RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7228
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. Bij besluit van 6 februari 2026 heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (hierna: de maatregel).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De vrijheidsbeperkende maatregel is op 25 februari 2026 opgeheven. Eiser heeft aangegeven het beroep te handhaven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
Overwegingen
2. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 kan door verweerder overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:
a. geen rechtmatig verblijf heeft;
b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d, en e.
Op grond van artikel 56, tweede lid, van de Vw 2000 blijft toepassing van het eerste lid achterwege wanneer, dan wel wordt de toepassing beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.
De vrijheidsbeperkende maatregel kan ingevolge artikel 5.1. van het Vreemdelingenbesluit 2000 bestaan uit:
een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of;
een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte
onbepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.
In paragraaf A5.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat vermeld dat, anders dan bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals neergelegd in de Vw 2000, een vrijheidsbeperkende maatregel in de regel niet disproportioneel zal zijn indien deze nodig is voor de voorbereiding van het vertrek van de vreemdeling. Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling voor het vertrekproces.
In paragraaf A5.5. van de Vc 2000 staat vermeld dat de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 – in combinatie met een toezichtmaatregel op grond van artikel 54 eerste lid, van de Vw 2000 – wordt opgelegd op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid aan de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft eiser verplicht om met ingang van 5 februari 2026 te verblijven in gemeente Westerwolde, waar hij zich op de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) te Ter Apel dient op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiser niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten, geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiser heeft geen recht meer op opvang en voorzieningen, zoals volgt uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 4 juli 2025waarbij het beroep ongegrond is verklaard en de voorlopige voorziening is afgewezen. Eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten omdat eiser geen vertrektermijn heeft gekregen.
4. Eiser stelt dat de maatregel onzorgvuldig tot stand is gekomen, en dat hij voorafgaand aan het opleggen hiervan niet wist wat de maatregel inhield. Het proces-verbaal van gehoor toont enkel dat eiser geen bezwaar zou hebben tegen het opleggen van de maatregel, maar bevat geen uitleg over de maatregel of vragen die aan eiser zijn gesteld ten aanzien van zijn belangen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat de maatregel onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser erop is gewezen dat hij zijn zienswijze kon geven over de op te leggen maatregel. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht contact te hebben gehad met de regievoerder vertrek met wie eiser heeft gesproken. Zij heeft tijdens het gesprek toegelicht wat de maatregel is, dat er een dagelijkse meldplicht is en dat moet worden gewerkt aan terugkeer. Eiser heeft tijdens dit gehoor en ook later in beroep geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die de rechtmatigheid van de maatregel kunnen raken. De rechtbank stelt vast dat niet concreet naar voren is gebracht hoe eiser in zijn belangen is geschaad of welke persoonlijke omstandigheden de minister ten onrechte niet zou hebben meegewogen bij het nemen van het besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser de vrijheidsbeperkende maatregel heeft mogen opleggen op 6 februari 2026. De rechtbank stelt vast dat de maatregel op 25 februari 2026 is opgeheven omdat eiser niet langer onder de doelgroep valt waar de vrijheidsbeperkende maatregel voor is bedoeld. Er is namelijk voor eiser momenteel geen zicht op uitzetting, en het verblijf op de VBL is bedoeld voor het werken aan terugkeer. Omdat de maatregel wel terecht is opgelegd en tot het moment van opheffing rechtmatig was, bestaat er geen aanleiding voor schadevergoeding.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.