RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.14874, NL26.14880 en NL26.14888
[naam], V-nummer: [nummer], de zoon
[naam], V-nummer: [nummer], de dochter
Gezamenlijk ook te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluiten van 17 maart 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eiseres, de zoon en de dochter de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten ieder afzonderlijk beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 19 maart 2026 de maatregelen van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft de minister, voorafgaand aan de mondelingen behandeling, verzocht schriftelijk enkele vragen te beantwoorden. Dit heeft de minister bij brief van 25 maart 2026 gedaan.
Eisers hebben op 29 maart 2026 schriftelijk gronden van beroep ingediend. De minister heeft daar op 30 maart 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 maart 2026 op zitting behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. De zoon stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2017. De dochter stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2020.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Horen van begeleide minderjarigen voorafgaand aan bewaring
3. De rechtbank heeft, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, ambtshalve geconstateerd dat de zoon en de dochter voor het opleggen van de maatregel niet zijn gehoord door de minister. Om die reden is de minister, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, gevraagd schriftelijk informatie te verstrekken over de vraag of er beleid is over het horen van minderjarigen voorafgaand aan hun bewaring, of de zoon en de dochter zijn gevraagd naar hun mening over de maatregel en of dat, gelet op artikel 12 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) niet in de rede had gelegen. De minister heeft op 25 maart 2026 gereageerd.
4. De rechtbank is, ondanks de toelichting van de minister van 25 maart 2026, van oordeel dat de zoon en de dochter ten onrechte niet zijn gehoord en dat ten onrechte niet naar hun mening is gevraagd voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring. Daarvoor is het volgende van belang.
5. Op grond van artikel 1 Vw 2000 is een vreemdeling: “ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.”. De zoon en de dochter voldoen aan deze criteria. Voor wat betreft de definitie van ‘vreemdeling’ wordt er dus geen onderscheid gemaakt tussen meerderjarigen of minderjarigen.
6. In artikel 5.2 lid 1 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) staat het volgende: “Voordat de vreemdeling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Wet in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord”. Bezien in samenhang met artikel 1 Vw 2000 hadden de zoon en de dochter, voorafgaand aan de bewaring, dus moeten worden gehoord.
7. Vast staat ook dat, zo is ter zitting bevestigd, er geen nationaalrechtelijke regel of beleid is dat ziet op het horen van begeleide minderjarige vreemdelingen.
8. De minister is van mening dat de minderjarigen niet hoefden te worden gehoord, noch in de gelegenheid te worden gesteld hun mening kenbaar te maken op grond van artikel 12 IVRK. De minister verwijst naar artikel 20 lid 3 van de Dublinverordening (Dvo), waarin staat: “Voor de toepassing van deze verordening is de situatie van de minderjarige die de verzoeker vergezelt en onder de definitie van gezinslid valt, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens gezinslid; die situatie valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van dat gezinslid, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, mits dit in het belang van de minderjarige is. Kinderen die na de aankomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaten zijn geboren, krijgen dezelfde behandeling, zonder dat een nieuwe procedure voor hun overname behoeft te worden ingeleid.”. De minister verwijst ook naar de jurisprudentie van de Afdeling van 11 december 2013, waarin wordt overwogen dat artikel 12 IVRK alleen vereist dat het kind zelf wordt gehoord, in geval van tegengestelde belangen tussen het kind en zijn ouders.
9. De rechtbank volgt de redenering van de minister niet en wel om de volgende redenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 20 lid 3 Dvo geen betrekking op vreemdelingenbewaring, maar op de strekking en het doel van de verordening zelf (zie ook artikel 1 Dvo), namelijk bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor een verzoek om internationale bescherming. De minister verwijst naar dit artikel en specifiek naar de onlosmakelijke verbondenheid met de situatie van het gezinslid, maar de rechtbank leest een bevestiging voor haar oordeel in het tekstdeel dat daarop volgt. Daaruit blijkt namelijk dat de onlosmakelijke verbondenheid met de situatie van het gezinslid betrekking heeft op het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat en niet op vreemdelingenbewaring. Daar komt bij dat de Afdeling in haar uitspraak van 22 juli 2022 heeft geoordeeld dat aan kinderen zelf een expliciete schriftelijke maatregel van bewaring moet worden opgelegd, omdat kinderen die met hun ouders in bewaring worden gesteld ook zelf rechtstreeks toegang tot rechtsmiddelen moeten hebben. Ook daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van onlosmakelijke verbondenheid met de situatie van het gezinslid. Zou dat namelijk wel zo zijn, dan was het ook niet nodig om aan kinderen een eigen maatregel op te leggen.
10. De rechtbank is verder van oordeel dat de verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling uit 2013 ook niet tot een ander oordeel kan leiden.
Ten eerste ziet deze uitspraak niet op het horen van minderjarigen, maar op het in de gelegenheid stellen van minderjarigen hun mening kenbaar te maken op grond van artikel 12 IVRK. Hoewel daarin, zeker waar het gaat om een maatregel die rechtstreeks aan een kind wordt opgelegd, een overlap in kan bestaan, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet hetzelfde. Het horen, voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring, heeft namelijk tot doel de persoon de gelegenheid te geven opmerkingen daarover kenbaar te maken, zodat de bevoegde autoriteiten in staat worden gesteld naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Dit terwijl uit artikel 12 IVRK blijkt dat de strekking veel breder is. De tekst daarvan luidt: “De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.”. Kortom, het recht de mening te geven heeft betrekking op alle aangelegenheden die het kind betreffen. Er is geen limitatieve opsomming en “alle aangelegenheden” omvat dus per definitie een aan het kind op te leggen maatregel, maar kan ook meer dan dat omvatten. Dit blijkt ook uit paragraaf 26 van de General Comments: ”het kind moet worden gehoord als het onderwerp dat ter discussie staat hem of haar aangaat. Deze basisvoorwaarde moet worden gerespecteerd en ruim worden opgevat.”.
Ten tweede is deze uitspraak van de Afdeling gewezen, voordat de Afdeling in 2022 in voornoemde uitspraak heeft bepaald dat aan kinderen een afzonderlijke, eigen maatregel moet worden opgelegd. Gelet daarop, alsmede gelet op wetgeving, had ook dit reden moeten zijn voor de minister de kinderen te horen over het opleggen van de maatregel conform de wet en het gebrek aan verder beleid.
11. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat de minister de zoon en de dochter voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring had moeten horen. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer, nu beide kinderen een eigen maatregel krijgen opgelegd en waarin nota bene een verzwaarde belangenafweging plaatsvindt omdat sprake is van kinderen. Juist dan is er een extra reden om de kinderen naar hun visie te vragen.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de kinderen ook in de gelegenheid had moeten stellen hun mening kenbaar te maken op grond van artikel 12 IVRK. De minister wijst in dit kader naar voornoemde uitspraak van de Afdeling uit 2013, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de Afdeling de daarin gegeven uitleg aan artikel 12 IVRK inmiddels heeft verlaten. Immers, daarin werd geoordeeld dat de kinderen alleen om hun mening hoefde te worden gevraagd in het geval van tegenstrijdige belangen met die van hun ouders. In de uitspraken van de Afdeling uit 2025 wordt echter geoordeeld:
“dat uit artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag, wel een verplichting volgt voor de minister om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.”
en
“dat uit artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag, wel een verplichting volgt voor de minister om begeleide vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar zonder zelfstandig asielmotief die in staat zijn hun mening te vormen in de gelegenheid te stellen om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.”
13. Hoewel voornoemde uitspraken geen betrekking hebben op de bewaringsprocedure, zoals minister terecht opmerkt, gaat de rechtbank niet mee in de redenering dat deze niet toepasselijk zijn en dat de uitspraak uit 2013 nog onverkort geldt. Immers, de Afdeling legt in 2025 de betekenis uit van artikel 12 IVRK en wel op een andere wijze dan in 2013 werd gedaan. Niet kan worden ingezien waarom deze uitleg van artikel 12 IVRK niet óók van toepassing zou zijn in bewaringsprocedures waar minderjarigen bij zijn betrokken.
14. De rechtbank wijst verder nog op het volgende. Op grond van artikel 3 IVRK vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen. Uit paragraaf 71 van voornoemde General Comments blijkt duidelijk (mede) de relevantie van artikel 12 IVRK. Het belang van het kind wordt namelijk in overleg met dat kind bepaald. Dit onderstreept naar het oordeel van de rechtbank de noodzaak het kind te horen of in ieder geval in de gelegenheid te stellen zijn mening op grond van artikel 12 IVRK kenbaar te maken, voorafgaand aan het opleggen van de maatregel, zodat duidelijk de belangen in kaart kunnen worden gebracht. Te meer, gelet op de verzwaarde belangenafweging die voor kinderen bij het opleggen van bewaringsmaatregelen plaatsvindt.
15. Het is de rechtbank verder opgevallen en zoals de minister ook opmerkt, dat eiseres is gehoord in aanwezigheid van de kinderen. Juist onder die omstandigheden was het een kleine moeite de kinderen te vragen naar hun mening over de op te leggen maatregel.
16. De rechtbank volgt de minister niet in de stelling dat niet is gesteld of gebleken dat de kinderen de leeftijd en rijpheid hadden om naar hun mening over de maatregel te worden gevraagd. Ten eerste is dat niet wat artikel 12 IVRK voorschrijft, de volgorde is anders. De kinderen wordt om hun mening gevraagd en aan die mening wordt passend belang gehecht, in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid. Dat de kinderen de gezinsvervangende locatie niet goed zouden kunnen onderscheiden van een logeeradres, zoals de minister stelt, maakt dat niet anders. Het is een maatregel die betrekking heeft op de kinderen. Ten tweede geldt, in ieder geval voor de zoon, dat niet kan worden gezegd dat hij te jong is om zijn mening te geven. De rechtbank ziet daarvoor aanknopingspunten in de bestaande praktijk bij gerechtshoven en rechtbanken in het familierecht, waarin ook kinderen vanaf 8 jaar wordt gevraagd om hun mening kenbaar te maken en bovendien is opgenomen dat de rechter kan besluiten ook minderjarigen jonger dan acht jaar te horen. Als de minister al van oordeel zou zijn dat de kinderen te jong zijn om hun mening te geven of dat er andere redenen zouden zijn waarom zij hun mening niet zouden kunnen geven, bijvoorbeeld omdat dit schadelijk zou kunnen zijn, lag het op de weg van de minister dat te motiveren en zo nodig te onderbouwen. Dat is niet gebeurd. Bovendien biedt artikel 12 lid 2 IVRK daarvoor een oplossing, namelijk dat de kinderen door tussenkomst van eiseres hadden kunnen worden gehoord. Ook dat is niet gebeurd.
17. De rechtbank volgt de minister ook niet in de redenering dat het feitelijk gezien niet in de rede lag de kinderen naar hun mening te vragen. De minister wijst erop dat de kinderen bij het gehoor van eiseres aanwezig waren en dat niet blijkt dat zij daar zelf iets bijzonders van vonden. Het probleem is nu juist dat de kinderen daar niet naar is gevraagd, hetgeen juridisch gezien dus wel had gemoeten. Dat klemt te meer nu zij aanwezig waren bij het gehoor en het vragen naar hun mening een kleine moeite lijkt. Dat zij te jong zijn en het horen van de kinderen geen nut zou hebben, zoals de minister stelt, volgt de rechtbank gelet op rechtsoverweging 16 ook niet. Dat de situatie van de kinderen in het gehoor van eiseres aan de orde is geweest, laat voorts onverlet dat de kinderen niet zijn gehoord (artikel 5.2 Vb) en dat hen niet naar hun mening is gevraagd (artikel 12 IVRK). Ook de omstandigheid dat eiseres en de advocaat hier niet tijdens het gehoor op hebben gewezen, alsmede dat na het uitreiken van de maatregel uitleg is gegeven, maakt de op de minister rustende verplichting niet anders.
18. De minister komt tot slot tot de conclusie dat niet blijkt dat de kinderen op wat voor wijze in hun belangen zijn geschaad. Dit volgt de rechtbank niet. Het recht om te worden gehoord maakt deel uit van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging. Echter, niet elke schending van de rechten van de verdediging brengt zonder meer en in alle gevallen met zich dat de maatregel moet worden opgeheven. Dit is pas aan de orde indien uit de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval volgt dat de schending van het recht ook daadwerkelijk aan de vreemdeling de mogelijkheid heeft ontnomen zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben. Daaraan is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Immers, wanneer de kinderen niet worden gehoord of hun mening niet wordt gevraagd, is ook niet duidelijk wat zij hadden kunnen verklaren, welke waarde daaraan had moeten worden gehecht, kan dit niet bij de beoordeling van de minister worden betrokken en kunnen zij zich hier niet tegen verdedigen. Dit klemt te meer nu de kinderen juist een afzonderlijke maatregel moeten krijgen opgelegd volgens de uitspraak van de Afdeling uit 2022, om zelfstandig rechtstreeks toegang tot rechtsmiddelen te hebben.
19. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het beroep van de zoon en de dochter gegrond is, omdat zij voorafgaand aan het opleggen van de maatregel niet zijn gehoord en niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening kenbaar te maken. Dit betekent dat de maatregelen van bewaring van de zoon en de dochter onrechtmatig waren vanaf het begin. Deze onrechtmatigheid werkt door in de maatregel van bewaring van eiseres, die daardoor ook van aanvang af onrechtmatig is.
20. Omdat de bewaringsmaatregelen reeds vanwege het vorenstaande vanaf aanvang af onrechtmatig zijn, bestaat geen aanleiding voor een verdere bespreking van de maatregelen en wat verder namens eisers is aangevoerd.
21. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 3 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 3 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) x 3 personen = € 1.080,-.
22. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang van de zaken blijft de hoogte van de proceskostenveroordeling beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 1.080,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.