanbiedingsbrief onder meer aangegeven dat op 7 maart 2026 een besluit is genomen op de opvolgende asielaanvraag en dat daarin is bepaald dat de maatregel met ten hoogste drie maanden is verlengd. Verweerder heeft ook aangegeven dat de grond 59b aanhef en onder c, Vw 2000 ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd.
4. Eiser heeft zich ten aanzien van de rechtmatigheid van de maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5. De rechtbank overweegt dat eiser voorafgaand aan oplegging van de maatregel is overgedragen door de Duitse autoriteiten en dus niet in bewaring ter fine van verwijdering werd gehouden toen hij zijn opvolgende asielaanvraag deed. Verweerder heeft daags voor de zitting dus terecht de grondslag van artikel 59b aanhef en onder c, Vw 2000 ingetrokken.
6. Eiser wordt in bewaring gehouden op de zogenoemde asielgrond. Omdat eiser door het indienen van zijn opvolgende asielaanvraag rechtmatig verblijf heeft, heeft eiser geen terugkeerverplichting. Omdat eiser geen terugkeerverplichting heeft, kan verweerder het onttrekkingsrisico niet onderbouwen met zware grond 3i. Verweerder stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat hij deze grond ‘alvast’ mag opvoeren voor het geval de asielaanvraag wordt afgewezen. Verweerder moet namelijk eerst onderzoeken of hij internationale bescherming moet verlenen en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zal verweerder zich eerst moeten vergewissen van de houding van eiser ten aanzien van terugkeer naar Algerije indien zijn opvolgende asielaanvraag wordt afgewezen. Verweerder mag niet vanwege de eerdere gedragingen en proceshouding van eiser er van uitgaan dat dit een ‘flauwekul-aanvraag’ is en de terugkeerverplichting zonder meer zal herleven na afronding van de asielprocedure. Indien verweerder eiser op de asielgrond in bewaring wil stellen, zal verweerder dus moeten motiveren dat er een risico bestaat dat eiser zich aan de asielprocedure zal onttrekken en dit risico kan niet worden onderbouwd met zware grond 3i.
7. Eiser heeft, nadat hij is overgenomen van de Duitse autoriteiten, een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder moet, indien hij zich wil beraden of hij eiser in bewaring zal stellen, onderzoeken of het noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om de maatregel op te leggen. Dit onderzoek vindt met name plaats door eiser te horen. Omdat eiser een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, moet verweerder dus onderzoeken of eiser gedurende de asielprocedure in bewaring moet worden gehouden. Voor een maatregel op de asielgrond gelden namelijk andere vereisten dan voor een maatregel die ter fine van terugkeer naar een derde land, ter fine van een Dublinoverdracht of ter fine van terugkeer naar de statusverlenende lidstaat gelden. Dit volgt ook uit het arrest Bouskoura (arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura, C tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C‑387/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:868, punt 46) en is door het Hof als rechtvaardiging gezien voor het niet verplicht in vrijheid stellen van een vreemdeling indien een onmiddellijk voorafgaande maatregel onrechtmatig is maar die op een andere grondslag is gestoeld.
8. Verweerder moet in zijn gehoor dus onderzoeken of het noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om de vrijheid van eiser te ontnemen om te bewerkstelligen dat de asielprocedure kan worden doorlopen en kan worden afgerond. Deze situatie verschilt wezenlijk van de situatie waarin een vreemdeling illegaal in de Unie verblijft en verweerder, omdat deze vreemdeling niet aan zijn terugkeerverplichting voldoet, verplicht is om de vreemdeling te verwijderen naar het land van terugkeer. In artikel 8, eerste lid, van richtlijn 2013/33 heeft de Uniewetgever bepaald dat de lidstaten een persoon niet in bewaring houden om de enkele reden dat hij een verzoek om internationale bescherming indient. In de UNHCR Detention Guidelines (Guidelines on the applicable criteria and standards relating to the detention of asylum-seekers and alternatives to detention) is ook benadrukt dat bewaring vanwege de enkele indiening van een asielverzoek niet gerechtvaardigd is en hiernaar is ook verwezen in de Judicial analysis on detention of applicants for international protection in the context of the Common European Asylum System van EUAA. In artikel 8, derde lid, van richtlijn 2013/33 zijn de redenen om een asielzoeker in bewaring te mogen stellen limitatief opgesomd en in artikel 9 van deze richtlijn is bepaald dat een asielzoeker slechts in bewaring wordt gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 8, lid 3, genoemde redenen van toepassing zijn. Uit het gehoor moet dus blijken dat verweerder zich van dit kader bewust is. Indien de KMar in de M110 vermeldt op welke dag en op welk tijdstip eiser wordt gehoord en dan een kruisje zet bij “59b” dient vervolgens uit het verslag van de vragen die aan eiser zijn gesteld te blijken dat de KMar ook begrijpt dat een maatregel op de asielgrond een ander doel dient en deels aan andere vereisten moet voldoen dan een maatregel op een andere grondslag.
9. De rechtbank kan op grond van de M110 geen enkele aanwijzing vinden dat degene van de KMar die eiser heeft gehoord begrijpt dat eiser door het indienen van de asielaanvraag vooralsnog niet hoeft terug te keren naar zijn land van herkomst omdat eerst door de IND beoordeeld zal worden of zijn asielaanvraag moet worden ingewilligd. Alle vragen hebben betrekking op de terugkeer naar Algerije, de eerdere reisbewegingen van eiser, zijn inspanningen om documenten te verkrijgen, de vrees bij terugkeer, de 8 EVRM-vragen die zien op gevolgen voor eventuele partners als eiser terugkeert naar Algerije en de vraag of hij contact wil opnemen met de Algerijnse autoriteiten. Dat de medewerker van de KMar een onttrekkingsrisico aanneemt moge zo zijn, echter de vragen die tot deze conclusie leiden zien op het onderzoek of er een risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan de gedwongen terugkeer en niet op een risico dat eiser zich aan de asielprocedure zal onttrekken. De rechtbank wijst ter illustratie op de navolgende passages:
(…)
Ik ben hulpofficier van justitie voor de vreemdelingenwet. Ik ben hier om te beoordelen of ik u in vreemdelingenbewaring zal stellen. De maatregel van bewaring houdt in dat u van uw vrijheid ontnomen blijft tot het moment dat u wordt uitgezet of een rechtbank anders beslist.
(…)
Wilt u dat wij de ambassade/consul van Algerije in kennis stellen dat u hier bent en bijstand wenst?
(…)
Er zijn reeds een terugkeerbesluit 0 dagen aan u uitgereikt, deze zijn nog van kracht. Bij beschikking zijn uw eerdere aanvragen tot verblijf afgewezen. Ik ben voornemens met het oog op vertrek u in vreemdelingen bewaring te stellen. Er zijn hier in mijn ogen ook voldoende gronden voor.
(…)
Bent u in het bezit van (reis)documenten?
Nee die heb ik niet.
Heeft u ooit wel een (reis)document gehad?
Ja ik heb ze wel gehad maar ik weet niet meer waar ik ze heb gelaten. Maar ik heb ze nooit meegenomen naar Europa.
Bent u in bezit van een visum of verblijfsvergunning?
Nee.
Heeft u in al die tijd dat u hier bent via de ambassade of consulaat van Algerije geprobeerd een reisdocument te verkrijgen?
Nee dat heb ik niet gedaan.
(…)
U bent voordat u in Nederland kwam door meerdere EU landen gereisd, heeft u daar ergens asiel aangevraagd?
Ja ik heb in Oostenrijk asiel aangevraagd maar deze is afgewezen. Daarna ben ik naar Nederland gekomen.
Op 21-03-2024 heeft u een asielaanvraag ingediend en is deze afgewezen. U heeft hierna een terugkeerbesluit gekregen van 0 dagen. U heeft hier niet aan voldaan en vandaag, op 20-02-2026 hebben wij u overgedragen gekregen van de Duitse autoriteiten. Waar bent u al die tijd verbleven?
Ik ben eerst nog een tijdje in Nederland verbleven daarna ben ik naar Duitsland gegaan. Ik ben in Duitsland naar een vriend gegaan in Bochum en heb daar verbleven. Daarna ben ik in Duitsland opgepakt door de Politie.
Op 19-07-2024 heeft u een terugkeerbesluit 0 dagen ontvangen wat inhield dat u niet langer rechtmatig in Nederland mocht verblijven en onmiddellijk diende terug te keren naar Algerije. Kunt u mij daar meer over vertellen waarom bent u niet vertrokken?
(…)
Bent u bekend met de ambassade of het consulaat van Algerije?
Nee.
Zoals ik u eerder zei bent u verplicht om terug te keren naar Algerije, gaat u daar mee akkoord?
Nee, ik kan niet terug naar Algerije ik heb daar veel problemen.
Wilt u dat nog toelichten?
Heeft u te vrezen voor vervolging en/of onmenselijke/vernederende behandeling waartegen het land van bestemming, Algerije, u niet beschermt?
Nee ik ga daar echt niet terug naar toe ze gaan mij niet goed behandelen daar.
Kunt u mij vertellen waar dit uit blijkt?
(…)
De maatregel vreemdelingenbewaring houdt in nogmaals dat u voorafgaand aan een voorgenomen onvrijwillige terugkeer naar uw land van herkomst zal moeten verblijven in een speciaal daartoe ingericht cellencomplex. Wat is uw zienswijze ten aanzien van het voornemen om aan u deze vrijheid ontnemende maatregel op te leggen?
(…)
Wilt u dat ik de ambassade of het consulaat van Algerije in kennis stel van het voornemen tot inbewaringstelling?
Nee
Ik ga mij nu even terugtrekken om een belangenafweging te maken. Aan de hand daarvan zal ik gaan beslissen wat voor maatregel ik u ga opleggen. Begrijpt u dat?
Ja
Ik heb u zojuist medegedeeld dat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat u zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarom ben ik niet voornemens om in uw geval te kiezen voor het toepassen van een lichter middel.
Heeft u te vrezen voor vervolging en/of onmenselijke/vernederende behandeling waartegen het land van bestemming, Algerije, u niet beschermt?
Nee ik ga daar echt niet terug naar toe ze gaan mij niet goed behandelen daar.
Kunt u mij vertellen waar dit uit blijkt?
(…)
10. De rechtbank overweegt dat er geen enkele vraag is gesteld naar de beweegredenen van eiser om een opvolgende asielaanvraag in te dienen en geen enkele vraag is gesteld of eiser voornemens is om daadwerkelijk verklaringen over asielmotieven af te leggen en ook de beslissing op die aanvraag af te wachten. In dit bewaringsgehoor hoeft niet te worden onderzocht of sprake is van een refoulementrisico omdat dit nu juist in de asielprocedure geschiedt na een gehoor door een specifiek daartoe opgeleide hoormedewerker van de IND. Deze vragen naar de vrees bij terugkeer zijn wel relevant als een maatregel wordt overwogen om de terugkeer te verzekeren. In dat geval moet namelijk voorafgaand aan de oplegging van de maatregel worden beoordeeld of het beginsel van non-refoulement aan de verwijdering in de weg staat. Als dat zo is bestaat er immers geen zicht op uitzetting en dit moet worden beoordeeld voorafgaand aan het opleggen van de maatregel ter fine van verwijdering. Deze vragen hebben dus een ander doel en daarom ook een andere strekking en inhoud.
11. Verweerder heeft ter zitting erkend dat uit de inhoud van het bewaringsgehoor niet valt af te leiden dat het gehoor ertoe strekt om te onderzoeken of eiser in bewaring moet gesteld om de asielprocedure te verzekeren.
12. De rechtbank heeft ter zitting besproken dat de Afdeling op 13 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1429) een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1898) heeft vernietigd waarin de rechtbank een beroep gegrond heeft verklaard omdat het bewaringsgehoor ook op geen enkele wijze -inhoudelijk - te relateren was aan de grondslag waar de uiteindelijk opgelegde maatregel op was gebaseerd. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 maart 2026 onder meer het navolgende overwogen:
(…)
2. De minister klaagt in zijn enige grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. Van belang is dat het proces-verbaal van het voorafgaand aan de inbewaringstelling gehouden gehoor er blijk van geeft dat de minister onderkent dat betrokkene een asielaanvraag heeft ingediend. Dat is in deze zaak het geval. De minister heeft in dit proces-verbaal aangekruist dat betrokkene in bewaring zal worden gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Tijdens het gehoor heeft de minister betrokkene allereerst meegedeeld dat wordt onderkend dat hij opnieuw asiel wil aanvragen. Vervolgens zijn er vragen gesteld over zijn identiteit en is hem gevraagd of hij in het bezit is van identiteitsdocumenten. Dat is van belang voor de vraag of betrokkene op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring kon worden gesteld.
Voor zover de minister aan betrokkene vragen heeft gesteld over het terugkeerbesluit en de bereidheid van betrokkene om mee te werken aan zijn terugkeer, voert de minister terecht aan dat dit op zichzelf niet maakt dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid. Het gehoor moet in zijn geheel worden beoordeeld. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, mag de minister deze vragen ook stellen wanneer nog niet in rechte vaststaat dat aan betrokkene geen internationale bescherming zal worden verleend. Deze vragen zijn immers van belang om vast te kunnen stellen of er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee zijn deze vragen relevant voor de vraag of de minister artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als wettelijke grondslag voor de maatregel van bewaring mag gebruiken. Van een onzorgvuldige voorbereiding van de maatregel van bewaring is dus niet gebleken.
(…)
13. De rechtbank volgt dit ten dele. Het ‘zetten van een kruisje’ bij het opmaken van de M110 kan echter niet worden gekwalificeerd als een indicatie dat is onderzocht of de vreemdeling gedurende de asielprocedure in bewaring moet worden gehouden. Dat aan de vreemdeling wordt gevraagd of de ambassade of consul van het herkomstland in kennis moet worden gesteld van het verblijf is daarentegen een buitengewoon sterke indicatie dat in het geheel niet is onderkend wat een asielaanvraag eigenlijk inhoudt. Vanzelfsprekend zijn er vragen gesteld om te onderzoeken of sprake is van een onttrekkingsrisico. Als er geen onttrekkingsrisico is, is er immers geen enkele maatregel op welke grondslag dan ook mogelijk. Dit geldt ook voor de vragen naar familieleven en de gezondheid. Deze vragen moeten altijd worden gesteld omdat de antwoorden relevant zijn voor de beoordeling of met een lichter middel kan en dus moet worden volstaan. Vanzelfsprekend worden ook vragen gesteld naar de identiteit. Deze vragen zijn echter ook bij elke maatregel op elke grondslag relevant. De maatregel wordt echter met een specifiek doel opgelegd en dit betekent simpelweg dat het bewaringsgehoor niet alleen op de persoon van de individuele vreemdeling, maar ook op het concrete doel dat het met de vrijheidsontneming wordt beoogd moet zijn toegespitst. Dat in de vragen kan worden ingelezen dat de antwoorden van de vreemdeling relevant zijn om te beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 8, derde lid, van richtlijn 2013/33 is voldaan, betekent nog niet dat is onderkend dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend en moet worden beoordeeld of eiser zich aan de asielprocedure zal onttrekken en daarom het opleggen van de maatregel noodzakelijk is. Nu dit in het geheel niet het geval is, is de maatregel onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank merkt hierbij op dat in het bewaringsgehoor in de onderhavige procedure niet is besproken en in de M110 niet is vermeld dat eiser een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend. De rechtbank concludeert dan ook dat enkel het kruisje bij 59b Vw 2000 te relateren is aan de asielprocedure die eiser inmiddels vanuit bewaring heeft doorlopen. Op grond van de inhoud van de M110 kan dus niet worden vastgesteld dat verweerder grondig en zorgvuldig heeft onderzocht of eiser in bewaring moest en kon worden gesteld nadat hij een asielaanvraag had ingediend. De rechtbank overweegt hierbij dat de motivering van de maatregel ook veel meer betrekking heeft op de motivering om eiser in bewaring ter fine van verwijdering te stellen. Daargelaten dat zware grond 3i is opgevoerd om het onttrekkingsrisico te onderbouwen, ziet de toelichting op de andere gronden ook met name op het risico dat eiser zich aan de verwijdering onttrekt en is – geheel onnodig bij de asielgrond - gemotiveerd waarom zicht op uitzetting niet ontbreekt. De lichter middel-overweging begint ook met de motivering dat ‘door betrokkene ook niet overtuigend is gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan.’. Dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is, zou vervolgens moeten blijken uit de motivering dat ‘diens inbewaringstelling niet onevenredig bezwaarlijk is omdat het voornemen blijft bestaan om betrokkene de maatregel vreemdelingenbewaring op te leggen op grond van de reguliere terugkeer naar Algerije. Ik schat namelijk het risico op onttrekking aanwezig als betrokkene niet in bewaring gaat, aangezien betrokkene al eerder een terugkeerbesluit ontvangen heeft waarin staat dat hij Nederland binnen 0 dagen diende te verlaten en betrokkene daaraan niet heeft voldaan.’.
14. Het Hof heeft meermalen bevestigd dat elke bewaringsmaatregel een ernstige inbreuk op het grondrecht op vrijheid behelst. De rechtbank overweegt dat dit betekent dat elke bewaringsmaatregel maatwerk vereist en dat verweerder uiterste zorgvuldigheid moet betrachten bij het onderzoeken of de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Het gaat er hierbij niet om dat bij de juiste wettelijke bepaling een kruisje is gezet. Het in bewaring stellen vereist dat degenen die hiermee zijn belast een basiskennis hebben van de bewaringsregels en de verschillende grondslagen van elkaar kunnen onderscheiden en ook doorgronden welke vereisten worden gesteld en ter verzekering van welke waarborgen en bescherming die dienen. Het gehoor moet in zijn geheel worden beoordeeld, maar de asielaanvraag van eiser is in het gehele gehoor niet aan de orde geweest. Ook bij een integrale lezing van de M110 en de M109b kan de rechtbank niet vaststellen dat alvorens de maatregel op te leggen is onderkend dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend.
15. De maatregel is dus onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende daadkrachtig gemotiveerd. De rechtbank zal de maatregel dan ook opheffen.
16. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder niet heeft weten te onderbouwen dat voldoende voortvarend is gewerkt om het doel van de maatregel te verwezenlijken. Elke maatregel moet steeds zo kort mogelijk duren en verweerder moet inspanningen leveren om hiervoor zorg te dragen. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend en deze asielprocedure moet dan ook voortvarend ter hand worden genomen. Uit het dossier blijkt dat eiser op 20 februari 2026 een asielaanvraag heeft gedaan en dat op 25 februari 2026 de planning voor de asielprocedure is gemaakt en eiser op 3 maart 2026 zou worden gehoord. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom de eerste handeling die daadwerkelijk te maken heeft met het doel waarvoor de maatregel is opgelegd pas op de 12e dag na de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd heeft plaatsgevonden. Het plannen van de asielprocedure en het vervoeren naar Schiphol geschiedt ook, maar de asielprocedure vangt aan het met horen van eiser. Indien de maatregel zo kort mogelijk moet duren, valt niet in te zien waarom de ‘Planning AC Schiphol’ pas op 25 februari 2026 een planning maakt. Weliswaar is niet met zekerheid te zeggen dat indien de planning daags na oplegging van de maatregel zou zijn gemaakt, ook eerder gehoord zou kunnen worden. De bewijslast voor het rechtmatige karakter van de oplegging en de voortduring van de maatregel rust op verweerder. Het is dus ook aan verweerder om te onderbouwen dat voldoende voortvarendheid is betracht. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat er allerlei omstandigheden kunnen zijn waarom de planning pas op 25 februari 2026 is gemaakt en er vervolgens pas op 3 maart 2026 is gehoord. De rechtbank is het daar mee eens, maar om te beoordelen of sprake is van dergelijke omstandigheden die het tijdsverloop voorafgaand aan de start van de asielprocedure kunnen verklaren én kunnen rechtvaardigen moet de rechtbank wel worden geïnformeerd welke omstandigheden dit dan zijn. Verweerder heeft daar desgevraagd geen nadere informatie over kunnen verschaffen. Dat de asielprocedure op zichzelf beschouwd voortvarend is verlopen, namelijk na een gehoor op 3 maart 2026, reeds op 7 maart 2026 een beslissing op de opvolgende asielaanvraag, laat onverlet dat verweerder vanaf het moment dat hij de maatregel oplegt voortvarend moet handelen. Dat is hier onvoldoende gebeurd, althans dat is onvoldoende door verweerder onderbouwd. De rechtbank overweegt dat dit een zelfstandige reden is om de maatregel onrechtmatig te achten.
17. De rechtbank concludeert dus dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid, ontoereikend is gemotiveerd en dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende voortvarend heeft gewerkt. De rechtbank zal dan ook de onmiddellijke opheffing van de maatregel bevelen en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser gelasten.
18. Eiser is onrechtmatig in bewaring gesteld en gehouden. De rechtbank zal eiser daarom in aanmerking brengen voor schadevergoeding en ziet geen aanleiding om af te wijken van de standaardmatig gehanteerde bedragen (€ 160,- per dag bewaring in een politiecel en € 120,- per dag bewaring in het DTC), zodat eiser aanspraak maakt op een bedrag van € 4.960,- (1 x €160,- + 40 x € 120,-)
19. De rechtbank spreekt een proceskostenveroordeling uit omdat het beroep gegrond is en hanteert daarvoor de standaardmatig toegekende punten en bedragen, waarbij de rechtbank geen punt toekent voor de kennisgeving.
20. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.960,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 april 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.