ECLI:NL:RBDHA:2026:7574

ECLI:NL:RBDHA:2026:7574

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer 09/008577-26 (dagvaarding I), 09/303559-25 (dagvaarding II), 09/352371-25 (dagvaarding III), 15/014983-25 (dagvaarding IV), 10/351218-25 (dagvaarding V) en 09/240514-23 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bezit van harddrugs en softdrugs. Rijden zonder rijbewijs. Niet meewerken aan een bloedproef op bevel van de politie. Vernielen van diverse ruiten van woningen en van een casino. Uitgebreid strafblad. Een langere onvoorwaardelijk gevangenisstraf dan door de officier van justitie gevorderd. Een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de langdurige klinische opname. Geen dadelijke uitvoerbaarheid en geen locatieverbod.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/008577-26 (dagvaarding I), 09/303559-25 (dagvaarding II),

09/352371-25 (dagvaarding III), 15/014983-25 (dagvaarding IV), 10/351218-25 (dagvaarding V) en 09/240514-23 (tul), ter terechtzitting gevoegd.

Datum uitspraak: 2 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

verblijfadres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.N. de Jager naar voren is gebracht.

2. De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen I tot en met V.

De tekst van de tenlasteleggingen zijn in bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Ten aanzien van dagvaarding I, dagvaarding II onder feiten 1 en 2, dagvaarding III onder feit 1 en dagvaarding IV onder feiten 1, 2 en 3

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen. De rechtbank zal ten aanzien van de bij dagvaarding I, bij dagvaarding II onder 1 en 2, bij dagvaarding III onder 1 en bij dagvaarding IV onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen te verklaren feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring, waarbij zij bij dagvaarding II onder feit 2 heeft opgemerkt dat het bezit van een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van dagvaarding III onder feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde, namelijk het op 29 december 2025 te Delfgauw opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hasj met een gewicht van meer dan 30 gram. Het ten laste gelegde gewicht van 132,9 gram hasj kan volgens de officier van justitie niet bewezen worden, omdat de aangetroffen hasj bestaat uit twee blokjes hasj in de tas van de verdachte met een gewicht van 22,5 gram en een blok hasj met een gewicht van 98,9 gram in de middenconsole van de auto waarin de verdachte werd aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van hasj met een gewicht van meer dan 30 gram, zoals onder feit 2 ten laste gelegd, omdat geen sprake was van opzet bij het bezit van het blok hasj van 98,9 gram in de middenconsole. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de hasj kennelijk al aanwezig was in de auto die de verdachte heeft geleend van een vriendin en dat hij het blok hasj niet als zodanig heeft herkend, omdat het was ingepakt in folie en op de wikkel de tekst ‘Dubai chocolate’ stond.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert aan de hand van de bekennende verklaring van de verdachte dat hij op 29 december 2025 in Delfgauw twee blokjes hasj met een gezamenlijk gewicht van 22,5 gram opzettelijk in zijn bezit heeft gehad. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de verdachte ook opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van het blok hasj dat werd aangetroffen in de middenconsole van de auto. De rechtbank overweegt hieromtrent dat het mogelijk is dat het blok door de wikkel met de tekst ‘Dubai chocolate’ niet door de verdachte is herkend als hasj. Door deze omstandigheid kan naar het oordeel van de rechtbank niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de aanwezigheid van het blok hasj in de middenconsole. De rechtbank komt op grond hiervan niet tot een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hasj van meer dan 30 gram en zal de verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van dagvaarding V

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit, namelijk vernieling van diverse ruiten van woningen aan de [straatnaam] te Rotterdam, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

De verdachte heeft hiertoe aangevoerd dat aan de hand van de camerabeelden en de getuigenverklaringen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de betreffende ruiten van de woningen aan de [straatnaam] in Rotterdam heeft vernield. De wondjes die op zijn handen zijn aangetroffen, zijn het gevolg van zijn werkzaamheden als installateur van zonnepanelen, aldus de verdachte.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 december 2025 de ruiten van de woningen aan de [straatnaam] [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] in Rotterdam heeft ingegooid. Tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte staan de verklaringen van getuigen die in de nacht van 27 december 2025 een man hoorden schreeuwen. De getuigen hebben gezien dat de betreffende persoon diverse ruiten van woningen aan de [straatnaam] ingooide. Zij hebben bovendien gezien dat die man door de politie werd aangehouden in de directe omgeving van de woningen. Door het korte tijdsverloop tussen het ingooien van de ruiten en het aantreffen en aanhouden van de verdachte in de directe omgeving van de woningen, met open snijwondjes aan zijn hand, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat het de verdachte is geweest die de ruiten van de woningen van de [straatnaam] heeft vernield. De door de verdachte ter zitting afgelegde verklaring dat de wondjes zijn ontstaan door zijn werkzaamheden als installateur van zonnepanelen, acht de rechtbank gelet op de voormelde omstandigheden niet aannemelijk.

Eindconclusie

De verdachte wordt vrijgesproken van het bij dagvaarding III onder 2 ten laste gelegde feit.

De rechtbank acht de bij dagvaarding I, bij dagvaarding II onder 1 en 2, bij dagvaarding III onder 1, bij dagvaarding IV onder 1, 2 en 3 en de bij dagvaarding V ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van dagvaarding I

hij op of omstreeks 9 januari 2026 te Waddinxveen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 8,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Ten aanzien van dagvaarding II 1hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Zoetermeer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,4 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 8,0 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Zoetermeer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 52,1 gram henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Ten aanzien van dagvaarding III 1hij op of omstreeks 29 december 2025 te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk en wederrechtelijk de ruit (van een deur), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [casino], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Ten aanzien van dagvaarding IV 1hij op of omstreeks 30 december 2024 te Berkhout en/of Hoorn, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bedrijfsauto en/of bestelauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

2hij op of omstreeks 30 december 2024 te Berkhout en/of Hoorn, in elk geval in Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de A7, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto en/of bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3hij op of omstreeks 30 december 2024 te Berkhout en/of Hoorn, in elk geval in Nederland, op de weg, de A7, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto en/of bestelauto), van categorie B heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven;

Ten aanzien van dagvaarding V

hij op of omstreeks 27 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan- [benadeelde 1] en/of- [benadeelde 2] en/of- [benadeelde 3] en/of- [benadeelde 4],toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 104 dagen voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden te bevelen. Tot slot heeft de officier van justitie een locatieverbod gevorderd, inhoudende dat de verdachte zich niet mag bevinden op de [straatnaam] in Rotterdam.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij een eventuele veroordeling aan te sluiten bij de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf met aftrek van de duur van het voorarrest. Ten aanzien van het reclasseringsadvies heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte open staat voor hulp in de vorm van ambulante begeleiding en zo nodig een kortdurende klinische opname. De verdachte heeft zelf aangegeven dat hij niet achter een langdurige klinische opname staat, die mogelijk wel nodig is voor een doeltreffende behandeling van de verslaving van verdachte. Hij wil minder zwaarwegende alternatieven verkennen en hecht waarde aan het behouden van zijn inkomsten. Voorts heeft de raadsvrouw opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis verzocht.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse strafbare feiten, waaronder het bezit van harddrugs en softdrugs, het rijden zonder rijbewijs, het niet meewerken aan een bloedproef op bevel van de politie en het vernielen van diverse ruiten van woningen en van een casino. De rechtbank vindt dit ernstige feiten en rekent deze de verdachte aan.

Het is algemeen bekend dat het bezit van harddrugs en softdrugs veelal leidt tot verslaving aan het gebruik ervan. Dit vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Bovendien heeft een groot deel van de criminaliteit direct of indirect zijn oorsprong in de handel in en het gebruik van verdovende middelen, met veel geweld, schade en overlast als gevolg.

Het rijden zonder geldig rijbewijs en het weigeren van een bevel van een politieagent om mee te werken aan een bloedproef, zijn strafbare feiten die ten koste gaan van de verkeersveiligheid. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij, ook zonder rijbewijs, auto blijft rijden om naar zijn werk te gaan. Het kennelijke gemak en de onverschilligheid waarmee de verdachte de Wegenverkeerswet blijft overtreden en de negatieve consequenties daarvan en de verbonden risico’s daaraan voor lief neemt, is naar het oordeel van de rechtbank verontrustend.

Met het plegen van vernielingen bij het casino in Delfgauw en bij woningen in Rotterdam heeft de verdachte geen blijk gegeven van respect voor de eigendomsrechten van anderen.

De verdachte heeft de bewoners van de getroffen woningen bovendien grote schrik aangejaagd. Hij heeft evenwel nauwelijks blijk gegeven van inzicht in zijn eigen handelen en lijkt zich niet te bekommeren om de overlast, schade en gevoelens van onveiligheid die zijn handelswijze heeft veroorzaakt. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het uitgebreide strafblad van de verdachte. Hieruit volgt dat de verdachte de afgelopen jaren veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere drugsfeiten, geweldsincidenten en overtredingen van de Wegenverkeerswet.,

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsrapporten over de verdachte van 11 januari 2026, 15 januari 2026 en 5 maart 2026, waaruit volgt dat sprake is van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Positief is dat de verdachte beschikt over dagbesteding en inkomsten, maar anderzijds heeft de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats, bevindt hij zich in een gebruikersnetwerk en kampt hij al jaren met een cocaïneverslaving. Door het middelengebruik komt de verdachte veelvuldig in beeld komt bij de politie. Niet weersproken is de mededeling van de officier van justitie dat verdachte na diens schorsing van de voorlopige hechtenis alweer driemaal wegens het plegen van een of meer misdrijven is aangehouden door de politie. Hij lijkt de ernst van zijn (delict)gedrag en problematiek onvoldoende in te zien en neemt in de optiek van de reclassering onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn gedrag.

Om de hoge risico’s op toekomstig delictgedrag te beheersen, heeft de reclassering geadviseerd de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, klinische opname in een zorginstelling, ambulante behandeling door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, verblijf in een begeleide wooninstelling en medewerking aan middelencontrole.

De straf

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. In strafverhogende zin neemt de rechtbank mee dat eerdere veroordelingen voor overtreding van de Opiumwet en de Wegenverkeerswet de verdachte er klaarblijkelijk niet van hebben weerhouden opnieuw soortgelijk strafbare feiten te plegen, zelfs niet tijdens een lopende proeftijd en een schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank vindt het verontrustend en zeer zorgelijk dat de verdachte niet of nauwelijks blijk geeft van inzicht in zijn gedrag en onverschillig lijkt ten aanzien van het naleven van wet en regelgeving. De negatieve consequenties van het overtreden van de wet voor zichzelf en voor de samenleving, lijkt de verdachte voor lief te nemen.

Om het delict patroon van de verdachte te doorbreken en hem de kans te geven het roer om te gooien, acht de rechtbank een langere onvoorwaardelijk gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden. Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opleggen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank zal een deel van die straf, te weten een maand, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden om te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

De rechtbank zal de langdurige klinische opname niet opnemen als bijzondere voorwaarde, nu ter terechtzitting is gebleken dat de ambulante begeleiding nog opgestart moet worden. De rechtbank is van oordeel dat de ambulante hulpverlening een kans van slagen moet krijgen.

Zo nodig kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.

Dadelijke uitvoerbaarheid van het toezicht (DUT)

Ten aanzien van door de officier van justitie gevorderde dadelijke tenuitvoerlegging van het toezicht (DUT) overweegt de rechtbank dat hiermee terughoudend dient te worden omgegaan. Een bevel strekkende tot dadelijke uitvoerbaarheid wordt in beginsel alleen gegeven indien ten laste van de verdachte een misdrijf is bewezenverklaard dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarnaast moeten er omstandigheden zijn waaruit volgt dat er ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake. De rechtbank wijst de door de officier van justitie gevorderde dadelijke tenuitvoerlegging van het toezicht derhalve af.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v: locatieverbod [straatnaam]

De officier van justitie heeft een locatieverbod gevorderd, inhoudende dat de verdachte zich niet mag begeven op de [straatnaam] te Rotterdam. De rechtbank begrijpt deze vordering aldus dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v wordt opgelegd, bestaande uit een verbod om op de [straatnaam] in Rotterdam te komen.

De rechtbank wijst deze maatregel af, nu het daarmee gemoeide belang niet in verhouding staat tot de inbreuk op de bewegingsvrijheid van de verdachte. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de [straatnaam] in Rotterdam 2,6 kilometer lang is en deel uitmaakt van de verbindingsroute tussen de noordrand van het centrum van Rotterdam en Schiedam. Het niet meer mogen betreden van deze weg resulteert voor de verdachte in een forse beperking van zijn bewegingsvrijheid. Daarbij komt dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij niet meer bij zijn slaapplaats op de [straatnaam] terecht kan en hij dientengevolge ‘weinig meer te zoeken heeft’ in de omgeving van de woningen waarvan hij de ruiten heeft vernield.

Op grond van een en ander is het gevorderde locatieverbod naar het oordeel van de rechtbank niet proportioneel. De rechtbank zal daarom het gevorderde locatieverbod afwijzen.

De voorlopige hechtenis

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen redenen om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 1.331,- gevorderd te vermeerderen met de wettelijke rente.

Dit bedrag bestaat uit de kosten van het vervangen van de monumentale ruit in zijn woning aan de [adres 2] in Rotterdam.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [benadeelde 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, vanwege de door de verdediging bepleite vrijspraak ten aanzien van de vernieling van de ramen van de woningen aan de [straatnaam] in Rotterdam. Subsidiair concludeert de verdediging ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] tot referte.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 3] toewijzen, inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat [benadeelde 3], als bewoner van de woning aan de [adres 2] , rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde vernieling door de verdachte van de ruit van de woning aan de [adres 2] in Rotterdam. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek is de verdachte gehouden om de door [benadeelde 3] geleden schade te vergoeden.

De rechtbank dient de schade op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en mag de hoogte zo nodig schatten. [benadeelde 3] heeft ter onderbouwing van de hoogte van de door hem geleden schade een kostenopgave van een glaszettersbedrijf in Den Haag overgelegd.

Uit deze bon blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat met het herstel van de ruit een bedrag van € 1.331,- gemoeid is geweest. De rechtbank stelt de schade daarom vast op een bedrag van € 1.331,- en zal de vordering van [benadeelde 3] toewijzen tot dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2025, de dag van de vernieling van de ruit.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering van [benadeelde 3] wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.331,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 3].

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

, bewoner van de woning aan de [adres 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een vergoeding van € 1.500,- gevorderd aan immateriële schade, gelegen in een verminderd gevoel van veiligheid en een slechte nachtrust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht toewijzing van een bedrag van € 500,- aan immateriële schade redelijk.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [benadeelde 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, vanwege de door de verdediging bepleite vrijspraak ten aanzien van de vernieling. Subsidiair concludeert de verdediging ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] tot afwijzing, nu de gestelde immateriële schade niet is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de [benadeelde 1] rechtstreeks schade heeft geleden door de vernieling van de ruit van zijn woning door de verdachte. Met betrekking tot de door [benadeelde 1] gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel de rechtbank kan invoelen dat het gebeuren in de nacht van 27 december 2025 de benadeelde partij niet onberoerd heeft gelaten, bevat het dossier geen objectieve en concrete gegevens (zoals medische stukken) waaruit volgt dat [benadeelde 1] als gevolg hiervan geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank kan bij gebreke van relevante informatie daaromtrent, niet vaststellen of sprake is van immateriële schade. Nader onderzoek hiernaar zou tot een onevenredige belasting van het strafgeding leiden. De rechtbank zal daarom [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding. Hij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

, (mede)bewoonster van de woning aan de [adres 4] in Rotterdam heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij heeft een blanco schadevergoedings-formulier retour gestuurd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich over de vordering van [benadeelde 2] niet uitgelaten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, vanwege de door de verdediging bepleite vrijspraak ten aanzien van de vernieling van de ramen van de woningen aan de [straatnaam] in Rotterdam. Subsidiair concludeert de verdediging tot afwijzing van de vordering van [benadeelde 2], bij gebrek aan een (onderbouwde) opgave van de schade.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de [benadeelde 2] rechtstreeks schade heeft geleden door de vernieling van de ruit van haar woning door de verdachte. Nu de benadeelde partij evenwel een blanco schadevergoedingsformulier heeft ingevuld, zal de rechtbank [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 21 januari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/240514-23 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 22 september 2023 voorwaardelijke opgelegde straf van 11 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de vordering af te wijzen bij gebrek aan toegevoegde waarde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering, nu de rechtbank is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd doordat hij zich voor het einde van de proeftijd wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 63, 350 van het Wetboek van Strafrecht;

- 9 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

- 2, 3, 10, 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding III onder 2, ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I, bij dagvaarding II onder 1 en 2, bij dagvaarding III onder 1, bij dagvaarding IV onder 1, 2 en 3 en bij dagvaarding V ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van dagvaarding II feit 1

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van dagvaarding II feit 2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van dagvaarding III feit 1

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien van dagvaarding IV feit 1

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van dagvaarding IV feit 2 en 3

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

en

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van dagvaarding V

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, te vernielen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 1 (EEN) maand, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

zich gedurende de proeftijd na uitnodiging meldt bij Fivoor Reclassering, Westerstraat 5-9,

te Rotterdam en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en

zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en (eventuele) psychische problematiek.

Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/ observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer de reclassering dit nodig acht. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

Beheersing middelengebruik

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik

en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

De voorlopige hechtenis

wijst af het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 1.331,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3];

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.331,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 13 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Deze vordering kan door de benadeelde partij bij de burgerlijke rechter worden aangebracht;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Deze vordering kan door de benadeelde partij bij de burgerlijke rechter worden aangebracht;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

Vordering tot tenuitvoerlegging

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 september 2023, gewezen onder parketnummer 09/240514-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. Verboom, voorzitter,

mr. J.M.J. Keltjens, rechter,

mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.

Bijlage I: de tenlastelegging

Ten aanzien van dagvaarding I

hij op of omstreeks 9 januari 2026 te Waddinxveen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 8,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Ten aanzien van dagvaarding II 1hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Zoetermeer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,4 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 8,0 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Zoetermeer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 52,1 gram henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Ten aanzien van dagvaarding III 1hij op of omstreeks 29 december 2025 te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk en wederrechtelijk de ruit (van een deur), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [casino], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2hij op of omstreeks 29 december 2025 te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 132,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Ten aanzien van dagvaarding IV 1hij op of omstreeks 30 december 2024 te Berkhout en/of Hoorn, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bedrijfsauto en/of bestelauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

2hij op of omstreeks 30 december 2024 te Berkhout en/of Hoorn, in elk geval in Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de A7, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto en/of bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3hij op of omstreeks 30 december 2024 te Berkhout en/of Hoorn, in elk geval in Nederland, op de weg, de A7, als bestuurder een motorrijtuig (bedrijfsauto en/of bestelauto), van categorie B heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven;

Ten aanzien van dagvaarding V

hij op of omstreeks 27 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan- [benadeelde 1] en/of- [benadeelde 2] en/of- [benadeelde 3] en/of- [benadeelde 4],toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?