ECLI:NL:RBDHA:2026:7602

ECLI:NL:RBDHA:2026:7602

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer nl26.14373
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

bewaring, 59b lid 1 sub a en b, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.14373

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Procesverloop

1. Bij besluit van 15 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiseres is verschenen op het detentiecentrum Schiphol. Ze heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door haar gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond) van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiseres (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres:

(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

(lichte gronden)

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast. Tijdens de zitting heeft de minister grond 3d laten vallen.

3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op artikel 59b van de Vw is gebaseerd. Deze grondslag geldt voor vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben omdat ze een asielaanvraag hebben ingediend. Eiseres heeft haar asielwens op 15 maart 2026, tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel, kenbaar gemaakt. Tijdens het vertrekgesprek op 20 maart 2026 heeft zij bevestigd asiel te willen aanvragen en de aanvraag ondertekend. Omdat de asielwens is geuit op het moment dat de maatregel werd genomen, vormt artikel 59b van de Vw de juiste grondslag. De rechtbank verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak.De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen.

Ook de b-grond van artikel 59b van de Vw is terecht toegepast. Als goed gemotiveerd is dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat, vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens immers niet verkregen kunnen worden. De rechtbank oordeelt hierna, onder 6, dat sprake is van een risico op onttrekking.

Gronden

6. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3b en 3c en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiseres bij binnenkomst in Nederland niet beschikte over de juiste reisdocumenten en daarmee ook niet over een visum voor het Schengengebied. De enkele niet onderbouwde stelling van eiseres dat dit onjuist is doet hier niet aan af, nu ze niet heeft aangetoond dat ze op de juiste wijze is ingereisd. Grond 3b is ook feitelijk juist. Eiseres heeft niet aan haar vertrekplicht voldaan en is meerdere malen met onbekende bestemming vertrokken. De zware grond 3c is eveneens feitelijk juist, omdat eiseres op 11 januari 2024 een terugkeerbesluit heeft gekregen en hieraan geen gevolg heeft gegeven. De enkele stelling dat eiseres hier niet van af wist geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister heeft grond 3d ter zitting laten vallen. Grond 3i is ook feitelijk juist, omdat eiseres in het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft aangegeven niet te willen terugkeren. Ook de lichte gronden 4c en 4d zijn terecht tegengeworpen, nu eiseres niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en BRP-registratie en ook niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Dat haar asielaanvraag nog loopt, maakt niet dat deze gronden haar niet kunnen worden tegengeworpen. Ook is het risico op onttrekking bij deze gronden voldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware en lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister om een significant risico op onttrekking aan te nemen.

Lichter middel

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. In de situatie met het kind van eiseres heeft de minister evenmin aanleiding hoeven zien om de bezwaring onevenredig bezwaren te achten. Het kind van eiseres is uit huis geplaatst en eiseres heeft momenteel geen contact met hem. Eiseres stelt dat de stukken over de uithuisplaatsing in het bewaringsdossier hadden moeten zitten. De rechtbank deelt dit standpunt niet, ook niet omdat eiseres niet bestrijdt dat zij en haar kind momenteel geschieden van elkaar leven en geen contact met elkaar hebben. De minister heeft gelet op het voorgaande geen aanleiding hoeven zien een lichter middel op te leggen. Dat eiseres naar eigen zeggen gevaar loopt in Algerije is iets dat niet in deze procedure, maar in de asielprocedure is en wordt beoordeeld.

Voortvarend handelen

8. Eiseres heeft op 20 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft ter zitting aangegeven dat eiseres op 28 maart 2026 zou worden gehoord. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. M.A. Postma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?