RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60991
geboren op [geboortedatum],
van Jordaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Hij heeft daartegen ook beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-onvankelijk verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep (NL25.60990), op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaargemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.