ECLI:NL:RBDHA:2026:7630

ECLI:NL:RBDHA:2026:7630

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer NL25.58090
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel. Gegrond. WI2024/6. De vraagstelling op pagina 23 van het nader gehoor is dan ook tot op zekere hoogte ingegeven door een verkeerde voorstelling van zaken, namelijk dat eiser met zijn eerste verklaring over de man met de microfoon zou hebben verklaard dat de wedstrijd vrede en veiligheid promootte. In zoverre de minister van mening is dat er uit de verklaringen van eiser op pagina 23 van het nader gehoor een op zichzelf staande tegenstrijdigheid volgt, kan deze daarom ook geen stand houden. Onder bovengenoemde omstandigheden kan iedere ontkenning van de promotie van vrede en veiligheid worden tegengeworpen als zijnde tegenstrijdig met zijn eerdere verklaring over de man met de microfoon. Daarnaast overweegt de rechtbank dat ‘benaderen’ en ‘aanspreken’ wezenlijk andere termen zijn. Daargelaten hoe ‘aangesproken’ in dit geval geïnterpreteerd moet worden, overweegt de rechtbank dat de interpretatie van eiser dat hiermee gedoeld werd op een benadering in persoon een mogelijke en redelijke interpretatie van de vraag is. Alleen hierom al niet zonder meer gesteld worden dat eiser tegenstrijdig verklaard met zijn eerdere verklaring dat hij persoonlijk benaderd is. De rechtbank stelt vast dat minister volstaat met de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat echtgenote en kinderen niet naar Somalië kunnen reizen. Verder zijn er geen woorden besteed aan de belangen van de kinderen. Feitelijk heeft de minister daarmee de belangen van de kinderen in hun geheel niet betrokken. Bezien in het licht van de werkinstructie is dit onvoldoende De rechtbank oordeelt dat uit het beleid van de minister voortvloeit dat hij ambtshalve moet toetsen of sprake is van een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. Er is naar het oordeel van de rechtbank echter geen rechtsregel die de minister ertoe verplicht om na afwijzing van een verblijfsvergunning asiel, in diezelfde procedure ambtshalve te toetsen of de vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez-Vilchez verblijfsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58090

(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),

en

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 maart 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 27 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vragen gesteld over ambtshalve toetsing aan het arrest Chavez-Vilchez. De minister en eiser hebben, respectievelijk, op 10 maart 2026 en 12 maart 2026 op deze vragen gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Bij brief van 10 maart 2023 heeft de minister tevens laten weten het in de meeromvattende beschikking neergelegde terugkeerbesluit, in te trekken.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij behoort tot de Galadi-stam en dat hij gediscrimineerd werd vanwege zijn stamafkomst. Eiser heeft Somalië in 2019 verlaten, omdat hij telefonisch werd bedreigd door Al-Shabaab. Eiser heeft eind 2017 meegedaan aan een armworstelwedstrijd waar, naar zeggen van Al-Shabaab, is gepromoot over de vrede en veiligheid in Somalië. Eiser is vanwege de deelname aan deze activiteit op twee momenten bedreigd. De eerste keer is ruim een jaar later, in maart 2019 en de tweede keer drie maanden daarna. Na de laatste bedreiging, die eiser kreeg op het vrijdaggebed, is eiser vertrokken uit zijn woonplaats en zodoende vertrokken uit Somalië. Via Mogadishu heeft eiser per vliegtuig het land verlaten. Bij terugkeer vreest eiser door Al-Shabaab te worden ontvoerd en vermoord.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, evenals de ondervonden discriminatie vanwege het behoren tot een minderheidsstam. De problemen door Al-Shabaab zijn volgens de minister niet geloofwaardig. Eisers verklaringen op dit punt vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Discriminatie door autoriteiten en medeburgers is pas een daad van vervolging als eiser vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Dit is in het geval van eiser niet aan de orde en de door hem ondervonden discriminatie is daarom onvoldoende zwaarwegend om aan te merken als daad van vervolging. Voorts is de minister van mening dat eiser niet terecht zal komen in een situatie van systematische blootstelling of een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurige geweld.

Heeft de minister met de toepassing van WI 2024/6, een deugdelijke geloofwaardigheidstoets kunnen uitvoeren?

5. Eiser betwist dat in de systematiek van WI 2024/6 een volledige inhoudelijke

beoordeling plaatsvindt waarbij alle verzamelde verklaringen en bewijsmiddelen worden betrokken. In de praktijk is sprake van een lijst met criteria. Als aan één van die criteria niet wordt voldaan, wordt de aanvraag als ongeloofwaardig afgewezen. Dat is geen volledige inhoudelijke beoordeling omdat de criteria niet in onderlinge samenhang met elkaar worden beoordeeld en er aan het eind ook niet alsnog een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt waarbij alle elementen van de zaak in onderlinge samenhang met elkaar worden beoordeeld. De minister is daartoe wel verplicht. Is er vervolgens sprake van twijfel, dan dient het voordeel van de twijfel te worden gegeven. Eiser volgt de minister niet in het standpunt dat de gehanteerde werkwijze niet wezenlijk afwijkt van de werkwijze zoals die onder WI 2014/10 werd gehanteerd. Eiser verwijst in dit verband naar de nota “aanpassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling” waarin staat dat de bedoeling van de nieuwe beoordeling is dat de minister minder snel het voordeel van de twijfel toepast. Bij het voorgaande komt nog dat aan eiser is tegengeworpen dat hij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, lid 6, sub c, Vw. Zijn verklaringen zouden niet samenhangend en aannemelijk zijn. Noch los van de vraag of dat zo is, is dit onduidelijk. Kennelijk voldoet eiser namelijk wel aan de andere voorwaarden, die worden hem immers niet tegengeworpen.

De rechtbank overweegt het volgende. Met de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister in strijd handelt met het Unierecht wanneer er bij de toets in het kader van WI 2024/6 geen integrale beoordeling plaatsvindt. Wanneer na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31 zesde lid Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel wordt gekeken en wordt beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas geloofwaardig zou moeten worden geacht dan wordt aangesloten bij het Unierecht.

In WI 2024/6 is toegelicht dat als aan één of meer van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw niet wordt voldaan de IND dit tegenwerpt en motiveert waarom hier niet aan wordt voldaan. In dit geval is aan eiser voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, van de Vw tegengeworpen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de minister zich op het standpunt stelt dat voorwaarden die niet zijn genoemd ook niet zijn tegengeworpen. Dit standpunt heeft de minister ook verwoord in het overgelegde hoger beroepschrift van 15 augustus 2025. Volgens de minister is een adequate geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.

Ondanks dat de minister geen afzonderlijke overweging heeft opgenomen over de ‘integrale beoordeling’ is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de minister niet aan alle, cumulatieve voorwaarden heeft getoetst. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten onrechte geen integrale beoordeling heeft gemaakt. Het beroep is niet reeds hierom, op voorhand, gegrond.

Heeft de minister kunnen concluderen dat de problemen door Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn?

Verklaring over de promotie van veiligheid en vrede

6. De minister overweegt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de ‘promotie van vrede en veiligheid’ tijdens de sportwedstrijd. Dit raakt volgens de minister aan de kern van eisers asielmotief, omdat eiser stelt dat de vermeende promotie tijdens de wedstrijd de aanleiding vormde voor de door hem gestelde problemen met Al-Shabaab. Eiser wordt niet gevolgd in de stelling dat sprake was van een misverstand tijdens het gehoor. Tijdens het nader gehoor is eiser meermaals geconfronteerd met zijn verklaringen hierover. Eiser beantwoordde deze vragen ontwijkend en tegenstrijdig. Indien het ging om een verwarring tussen wat eiser zelf heeft gehoord tijdens de wedstrijd en wat Al-Shabaab eiser later aan de telefoon heeft verteld, had eiser de mogelijkheid dit uit te leggen tijdens het nader gehoor. Dit heeft eiser nagelaten.

Eiser heeft in de correcties en aanvullingen toegelicht dat de man met de microfoon algemene dingen zei om Somalië te promoten maar dat hij het woord veiligheid niet heeft gehoord. Hij heeft alleen van Al-Shabaab gehoord dat dit gezegd zou zijn. Uit de verklaringen van eiser blijkt duidelijk dat er wel iemand met een microfoon bij de wedstrijd rondliep die positieve dingen zei over Somalië, maar ook dat eiser lang niet alles heeft gehoord en dat hij zich niet herinnert te hebben gehoord dat Somalië veilig is. Eiser heeft tijdens het gehoor niet begrepen dat er verwarring was ontstaan tussen wat de man met de microfoon tijdens de wedstrijd daadwerkelijk had gezegd en hetgeen Al-Shabaab later tegen hem had gezegd. Toen hij zich dat realiseerde heeft hij nog tijdens het gehoor duidelijk gezegd dat hij het woord veiligheid alleen van Al-Shabaab heeft gehoord. Eiser kan de redenering van de minister op dit punt dan ook niet volgen.

De rechtbank overweegt dat eiser in het nader gehoor als volgt heeft verklaard:

(…)

‘Ik hoorde wel een man via de microfoon vertellen dat het land veilig is en dat we zelfs een armworstelwedstrijd kunnen organiseren. Dat hoorde ik iemand wel roepen.’

(…)

‘Ik zou deelgenomen hebben en gepromoot hebben voor vrede en veiligheid. Doordat wedstrijden in het openbaar kunnen plaatsvinden, ik zou samenwerken met de overheid volgens hun. Dan wordt je gezien als een vijand van Al-Shabaab en word je gedood.

Later in het nader gehoor verklaart eiser vervolgens als volgt:

(…)

‘De NGO zeiden: gezonde jongens gaan elkaar te lijf en elkaar uitdagen. Maar Al-Shabaab zei dat ze vrede gingen promoten. Maar ik heb niet van hun horen zeggen dat het reclame was voor vrede. Als ik had geweten dat ze het zouden promoten, dan had ik ook niet deelgenomen aan de wedstrijd.’

(…)

Over de man met de microfoon verklaart eiser:

‘Die man wilde meer mensen erbij betrekken en meer toeschouwers uitlokken. Daarom riep hij dat. […].’

Op de vraag of de man met de microfoon heeft verteld dat veiligheid werd gepromoot door de wedstrijd, antwoordt eiser:

(…)

‘Dat heb ik niet gehoord eerlijkgezegd, misschien dat anderen dat hebben gehoord. Maar ik heb het zelf niet gehoord. […]. Wat wij hoorden was dat hij veel goede woorden gebruikte voor de wedstrijd en over ons. Maar hij heeft het niet letterlijk gezegd dat het land veilig is. Als we dat hadden gehoord, dan hadden we ook niet deelgenomen.’

De rechtbank stelt vast dat eiser eerst verklaart dat de man met de microfoon zegt dat het land veilig is en hier later op terugkomt en zegt dat hij de man met de microfoon dit nooit letterlijk heeft horen zeggen. Dit is tegenstrijdig. Eiser wordt echter niet tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de man met de microfoon, maar dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over ‘de promotie van veiligheid en vrede’. Volgens de minister zijn eisers verklaringen over de man met de microfoon tegenstrijdig met zijn latere verklaringen dat hij ‘niet van hun hebt horen zeggen dat het reclame was voor vrede’. Naar het oordeel van de rechtbank leest de minister hierin ten onrechte een tegenstrijdigheid. Hoewel eiser heeft verklaard een man via een microfoon te hebben horen roepen - daargelaten met welke bewoording - dat het land veilig is en er zelfs een wedstrijd georganiseerd kon worden, volgt daaruit niet dat eiser heeft verklaard dat de wedstrijd werd georganiseerd ter promotie van vrede en veiligheid. Eiser heeft toegelicht de uitlatingen van de man met de microfoon te hebben geïnterpreteerd als een middel om meer toeschouwers naar de wedstrijd te lokken, terwijl uit het nader gehoor volgt dat hij direct en consistent heeft verklaard dat het juist Al-Shabaab was die aan de deelname de kwalificatie van promotie van vrede en veiligheid verbond. De vraagstelling op pagina 23 van het nader gehoor is dan ook tot op zekere hoogte ingegeven door een verkeerde voorstelling van zaken, namelijk dat eiser met zijn eerste verklaring over de man met de microfoon zou hebben verklaard dat de wedstrijd vrede en veiligheid promootte. In zoverre de minister van mening is dat er uit de verklaringen van eiser op pagina 23 van het nader gehoor een op zichzelf staande tegenstrijdigheid volgt, kan deze daarom ook geen stand houden. Onder bovengenoemde omstandigheden kan iedere ontkenning van de promotie van vrede en veiligheid worden tegengeworpen als zijnde tegenstrijdig met zijn eerdere verklaring over de man met de microfoon.

Benadering door Al-Shabaab

7. De minister stelt dat eisers verklaringen ook tegenstrijdig zijn, nu hij in het aanmeldgehoor stelt dat Al-Shabaab hem persoonlijk heeft benaderd terwijl hij in het nader gehoor aangeeft dat dit niet het geval is geweest. Dat eiser de vraag op pagina 16 van het nader gehoor in context van de vraag ervoor zag, is eventueel nog wel te volgen voor de minister. Dat eiser zich beroept op een andere interpretatie van het woord ‘persoonlijk’ is echter geen toereikende uitleg. Indien eiser dat woord op die manier heeft begrepen, heeft hij voldoende mogelijkheid gekregen dit te verduidelijken. Eiser heeft dit niet gedaan. Dit raakt de kern van eisers asielmotief, omdat het gaat om de wijze waarop Al-Shabaab volgens eiser contact met hem zou hebben opgenomen. Dit doet volgens de minister afbreuk aan eisers geloofwaardigheid.

Eiser is van mening dat de minister hem een tegenstrijdigheid tegenwerpt die niet bestaat. Immers, in het aanmeldgehoor heeft eiser aangegeven dat hij persoonlijk is benaderd door Al-Shabaab. Dat klopt ook, want eiser is immers persoonlijk telefonisch benaderd door Al-Shabaab. Hij is zowel via zijn moeder telefonisch benaderd als rechtstreeks. Eiser begrijpt niet wat hier tegenstrijdig aan is. In de zienswijze is ervan uitgegaan dat de verwarring zat in het woord ‘persoon’. De minister noemt dat een semantische discussie maar het resultaat is wel dat de minister het woordgebruik ‘persoonlijk benaderd’ in het aanmeldgehoor kennelijk zodanig interpreteert dat het tegen eiser wordt gebruikt.

De rechtbank stelt vast dat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij persoonlijk is benaderd door Al-Shabaab. In het nader gehoor verklaart eiser dat hij meermaals op de telefoon van hem en zijn moeder is benaderd door Al-Shabaab. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet tegenstrijdig met elkaar. Ook is dit niet tegenstrijdig met eisers verklaring dat hij nooit persoonlijk door Al-Shabaab is aangesproken. De rechtbank volgt niet de door de minister ter zitting ingenomen stelling dat eiser direct had moeten aangeven dat de benadering waar hij het in het aanmeldgehoor over had ging om een telefonische benadering. Als de minister dit relevant achtte had hij hiernaar moeten vragen en bovendien heeft eiser in het nader gehoor direct verklaard dat het ging om een telefonische benadering. De tegenwerping dat dit tegenstrijdig is, mist feitelijke grondslag. Daarnaast overweegt de rechtbank dat ‘benaderen’ en ‘aanspreken’ wezenlijk andere termen zijn. Daargelaten hoe ‘aangesproken’ in dit geval geïnterpreteerd moet worden, overweegt de rechtbank dat de interpretatie van eiser dat hiermee gedoeld werd op een benadering in persoon een mogelijke en redelijke interpretatie van de vraag is. Alleen hierom al niet zonder meer gesteld worden dat eiser tegenstrijdig verklaard met zijn eerdere verklaring dat hij persoonlijk benaderd is. Daarbij acht de rechtbank relevant dat eiser in het nader gehoor ook niet geconfronteerd is met de gestelde tegenstrijdigheid en dus niet heeft kunnen verklaren hoe hij de vraag heeft begrepen. Dat het aan eiser is om een en ander te verduidelijken volgt de rechtbank ook niet; niet valt in te zien hoe eiser, voordat hem dit werd tegengeworpen, had moeten weten dat de minister met ‘benaderd’ en ‘aangesproken’ hetzelfde bedoelt. Hoewel die discussie inderdaad semantisch is, is deze gezien de gevolgen voor eiser niet minder relevant. De minister heeft niet kunnen concluderen dat de verklaringen van eiser op dit punt af doen aan zijn geloofwaardigheid.

Verklaringen niet aannemelijk en onlogisch

8. Volgens de minister heeft eiser verklaard dat hij eind 2017 heeft deelgenomen aan een sportwedstrijd en dat hij rond maart 2019 voor het eerst door Al-Shabaab is gebeld. Eiser geeft geen concrete verklaring voor deze periode van meer dan een jaar. Deze verklaring is summier en verklaart het grote tijdsverloop niet. Niet valt in te zien waarom Al-Shabaab eiser pas anderhalf jaar later zou benaderen. Daarnaast verklaart eiser dat hij tussen het eerste en tweede telefoontje drie maanden lang gewoon naar buiten ging, waaronder rennend naar de moskee en naar de fitnessclub, en dat hij elke keer dat hij het huis verliet risico liep. Dit is ongerijmd en niet aannemelijk wanneer eiser tevens stelt dat Al-Shabaab hem wilde ontvoeren of doden. Eiser verklaart dat zij een kans zochten, wat summier is en onvoldoende onderbouwt waarom eiser zich vrijelijk bewoog terwijl hij zegt dat hij gevaar liep. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid. Voorts geeft eiser volgens de minister ook op andere punten verklaringen die summier en speculatief zijn en die geen feitelijke onderbouwing bieden van het door hem gestelde probleem.

Eiser is van mening dat niet verlangd kan worden dat hij op de hoogte is van de exacte redenen waarom Al-Shabaab iets doet of nalaat. Hij kan op dat punt immers alleen vermoedens hebben. Dat betekent nog niet dat zijn relaas ongeloofwaardig is of dat zijn verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. De reden dat Al-Shabaab wél contact met hem heeft opgenomen is natuurlijk dat ze wilden dat hij zich bij hen zou aansluiten. De minister heeft dat miskend. Eiser heeft verschillende redenen aangegeven waarom hij toch naar buiten moest. Hij moest naar de moskee vanuit zijn religieuze overtuiging en hij moest naar de sportschool, waar hij werkte als schoonmaker in ruil voor eten, omdat hij anders niets te eten had. Het waren korte afstanden en eiser rende en was op zijn hoede. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit onvoldoende redenen zouden zijn. Uit het relaas blijkt duidelijk dat eiser wel bang was maar nog niet wanhopig. Voor zover de minister aan eiser tegenwerpt dat hij niet eerder naar zijn neef is gegaan, wijst eiser erop dat de eerdere bedreigingen niet de directe aanleiding waren voor zijn vertrek (naar zijn neef). Dat kwam pas na het derde telefoontje omdat Al-Shabaab daarin aangaf dat ze wisten hoe eiser eruitzag tijdens zijn bezoek aan de moskee.

De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk en onlogisch heeft verklaard. Niet valt in te zien waarom Al-Shabaab eiser pas anderhalf jaar na de wedstrijd zou benaderen. Ook heeft de minister kunnen overwegen dat niet valt in te zien waarom eiser zich vrijelijk bewoog terwijl hij zegt dat Al-Shabaab hem zocht om hem te doden of ontvoeren. De minister heeft daarbij niet hoeven meegaan in de verklaringen die eiser hiervoor heeft gegeven. Uiteindelijk is eiser immers naar zijn neef gevlucht en is hij daar ondergedoken. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij hier niet eerder voor heeft gekozen indien zij zo voor zijn leven vreesde.

Conclusie ten aanzien van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw

9. De rechtbank overweegt dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat een deel van zijn verklaringen niet aannemelijk en onlogisch zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verklaringen van eiser ten aanzien zijn problemen met Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank acht daarbij met name van belang dat de tegenwerping die ziet op de directe aanleiding voor eiser om asiel aan te vragen, de wedstrijd, is komen te vervallen. De tegenwerping die blijft staan omvat bovendien geen tegenstrijdigheden. De rechtbank concludeert daarom dat de minister eiser met de huidige motivering niet heeft kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen ten aanzien van de problemen met Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het beroep is gegrond.

Heeft de minister een deugdelijke afweging in het kader van artikel 8 EVRM gemaakt?

10. Nu het gezinsleven al in Somalië bestond, is eiser van mening dat sprake is van inmenging in het gezinsleven. Er moet beoordeeld worden of die inmenging gerechtvaardigd is en niet of sprake is van een positieve verplichting van de minister om het gezinsleven in stand te houden. Nu het gezinsleven niet is aangegaan tijdens onrechtmatig verblijf - eiser was immers nog in Somalië en zijn vrouw was daar ook; ze zijn ook in Somalië getrouwd - heeft de minister een kleine beoordelingsruimte. Dit geldt des te meer nu sprake is van kinderen. Eiser verwijst in dit verband naar het stroomschema op pagina 15 van Werkinstructie 2020/16. Eiser betwist daarbij dat in het voornemen alle relevante belangen zijn afgewogen om te beoordelen of er sprake is van inmenging in het gezinsleven. Eiser wijst daarbij op een tiental omstandigheden, waaronder enkele belangen van de kinderen. In het voornemen en in de bestreden beschikking is volgens eiser ten onrechte slechts op enkele van deze punten ingegaan. Eiser wijst er in dit verband dan met name op dat de minister kennelijk van mening is dat [naam 2], 12 jaar oud, Nederlandse nationaliteit, groep 8 basisschool, opgegroeid en geworteld in Nederland, zonder meer terug kan naar Somalië.

De minister overweegt dat uit eisers verklaringen volgt dat zijn gezinsleven met zijn echtgenote niet in Nederland is ontstaan, maar in Somalië. Eiser heeft verklaard dat zijn echtgenote in 2018 zonder problemen naar Somalië is gereisd, daar ongeveer anderhalf maand heeft verbleven en dat hij daar met haar heeft samengeleefd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn echtgenote en kinderen nu niet opnieuw in Somalië zouden kunnen verblijven. Er is daarom geen objectieve belemmering om het gezinsleven in Somalië uit te oefenen. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat hij en zijn echtgenote over voldoende en duurzaam inkomen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien. Uit het aanmeldgehoor blijkt dat eerdere aanvragen om gezinshereniging zijn afgewezen omdat eisers echtgenote leeft van een uitkering en niet aan de inkomenseis voldeed. Een belangrijke omstandigheid bij de belangenafweging is dat eiser nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor Nederland. Eiser mocht er daarom niet op vertrouwen dat hij het gezinsleven in Nederland zou kunnen voortzetten. Dat hij zonder verblijfsvergunning een gezinsleven is gestart, komt voor zijn eigen risico. Verder is niet gebleken dat eiser bijzondere banden met Nederland heeft opgebouwd. Uit eisers verklaringen volgt juist dat zijn gezinsleven met zijn echtgenote hoofdzakelijk in Somalië tot stand is gekomen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit WI 2020/16 volgt dat in iedere beslissing het belang van het kind een eerste overweging vormt waaraan aanzienlijk gewicht toekomt. Als voorbeelden van relevante omstandigheden bij het wegen van het belang van het kind worden genoemd de leeftijd van het kind, de positie van het kind in het land van herkomst en de afhankelijkheid van het kind van de ouder(s). In de werkinstructie komt bijzondere aandacht toe aan Nederlandse kinderen die als gevolg van de beslissing om (voortzetting van) het verblijf van de ouder te weigeren, met het gezin zouden moeten terugkeren naar het land van herkomst of een land waarmee het gezin banden heeft. In dat geval moet worden betrokken: de situatie in het land van herkomst waarin de kinderen terecht zullen komen, de leeftijd van de kinderen, of de kinderen het land van herkomst hebben bezocht, de taal spreken of anderszins blijkt dat zij gewend zijn aan de cultuur en de gewoonten in het land van herkomst.

De rechtbank oordeelt dat de minister de belangen van de kinderen onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank stelt vast dat minister volstaat met de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat echtgenote en kinderen niet naar Somalië kunnen reizen. Verder zijn er geen woorden besteed aan de belangen van de kinderen. Feitelijk heeft de minister daarmee de belangen van de kinderen in hun geheel niet betrokken. Bezien in het licht van de werkinstructie is dit onvoldoende. In zoverre de minister ter zitting heeft betoogd dat het op de weg van eiser lag om meer informatie over zijn gezinsleven of kinderen te overleggen, overweegt de rechtbank dat de minister bekend was met de aanwezigheid van de kinderen en reeds daarom bovengenoemde belangen had moeten betrekken. Ook hierom is het beroep gegrond.

Had de minister moeten toetsen aan het beleid zoals neergelegd in paragraaf B10/2.5 Vc? (Chavez-Vilchez)

11. Eiser stelt dat de minister heeft verzuimd om ambtshalve te toetsen aan het arrest Chavez-Vilchez. Nu de kinderen van eiser de Nederlandse nationaliteit hebben en hij mede de feitelijke zorg voor hen heeft, had de minister ambtshalve aan dit arrest moeten toetsen.

Volgens de minister had ambtshalve aan het arrest Chavez-Vilchez getoetst moeten worden, maar hoeft deze toets niet als onderdeel van de asielprocedure plaats te vinden. Omdat alsnog ambtshalve wordt getoetst of er een Chavez-Vilchez verblijfsrecht is, had geen terugkeerbesluit opgelegd kunnen worden. De minister heeft dat onderdeel van de meeromvattende beschikking ingetrokken.

De rechtbank oordeelt dat uit het beleid van de minister voortvloeit dat hij ambtshalve moet toetsen of sprake is van een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. Er is naar het oordeel van de rechtbank echter geen rechtsregel die de minister ertoe verplicht om na afwijzing van een verblijfsvergunning asiel, in diezelfde procedure ambtshalve te toetsen of de vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van eiser voldoende concrete aanknopingspunten bieden die maken dat de minister gehouden was het mogelijke bestaan van een afgeleid verblijfsrecht nader te onderzoeken. De minister heeft dat ten onrechte niet gedaan. De minister had met het bestreden besluit van 20 november 2025 dan ook geen terugkeerbesluit kunnen nemen. De minister heeft dit gebrek erkend en het terugkeerbesluit inmiddels ingetrokken.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Omdat het beroep gegrond is, hoeven de andere beroepsgronden niet meer besproken te worden.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 november 2025;

- bepaalt dat de minister binnen twaalf weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?