ECLI:NL:RBDHA:2026:7740

ECLI:NL:RBDHA:2026:7740

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 09/234935-25, 09/016319-24 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bewezenverklaring van gekwalificeerde verkrachting van een vijftienjarig meisje. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van verkrachting van een achttienjarige vrouw. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/234935-25, 09/016319-24 (tul)

Datum uitspraak: 3 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I. Raterman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. W. Römelingh naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Alphen aan den Rijn

met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [aangeefster 1] ,

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis

in de vagina van die [aangeefster 1]

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door

dwang, geweld en/of bedreiging, door

- telkens voorbij te gaan aan de verbale en non-verbale signalen van die [aangeefster 1]

dat ze geen seks wilde;

- te dreigen naar die [aangeefster 1] dat hij haar zou slopen en/of kapot te maken

wanneer zij geen seks met hem zou hebben en daarmee een zodanig dreigende

situatie te creëren waarin die [aangeefster 1] zich niet meer kon en durfde te verzetten

tegen de seksuele handelingen van verdachte en daaraan geen weerstand meer kon

en durfde te bieden;

2

hij op of omstreeks 18 juli 2025 te Leiden

met een persoon, te weten [aangeefster 2]

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis

in de vagina van die [aangeefster 2]

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die

[aangeefster 2] daartoe de wil ontbrak;

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

Vrijspraak feit 2 (verkrachting [aangeefster 2] )

De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Unus testis nullus testis

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (zie in dit verband ook de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, o.a. Hoge Raad 14 mei 2024 ECLI:NL:HR:2024:686)

Wat betreft het vereiste van steunbewijs kan uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken worden afgeleid dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van het vermeende slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring van het vermeende slachtoffer en het overige bewijsmateriaal mag echter geen te ver verwijderd verband bestaan.

Relevant voor de beoordeling van dit feit is dat verklaringen van getuigen over waarnemingen van de emotionele toestand van het slachtoffer steun kunnen bieden aan de verklaring van het slachtoffer (vgl. o.a. Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1460).

Gelet op de ontkenning van de verdachte in deze zaak dient er voor een bewezenverklaring sprake te zijn van voldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster [aangeefster 2] .

Uit de verklaring van de aangeefster komt naar voren dat zij met twee vrienden, [naam 1] en [naam 2] , bij de verdachte thuis was.

Rond 02:00 uur ’s nachts is zij naar de slaapkamer van de verdachte gegaan omdat zij wilde slapen. De verdachte is achter haar aan gegaan en toen hebben, zo staat in de verklaring van aangeefster, de tenlastegelegde handelingen plaatsgevonden. [naam 1] en [naam 2] waren op dat moment in de woonkamer en “helemaal van de kaart” door drugsgebruik, aldus aangeefster. Vervolgens is zij terug de woonkamer in gegaan en heeft desgevraagd tegen [naam 1] en [naam 2] gezegd dat zij “oke” was.

Aangeefster heeft verklaard dat zij met [naam 1] , [naam 2] en de verdachte in de woonkamer is gebleven tot ongeveer 03:00 à 04:00 uur. Vervolgens wilde zij opnieuw gaan slapen en is opnieuw de slaapkamer in gegaan. De verdachte is achter haar aan gegaan en zou opnieuw hebben geprobeerd om seks te hebben met aangeefster. Aangeefster was hier niet van gediend, heeft een kussen en dekens gepakt, is de woonkamer in gelopen en heeft gezegd dat ze “er helemaal klaar mee was”. Dit moment is door de officier van justitie ook aangeduid als “het dekenmoment”.

Uiteindelijk is aangeefster met [naam 1] en [naam 2] naar buiten gegaan en heeft zij hen verteld dat de verdachte haar heeft verkracht.

[naam 1] is later door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij aanvankelijk, rond 02:30 uur, bij de aangeefster en de verdachte in de slaapkamer is geweest en in bed heeft gelegen, maar dat hij misselijk werd en de kamer uit is gegaan. Hij heeft eveneens verklaard dat aangeefster de slaapkamer uit kwam rennen met kussens en dekens en dat ze tot drie keer toe heeft gezegd dat ze er helemaal klaar mee was. Voorts heeft [naam 1] verklaard dat aangeefster hem later heeft verteld dat ze verkracht is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over steunbewijs, en dan met name over verklaringen van getuigen over de waargenomen gemoedstoestand, is met name de verklaring van [naam 1] over het “dekenmoment” en de uitlating van aangeefster ‘er helemaal klaar mee te zijn’ van belang.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van de aangeefster en [naam 1] op dit punt uiteen lopen. Uit de verklaring van aangeefster volgt dat er sprake is geweest van twee momenten waarop zij samen met de verdachte in de slaapkamer was. Het eerste moment – rond 02:00 uur – is het moment waar de verkrachting volgens aangeefster heeft plaatsgevonden. Het tweede moment – rond 03:00 à 04:00 uur – is het moment dat eindigt met het “dekenmoment” en de uiting “er helemaal klaar mee te zijn”. [naam 1] spreekt evenwel niet over twee verschillende momenten maar over één moment, namelijk het moment dat eindigt met het “dekenmoment”. De rechtbank constateert dat de verkrachting blijkens de verklaring van aangeefster één tot twee uur voor dit moment heeft plaatsgevonden en niet toen aangeefster met de deken de slaapkamer uit kwam. Over dat eerste moment, en dan met name over de gemoedstoestand of uitingen van aangeefster toen, heeft [naam 1] – die volgens aangeefster door het drugsgebruik die nacht “helemaal van de kaart was” – evenwel niets verklaard.

Het vorenstaande maakt dat in de verklaring van [naam 1] onvoldoende steun kan worden gevonden voor de verklaring van aangeefster dat zij is verkracht door de verdachte.

Naast de verklaring van [naam 1] bevat het dossier geen aanvullend steunbewijs, ook niet wanneer al het bijkomende bewijs in onderlinge samenhang wordt bezien, zodat onder de streep slechts de verklaring van aangeefster overblijft.

Hoewel de situatie vragen oproept, is de enkele verklaring van aangeefster is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Alles afwegende kan de rechtbank daarom niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en zal zij de verdachte daarom vrijspreken.

Gebruikte bewijsmiddelen feit 1 (verkrachting [aangeefster 1] )

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2025297633 (onderzoek 15Venlo), van de politie eenheid Den Haag, team Zeden (DH), met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 180).

1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 september 2025, voor zover inhoudende (p. 9):

Op zondag 31 augustus 2025, omstreeks 19:30 uur, was ik verbalisant, in uniform gekleed en rijdend op een opvallende dienstmotor in de gemeente Alphen aan den Rijn. Aldaar kreeg ik, het verzoek te gaan naar het Europapark te Alphen aan den Rijn om te kijken of de weggelopen [aangeefster 1] daar was. Ter plaatse trof ik [aangeefster 1] aan in de Jongeren ontmoetingsplek. Ik zag dat [aangeefster 1] op haar mond gezoend werd. Ik zag dat deze zoen anders was, omdat ze niet reageerde. Ik vroeg aan haar of hij haar vriendje was.

Deze jongen liep naar mij toe, de jongen sprak Nederlands met een accent. Ook vertelde hij dat hij van Poolse afkomst was. Ik heb ongeveer 5 minuten tot 10 minuten met hem gesproken.

Toen ik rond 22:15 uur terug reed naar het Politiebureau zag ik een bromfiets voor het verkeerslicht stilstaan. Ik zette mijn motor naast de bestuurder. Ik kende deze brommer en bestuurder van bij de Jongeren ontmoetingsplek.

Ik hoorde de bestuurder tegen mij zeggen dat hij iets kwijt wilde over het "meisje", waarvoor ik naar de ontmoetingsplek was gekomen. Ik hoorde de bijrijder tegen de bestuurder zeggen; "weet je het zeker dat je het wil zeggen"? Ik hoorde de jongen antwoorden; "Ja, dat wil ik". De bestuurder vertelde mij dat het meisje tegen haar wil had geneukt. Degene die dit gedaan had was de jongen waarmee ik de hele tijd had gesproken.

Op maandag 1 september 2025, rond 13:30 uur was ik aan het bureau van Politie te

Alphen aan den Rijn. Aldaar was ik in gesprek met Senior Jeugd [naam 3] . Ik

vertelde [naam 3] het verhaal over de mogelijke verkrachting. Ik omschreef aan haar de man waarmee ik gesproken had en die door de jongen werd aangewezen als verdachte. Ik zag dat [naam 3] mij een SKDB foto liet zien met daarom een manspersoon. Ik herkende direct dat deze man op de foto de man was waarmee ik minuten lang had gesproken bij de Jongeren ontmoetingsplek.

Verdachte

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [voornamen]

Geboren: [geboortedatum 1] 2005

Geboorteplaats: [geboorteplaats] in [geboorteland]

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 september 2025, voor zover inhoudende (p. 12):

Op dinsdag 2 september 2025 had ik, verbalisant [verbalisant 1] , samen met collega [verbalisant 2] , een afspraak op politiebureau Alphen aan den Rijn met [aangeefster 1] geboren op [geboortedatum 2] 2010.

Ik zag dat [aangeefster 1] direct begon te huilen. [verbalisant 2] legde uit wat hij gehoord had van een van de vrienden van [aangeefster 1] . Hij legde uit dat hij had gehoord dat [aangeefster 1] seksuele handelen heeft moeten doen tegen haar wil in en vroeg of dit klopte.

Ik zag dat [aangeefster 1] aan het huilen was en knikte met haar hoofd dat het klopte.

Ik hoorde dat [aangeefster 1] zei dat ze op zondag 31 augustus rond 18.00 uur werd bericht door [verdachte] . [verdachte] had [aangeefster 1] meegenomen naar een tuintje achter de Wereldwijzer. Ik hoorde dat [aangeefster 1] vertelde dat [verdachte] had gezegd dat [aangeefster 1] seks met hem moest hebben. Hierop had [aangeefster 1] geantwoord dat ze dat niet wilde. Ik hoorde dat ze zei dat [verdachte] vervolgens haar bedreigde met dat als ze geen seks met hem zou hebben hij haar zou slopen.

Ik hoorde dat [aangeefster 1] bang was door de bedreiging dat [verdachte] had gehad. Ze vertelde dat ik ga je slopen betekende dat hij haar in elkaar zou slaan. Door deze uitspraak durfde ze geen nee meer te zeggen en heeft ze seks gehad met [verdachte] .

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , opgemaakt op 10 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 128):

V: Wat kan jij ons vertellen over wat er gebeurd is op 31 augustus 2025 waar [aangeefster 1] bij betrokken was?

A: Ik was bij Kenzi. Dat is in Kerk en Zanen, een skatepark. We waren met een he;e groep bij een bankje daar. Ik weet niet hoe laat, richting eind middag, toen gingen [verdachte] en [aangeefster 1] weglopen Mensen zeiden dat ze naar de speeltuin gingen. [aangeefster 1] zagen we een half uur later lopen, ze was alleen en ze zag er boos uit. Ze vertelden toen aan mensen dat ze was verkracht en dat ze het niet wou. [getuige 2] en ik gingen toen weg. Toen zagen we weer de wijkagent [wijkagent] . We hadden verteld wat er was gebeurd.

4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 12 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 132-134):

V: Jullie waren dus met een groepje in het Europapark?

A: Ja met een groep daar aan het chillen. [verdachte] was dat meisje, ergens achter, aan het neuken. Ik heb dat filmpje gezien.

V: Vertel eens vanaf het begin.

A: Ja, ik was met 5 a 6 vrienden aan het chillen. Een vriend van mij werd gebeld door [verdachte] . [verdachte] zei dat hij een meisje aan het neuken was. Hij zei letterlijk: Ik zweer het ik ben een meisje aan het neuken.

V: Die vriend wordt gebeld, en dan?

A: [verdachte] zei dat hij aan het neuken was. Wij geloofden hem niet maar vonden het zielig voor het meisje, want zij is minderjarig. Hij zei dat hij achter bij de Wereldwijzer was, bij het speeltuintje, haar aan het neuken was. Toen ging ik daar heen, met 4 a 5 mensen. Daar aangekomen zagen wij [verdachte] en het meisje. Ze waren toen niet meer aan het neuken.

V: Even terug naar dat jullie [verdachte] en dat meisje treffen. Hoe gaat het dan verder? A: We zijn toen weer terug gegaan naar het park en daar kwamen [verdachte] en het meisje ook bij ons. Toen kwam de politie, omdat ze weggelopen was van huis. Dit meisje zei toen nog tegen ons: [verdachte] zei dat hij mij dood ging maken als hij mij niet mocht neuken.

V: Hoe weet jij dat dit meisje verkracht is?

A: Omdat ik het filmpje had gezien, welke [verdachte] had gemaakt, en omdat zij dit tegen mij gezegd heeft. Ze zei dat ze bang was dat [verdachte] haar iets aan ging doen.

V: [verdachte] belt die vriend en zegt dat hij een meisje aan het neuken is. Jullie gaan naar de locatie waar [verdachte] zei dat hij en dat meisje waren en treffen hun daar aan. Hoe kan je de toestand van het meisje omschrijven op dat moment?

A: Zij vond het niet leuk.

V: Hoe weet je dat?

A: Dat heeft zij tegen mij gezegd. Zij was bang zei ze tegen mij.

V: Toen jullie daar aankwamen wat zag jij toen aan haar?

A: Dat zij aan het huilen was.

V: En verder?

A: Ik zag dat zij er door heen zat en vroeg aan haar wat er aan de hand was. Zij zei toen dat [verdachte] haar had geneukt zonder haar toestemming. Ik vroeg haar waarom zij het dan wel had gedaan. Ik hoorde haar toen zeggen dat zij bang van [verdachte] was.

V: Ze zegt ze zat er door heen, hoe weet je dat?

A: Omdat ik dat aan haar zag. Ze was aan het huilen. Ik vroeg toen aan haar wat er was en ze zei: Ik wilde het niet. Ik zei toen: Waarom heb je het dan wel gedaan Zij zei toen: Ik wilde het niet maar hij was dronken en drong aan dat ik het wel moest doen.

V: Op welke moment verteld het meisje dan over het doodmaken?

A: Nou dat vertelde zij op het moment dat wij samen aan het praten waren. Ze zei letterlijk tegen mij dat zij bang was omdat [verdachte] had gezegd hij haar iets aan zou doen.

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 maart 2026, voor zover inhoudende:

Ik heb inderdaad seks gehad met [aangeefster 1] . U, voorzitter, vraagt mij of het klopt dat ik op 31 augustus 2025 bij het speeltuintje van de school met mijn penis in haar vagina ben gegaan. Ja.

Bewijsoverwegingen

Vast staat dat de verdachte seks op 31 augustus 2025 heeft gehad met [aangeefster 1] (hierna; [aangeefster 1] ), bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam. [aangeefster 1] was op dat moment 15 jaar oud. De vraag is of wettig en overtuigend bewezen is of dit seksueel binnendringen voorafgegaan werd door dwang, geweld of bedreiging, of daarmee vergezeld ging of door gevolgd werd.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

[aangeefster 1] heeft vlak na het incident tegen getuige [getuige 2] verklaard dat ze seks heeft gehad met de verdachte terwijl ze dat niet wilde, en dat hij haar heeft gedwongen seks met hem te hebben door haar te bedreigen met geweld. [aangeefster 1] vertelde dit tegen [getuige 2] kort na het gebeurde, en nog voordat er enig contact was met de politie of andere derden.

Getuige [getuige 2] heeft ook verklaard dat hij toen heeft gezien dat [aangeefster 1] huilde en dat hij zag dat zij ‘er door heen zat’. Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard over de gemoedstoestand van [aangeefster 1] . Volgens deze getuige zag [aangeefster 1] er ‘bozig’ uit.

Getuige [getuige 2] heeft diezelfde avond, zonder medeweten van [aangeefster 1] , de wijkagent, die hij tegenkwam bij een stoplicht, verteld dat [aangeefster 1] tegen haar wil seks had gehad. Naar aanleiding daarvan is [aangeefster 1] uitgenodigd op het politiebureau en heeft zij daar (twee dagen na het feit) aan de politie een verklaring van dezelfde strekking afgelegd. Ook toen toonde [aangeefster 1] zich geëmotioneerd.

Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van [aangeefster 1] betrouwbaar en waarheidsgetrouw is. De overeenstemming tussen de haar verklaringen over dwang en bedreiging met geweld, eerst tegen getuige [getuige 2] en later bij de politie, vormt een aanwijzing voor de betrouwbaarheid van die verklaringen. Het feit dat [aangeefster 1] direct na de seks, en nog voor enig contact met de politie, over de bedreiging heeft verklaard, draagt bij aan de authenticiteit van haar verklaringen. Hetzelfde geldt voor de waargenomen gemoedstoestand van [aangeefster 1] .

Het verweer van de raadsman dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat de feitelijke toedracht van het gebeurde niet zou kunnen worden vastgesteld wegens bijvoorbeeld het ontbreken van DNA-materiaal van de verdachte bij de schaamstreek van [aangeefster 1] , acht de rechtbank onvoldoende om tot een vrijspraak te komen. Dat er seks is geweest, staat vast op basis van de verklaringen van zowel aangeefster als de verdachte zelf. Het ontbreken van DNA-materiaal doet daar niet aan af. Het is goed mogelijk dat er wel seks is geweest, terwijl (zoals hier het geval) de afgenomen monsters geen DNA-match met de verdachte hebben opgeleverd. De rechtbank verwerpt het verweer.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 31 augustus 2025 te Alphen aan den Rijn

met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [aangeefster 1] ,

seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen en houden en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis

in de vagina van die [aangeefster 1]

en welke verkrachting werd voorafgaan door,

dwang of bedreiging, door

- telkens voorbij te gaan aan de verbale signalen van die [aangeefster 1]

dat ze geen seks wilde;

- te dreigen naar die [aangeefster 1] dat hij haar zou slopen en/of kapot te maken

wanneer zij geen seks met hem zou hebben en daarmee een zodanig dreigende

situatie te creëren waarin die [aangeefster 1] zich niet meer kon en durfde te verzetten

tegen de seksuele handelingen van verdachte en daaraan geen weerstand meer kon

en durfde te bieden;

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat, mocht de rechtbank niet tot vrijspraak komen, de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging omdat sprake is van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 248 lid 3 Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens de verdediging is sprake van een seksuele relatie tussen leeftijdsgenoten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op dit punt geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

In het derde lid van artikel 248 Sr is, een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor gelijkwaardig, vrijwillig seksueel contact, wanneer het slachtoffer onder de 16 jaar is en de verdachte een leeftijdsgenoot. Aangezien de seks niet vrijwillig was, maar onder bedreiging van geweld, is deze strafuitsluitingsgrond reeds om die reden niet van toepassing.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op zijn standpunt van vrijspraak c.q. ontslag van alle rechtsvervolging, geen nader standpunt ingenomen ten aanzien van een op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde verkrachting van de minderjarige [aangeefster 1] , door haar onder dreiging met geweld te dwingen tot seks.

Minderjarigen worden in het algemeen onvoldoende in staat geacht hun seksuele integriteit te bewaken, waardoor zij beschermd (moeten) worden tegen zichzelf en anderen die in dat verband misbruik van hen willen maken. Om die reden is seks met een minderjarige van 15 jaar reeds strafbaar. Dat er, zoals in dit geval ook dwang aan te pas kwam, verhoogt de strafwaardigheid. De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Het slachtoffer heeft verklaard dat dit de eerste keer was dat zij seks heeft gehad. De verdachte heeft zijn lustgevoelens vooropgesteld zonder oog te hebben voor de mogelijk nadelige psychische gevolgen of gevolgen voor de seksuele ontwikkeling die het feit op de lange termijn bij het slachtoffer teweeg zou kunnen brengen. Bovendien was de seks onbeschermd, en heeft hij daarmee het risico op geslachtsziektes en zwangerschap op de koop toegenomen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Kwalijk is verder de respectloze houding van de verdachte jegens het slachtoffer. Zo had hij [aangeefster 1] in zijn telefoon opgeslagen onder de naam “Just a hoe 2”, vrij te vertalen als zomaar een hoer, nr. 2’. Ook op zitting heeft de verdachte geen enkele blijk gegeven van inzicht in de ernst en laakbaarheid van zijn handelen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025. Uit het strafblad volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar wel in een proeftijd loopt voor een eerdere veroordeling, waarvoor door de officier van justitie ook de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 12 december 2025, waaruit blijkt dat sprake is van problematiek op het gebied van middelengebruik, huisvesting, het sociale netwerk, dagbesteding, psychosociaal functioneren en de houding van verdachte. De reclassering schat het recidiverisico gemiddeld in. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, een contactverbod met de aangeefster, het volgen van een opleiding, dan wel het vinden van passende dagbesteding/dagstructuur en het meewerken aan middelencontrole.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij sancties die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, passend en geboden. Dit is een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van feit 2.

De rechtbank ziet aanleiding om de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht erop dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, het gebrek aan inzicht en de onveranderde houding van de verdachte jegens vrouwen maakt dat er ernstig rekening mee moet worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een bedrag aan schadevergoeding van € 7.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel tot schadevergoeding. Dit bedrag bestaat in zijn geheel uit immateriële schade.

[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een bedrag aan schadevergoeding van € 7.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel tot schadevergoeding. Dit bedrag bestaat in zijn geheel uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om beide vorderingen benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging. De verdediging heeft voorts nog betoogd dat geen sprake is van schade in de zin van geestelijk letsel en dat er sprake lijkt te zijn van problematiek die al bestond voordat de tenlastegelegde feiten zouden zijn gepleegd. De verdediging heeft de rechtbank voorts verzocht om, mocht zij toekomen aan toewijzing van de vordering benadeelde partij, zij dan niet de gijzeling oplegt die gepaard gaat met de schadevergoedingsmaatregel, in verband met het ontbreken van inkomen.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering tot schadevergoeding van [aangeefster 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien

de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

De vordering tot schadevergoeding van [aangeefster 1]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 7.500,-.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 7.500,-, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] .

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 17 oktober 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/016319-24 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 27 maart 2024 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat het gaat om een andersoortige gebeurtenis en dat tenuitvoerlegging in het licht van onderhavige verdenking geen meerwaarde heeft.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 17 oktober 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 27 maart 2024, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36f, 248 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VIER (4) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot ÉÉN (1) JAAR, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich na het ingaan van de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor, [adres] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

2 zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

3 gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

4 gedurende de de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangeefster 1] (geb. [geboortedatum 2] 2010), zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;

5 gedurende de proeftijd een opleiding bouw en techniek volgt bij het ROC en zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur;

6 meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

beveelt dat bovengenoemde onder 4 bijzondere voorwaarde en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

de vordering van de benadeelde partij van [aangeefster 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 7.500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

de vordering van de benadeelde partij van [aangeefster 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 27 maart 2024, gewezen onder parketnummer 09/016319-24 te weten een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Snoeijer, voorzitter,

mr. G. Kuijper, rechter,

mr. dr. C. Hofman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Snoeijer
  • mr. G. Kuijper
  • mr. dr. C. Hofman

Griffier

  • mr. I. Verhagen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?