RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14204
(gemachtigde: mr. N.A.P. Heesterbeek),
en
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 19 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser die dag is overgedragen aan Duitsland.
De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd met een bericht van 20 maart 2026 aangegeven dat zij het beroep handhaaft. In datzelfde bericht heeft zij vermeld dat zij niet zal verschijnen tijdens de zitting op 23 maart 2026 en dat zij nog schriftelijke beroepsgronden zal indienen.
De voornoemde beroepsgronden waren op het moment van het openen van het onderzoek ter zitting nog niet aanwezig.
De rechtbank heeft het beroep – zoals aangekondigd in de zittingsuitnodiging – op 23 maart 2026 vanaf 10:30 uur op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de mondelinge behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en deze sluiting diezelfde dag om 10:35 uur geregistreerd in het digitale zaaksysteem.
De gemachtigde van eiser heeft op 23 maart 2026 om 10:43 uur schriftelijke gronden ingediend.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat er een concreet aanknopingspunt is voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde van eiser – ondanks haar toezegging in het bericht aan de rechtbank van 20 maart 2026 – op het moment van het openen van het onderzoek ter zitting door de rechtbank op 23 maart 2026 om 10:30 uur géén schriftelijke gronden heeft ingediend. De rechtbank heeft de zaak daarom behandeld in deze stand van zaken. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aangegeven dat zij het onderzoek sluit en zo snel mogelijk uitspraak zal doen. Deze sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank direct aansluitend om 10:35 uur geregistreerd in het digitale zaaksysteem. Vervolgens heeft de rechtbank geconstateerd dat de gemachtigde van eiser om 10:43 uur alsnog schriftelijke gronden heeft ingediend. Nu de rechtbank op dat moment het onderzoek al gesloten had en verweerder niet meer in de gelegenheid kon worden gesteld hierop te reageren, laat de rechtbank deze beroepsgronden vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.
4. De rechtbank is echter gehouden de maatregel van bewaring ook ambtshalve op rechtmatigheid te toetsen (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858). In het kader van die ambtshalve toets heeft de rechtbank geen onrechtmatigheden vastgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank in dat verband nog op dat de namens eiser aangestipte punten in het kader van de – te laat – ingediende beroepsgronden aspecten zijn die de rechtbank óók heeft betrokken bij haar ambtshalve toets, en die de rechtbank niet tot de conclusie hebben gebracht dat de maatregel onrechtmatig is.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals namens de minister ter zitting is bepleit - het beroep vanwege een gebrek aan (tijdig ingediende) beroepsgronden, niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat de rechtbank – zoals hiervoor is overwogen – de maatregel ook ambtshalve toetst, kan die gevolgtrekking naar het oordeel van de rechtbank niet worden verbonden aan het ontbreken van (tijdig ingediende) gronden.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.