[naam], eiser/verzoeker,
geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 december 2025 niet in behandeling genomen, omdat eiser niet is verschenen op het nader gehoor en niet binnen een periode van twee weken heeft aangetoond dat hem dit niet aan te rekenen is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld als een vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem toe te rekenen is.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de uitnodiging voor het nader gehoor in persoon heeft ontvangen.
5. De rechtbank stelt verder vast dat op 27 november 2025 een voornemen is uitgebracht. Hierin is eiser in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk contact op te nemen en een geldige reden te geven voor het niet verschijnen bij het gehoor. Op 11 december 2025 heeft eiser een zienswijze ingediend. Hierin heeft hij laten weten dat hij gelijktijdig een afspraak had bij de oogarts. Eiser kan bovendien niet lezen en schrijven. Het niet verschijnen berust daarom op een misverstand.
6. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat het niet verschijnen op het gehoor hem niet aangerekend kan worden. De minister heeft terecht overwogen dat eiser de afspraak bij de oogarts niet met stukken heeft onderbouwd. De enkele stelling dat eiser een medische afspraak had, is dan ook onvoldoende voor het oordeel dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Ook is niet gebleken dat eiser niet in de gelegenheid is geweest om vooraf contact op te nemen met de minister over de afspraak voor het nader gehoor. Dat eiser analfabeet is en de uitnodiging en de gevolgen van het niet verschijnen niet kan lezen, leidt niet tot een ander oordeel. Op zitting is gebleken dat het voor eiser niet onduidelijk was dat hij gelijktijdig een andere afspraak had, maar ziet de onduidelijkheid vooral op de vraag met wie hij de afspraak had en wat de gevolgen waren van het niet verschijnen op deze afspraak. De stelling van eiser op zitting dat het COa hem heeft geadviseerd om voorrang te geven aan de afspraak bij de oogarts, maakt het voorgaande niet anders. Het had immers op de weg van eiser gelegen om navraag te doen naar de inhoud van de uitnodiging. Niet is gebleken dat eiser hiertoe geen mogelijkheden heeft gehad. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door zich niet ervan te vergewissen dat eiser de informatie in de brief daadwerkelijk heeft begrepen. De rechtbank volgt eiser evenmin in het standpunt dat de minister zonder nader onderzoek heeft geconcludeerd dat eiser verwijtbaar niet is verschenen. Eiser is immers in de gelegenheid gesteld om toe te lichten waarom hij niet is verschenen en heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De minister heeft de aanvraag dan ook terecht buiten behandeling gesteld.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026 door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie gepubliceerd op rechtspraak.nl op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak voor zover die ziet op de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.