[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. Bij besluit van 10 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw (de vrijheidsbeperkende maatregel).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister is verschenen. Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
3. Als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dit vordert kan de minister de bewegingsvrijheid beperken van de vreemdeling die:
- geen rechtmatig verblijf heeft; of
- rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e. Dit staat in artikel 56, eerste lid, van de Vw.
4. De minister heeft eiseres op grond van dit artikel verplicht om, met ingang van 16 februari 2026, te verblijven in de gemeente Westerwolde, waar zij zich in de VBL moet ophouden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiseres niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Verder beschikt eiseres niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en heeft zij niet voldoende middelen van bestaan. De minister heeft in aanvulling hierop overwogen dat de vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd omdat eiseres volgens de wet geen recht meer heeft op reguliere opvang en ze op deze wijze toegang heeft tot opvang.
5. De rechtbank is van oordeel dat de vrijheidsbeperkende maatregel zorgvuldig is voorbereid. Anders dan eiseres stelt, hoeft van het horen geen woordelijk verslag te worden gemaakt. Het gehoor is vastgelegd in het daarvoor bedoelde model M108B. In de Awb of de vreemdelingenrechtelijke wet- en regelgeving staat geen bepaling waaruit de verplichting voortvloeit tot een woordelijk verslag. Dat het gehoor samengevat is weergegeven maakt dus niet dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank overweegt daarnaast dat de hoormedewerker heeft vastgesteld dat eiseres de Nederlandse taal voldoende beheerst om hierin te worden gehoord. Eiseres heeft niet aangegeven op welke wijze zij in haar belangen is geschaad doordat ze in het Nederlands is gehoord. Ze heeft in beroep niet duidelijk gemaakt op welke wijze het verslag geen goede weergave vormt van wat zij heeft verteld of wat zij dan had willen zeggen.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de maatregel prematuur is opgelegd, omdat de vertrektermijn op 11 februari 2026 verliep. De vrijheidsbeperkende maatregel kan allereerst worden opgelegd als geen sprake is van rechtmatig verblijf. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft eiseres’ beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag op 13 januari 2026 ongegrond is verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening gevraagd. Het ingestelde hoger beroep heeft echter geen schorsende werking. Het hoger beroep is op 26 februari 2026 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Het voorgaande betekent dat eiseres ten tijde van het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel, op 10 februari 2026, geen rechtmatig verblijf had. In de vrijheidsbeperkende maatregel is daarbij aangegeven dat er geen concrete aanwijzingen waren dat eiseres van plan te voldoen aan haar vertrekplicht. Ook op de ingangsdatum van de vrijheidsbeperkende maatregel, op 16 februari 2026, had eiseres geen rechtmatig verblijf. De rechtbank overweegt verder dat ook bij rechtmatig verblijf een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd. In artikel 56, eerste lid en onder b, van de Vw zijn alleen het rechtmatig verblijf op grond van de onderdelen b, d en e van artikel 8 van de Vw uitgezonderd. Doordat eiseres een aanvraag in het kader van artikel 8 EVRM heeft gedaan heeft ze inmiddels rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw. Er is dus geen sprake van de hiervoor genoemde uitzonderingscategorieën en de grondslag voor de vrijheidsbeperkende maatregel is in die zin niet komen te vervallen. Wel heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting toegelicht dat eiseres niet meer valt onder de doelgroep van de VBL omdat door de aanvraag haar vertrekplicht is opgeschort. De gemachtigde van de minister heeft toegelicht dat het verblijf in de VBL voor een korte periode, maximaal één week, wordt voortgezet, omdat de aanvraag eiseres geen recht geeft op opvang.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep heeft aangegeven te beschikken over alternatieve opvang, maar dit niet nader onderbouwd heeft. Om die reden kon en kan aan eiseres worden tegengeworpen dat ze geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Ook kan de minister aan eiseres tegenwerpen dat zij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.
Ten aanzien van de stelling dat gezien haar medische en psychische omstandigheden had moeten worden gekozen voor een lichter middel overweegt de rechtbank dat eiseres voor de afspraken met haar psycholoog een tijdelijke ontheffing kan aanvragen. Voor vragen en zorgen omtrent het bezoek van haar partner en haar veiligheid op de VBL omdat ze tot de LHBTI-gemeenschap behoort, moet eiseres zich wenden tot het COa.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een schadevergoeding of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.