ECLI:NL:RBDHA:2026:7605

ECLI:NL:RBDHA:2026:7605

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer NL25.42371
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

RTB. Beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.42371

geboren op [geboortedatum],

van Nigeriaanse nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),

en

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit aan eiser kon opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 6 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Daarin is eiser bericht dat zijn recht op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Eiser mag vanaf 4 september 2025 niet meer werken en heeft vanaf deze datum vier weken de tijd om te vertrekken uit de opvang en Nederland.

3. Op 3 september 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

4. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

5. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit geen stand kan houden. Hiertoe voert eiser allereerst aan dat op 16 september 2025 heeft verzocht om een verblijfsdocument EU. Eiser verblijft daarom procedureel rechtmatig in Nederland. Daarnaast voert eiser aan dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, omdat hij als gevolg van de bevriezingsmaatregel tot 4 september 2025 rechtmatig in Nederland mocht verblijven en zijn rechten onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) mocht uitoefenen. Het terugkeerbesluit kan pas worden uitgevaardigd nadat blijkt dat eiser zich illegaal in Nederland zou ophouden. Verder voert eiser aan dat in het terugkeerbesluit ten onrechte het land van herkomst niet staat vermeld. Nu in het bestreden besluit enkel staat aangeven dat eiser dient terug te keren naar het land van zijn nationaliteit is niet voldaan aan artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Ook voert eiser aan dat hij kenbaar heeft gemaakt privéleven te willen opbouwen in Nederland vanwege zijn werk. De minister heeft onvoldoende onderzocht op het terugkeerbesluit in strijd komt met het opgebouwde privéleven in Nederland. Dit klemt te meer nu eiser ten aanzien van artikel 8 EVRM niet is gehoord.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het terugkeerbesluit geen stand kan houden omdat eiser op 16 september 2025 heeft verzocht om een verblijfsdocument EU. Op het moment van het opleggen van het terugkeerbesluit op 6 augustus 2025 had eiser (nog) geen procedureel rechtmatig verblijf zodat het terugkeerbesluit op dat moment aan hem kon worden opgelegd. Dat het terugkeerbesluit weliswaar wordt opgeschort als gevolg van eisers aanvraag om een verblijfsdocument op grond van het EU-recht, maakt nog niet dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is opgelegd.

Ook eisers betoog dat het terugkeerbesluit prematuur is omdat eiser op het moment van het opleggen van het terugkeerbesluit nog onder de bevriezingsmaatregel viel, slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat de tijdelijke bescherming kon worden beëindigd. Op 6 augustus 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen. De rechtbank verwijst hiervoor tevens naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 31 oktober 2025.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat in het terugkeerbesluit ten onrechte het land van herkomst niet genoemd staat. De enkele stelling van eiser dat de term ‘het land van nationaliteit’ niet in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn is opgenomen maakt niet dat er geen terugkeerbesluit aan eiser kon worden opgelegd. In dat kader is van belang dat eiser niet heeft betwist dat Nigeria zijn land van herkomst is dan wel dat hij daar niet naar zou kunnen terugkeren.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet gehouden was tot het maken van een belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM. Wel dient de minister op grond van artikel 5 van Richtlijn 2008/115/EG bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening te houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven, de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en dient hij het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Dit heeft de minister voldoende gedaan. De minister heeft in het gegeven dat eiser werk heeft geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Indien eiser meent dat hij voor een verblijfsvergunning regulier in aanmerking komt, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen.

De rechtbank volgt eiser tot slot niet in het standpunt dat hij ten onrechte niet zou zijn gehoord. De rechtbank merkt in dit kader op dat eiser in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen. Hiervan heeft eiser ook gebruik gemaakt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. V. Vegter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?