ECLI:NL:RBDHA:2026:7849

ECLI:NL:RBDHA:2026:7849

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer NL26.15687
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Volgberoep Liberia – om te kunnen voldoen aan artikel 15 van richtlijn 2008/115 zoals dit door het Hof in het arrest Aroja van 5 maart 2026 is verduidelijkt, zal verweerder ook in volgberoep-procedures alle eerder vastgestelde terugkeerbesluiten en inreisverboden moeten overleggen en ook informatie moeten verschaffen over alle mogelijk eerdere periodes dat een vreemdeling in bewaring is gehouden om de terugkeer voor te bereiden en/of uit te voeren. In de onderhavige procedure stelt de rechtbank vast dat de rechtmatigheid van het eerder vastgestelde verlengingsbesluit nimmer is beoordeeld omdat verweerder de bewaring eerder uit eigen beweging heeft opgeheven omdat de kennisgeving van de verlenging niet tijdig aan de rechtbank was verzonden. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het VB daarom alsnog in de volgberoep-procedure ondanks dat eiser thans op grond van een andere maatregel in bewaring wordt gehouden. De rechtbank overweegt dat het arrest Aroja ook aanleiding geeft om de totale duur dat een vreemdeling in bewaring is gehouden om de terugkeer voor te bereiden en/of uit te voerden te betrekken bij de vraag of voldoende voortvarend aan de verwijdering wordt gewerkt, of zicht op uitzetting bestaat en of de maatregel proportioneel en evenredig is. In de onderhavige procedure leidt de totale duur van de bewaring uit hoofde van richtlijn 2008/115 niet tot de conclusie dat de maatregel moet worden opgeheven. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.15687

geboren op [geboortedatum] 1986, Liberiaanse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer],

eiser,

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Verweerder heeft de rechtbank tijdig een kennisgeving van de voortduring van de tenuitvoerlegging van de maatregel toegezonden. Deze kennisgeving wordt aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft op 20 maart 2026 de gemachtigde die beroep tegen de oplegging van de maatregel heeft ingesteld en eiser in die procedure heeft bijgestaan verzocht om aan te geven of hij bereid en in staat is om eiser bij te staan in de onderhavige volgberoep-procedure. Gemachtigde van eiser heeft op 23 maart 2026 aangegeven eiser bij te zullen staan in de onderhavige procedure.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft beroepsgronden geformuleerd en verweerder heeft hier op gereageerd en een zogenoemde aanbiedingsbrief overgelegd.

De rechtbank heeft op 25 maart 2026 na ontvangst van bovengenoemde stukken een bericht in het dossier geplaatst met de navolgende tekst:

(…)

De rechtbank verzoekt verweerder om uiterlijk maandag 30 maart 2026 om 10:00 uur de navolgende stukken aan het dossier toe te voegen:

- alle eerder vastgestelde terugkeerbesluiten;

- de maatregel van bewaring op grond waarvan eiser thans in bewaring wordt gehouden en het daaraan voorafgegane gehoor (M110);

- een M120 waarin alle eerdere maatregelen van bewaring en de duur van de tenuitvoerlegging hiervan zijn vermeld;

- het verlengingsbesluit dat zou zijn genomen;

- de uitspraak die in verband met het verlengingsbesluit tot opheffing van de maatregel heeft geleid.

De rechtbank heeft partijen op 25 maart 2026 tevens medegedeeld dat de kennisgeving op 31 maart 2026 op zitting wordt behandeld en dat eiser niet wordt opgeroepen om in persoon te worden gehoord.

Verweerder heeft de gevraagde stukken aan het dossier toegevoegd en tevens een tweede aanbiedingsbrief aan het dossier toegevoegd.

Beide partijen hebben zich op 31 maart 2026 ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en medegedeeld dat binnen een week schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft met partijen besproken dat de kennisgeving op zitting wordt behandeld om partijen hun zienswijze te kunnen laten geven over de vraag of het arrest van het Hof van 5 maart 2026 in de zaak Aroja (C-150/24, ECLI:EU:C:2026:148) gevolgen heeft voor de rechtmatigheidsbeoordeling in de onderhavige procedure.

2. De rechtbank heeft in dit verband allereerst opgemerkt dat verweerder in procedures waarin een vreemdeling op grond van richtlijn 2008/115 in bewaring wordt gehouden, de rechtbank in staat moet stellen om na te gaan wanneer terugkeerbesluiten zijn vastgesteld, of de rechtmatigheid hiervan door de rechter is gecontroleerd en of de vreemdeling eerder dan op grond van de actuele maatregel in bewaring is gehouden om de verwijdering voor te bereiden en/of uit te voeren en of er reeds een verlengingsbesluit is genomen. Indien alleen de voortduring van de tenuitvoerlegging van de maatregel aan de orde is, dient verweerder tevens wederom de maatregel op grond waarvan de vreemdeling in bewaring wordt gehouden en de bijbehorende M110 aan het dossier toe te voegen omdat het volgberoep wordt toebedeeld aan de rechter die de (eerste) beroepen van die week behandelt en dit dus niet zonder meer de rechter is die in een eerdere fase van de terugkeerprocedure ook de rechtmatigheid van de oplegging van de maatregel heeft gecontroleerd.

3. In de aanvankelijk overgelegde M120 is vermeld dat “er op 2 augustus 2023 reeds een verlengingsbesluit is opgemaakt en aan betrokkene is uitgereikt en dat er daarom niet opnieuw een verlengingsbesluit opgemaakt hoeft te worden (Aroja arrest).” In de onderhavige procedure kon op grond van de aanvankelijk overgelegde M120 echter niet worden vastgesteld wanneer eiser gedurende welke termijn(en) voorafgaand aan oplegging van de actuele maatregel reeds in bewaring was gehouden ter fine van terugkeer. Uit deze M120 blijkt ook dat deze niet volledig is omdat hierin één terugkeerbesluit is vermeld, terwijl het vermelde inreisverbod van een eerdere datum is. De rechtbank heeft verweerder daarom verzocht om het dossier te completeren.

4. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van het opleggen en voortduren van de maatregel van bewaring op grond waarvan eiser thans in bewaring wordt gehouden eerder beoordeeld. Uit de uitspraak van 12 januari 2026 (in de zaak NL25.63225, ECLI:NL:RBLIM:2026:238, niet gepubliceerd) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 6 januari 2026), rechtmatig was. De rechtbank beoordeelt in de onderhavige procedure de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

5. De rechtbank zal in deze procedure echter eerst de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit beoordelen omdat dit niet eerder is geschied. Ten tijde van de eerdere uitspraak van 12 januari 2026 was het arrest Aroja niet gewezen. Weliswaar legt het Hof reeds bestaand Unierecht uit. In de nationale rechtsorde is echter onvoldoende onderkend hoe artikel 15 van richtlijn 2008/115 moet worden begrepen. Verweerder heeft op 2 augustus 2023 een verlengingsbesluit vastgesteld en vanaf 6 augustus 2023 is dit de grondslag geweest van de tenuitvoerlegging van de maatregel die op 7 februari 2023 is opgelegd. Verweerder heeft deze maatregel op 6 september 2023 uit eigen beweging opgeheven omdat verweerder de kennisgeving van het verlengingsbesluit niet tijdig naar de rechtbank heeft verzonden. De rechtmatigheid van het verlengingsbesluit is niet eerder door de rechtbank gecontroleerd. De rechtbank is het eens met partijen dat de grondslag van de huidige vrijheidsontneming de op 5 december 2025 opgelegde maatregel is. Indien de maatregel echter in eerdere fase van de terugkeerprocedure ten onrechte is verlengd, zal verweerder alsnog moeten motiveren dat eiser langer dan zes maanden in bewaring mag worden gehouden om de terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren.

6. De rechtbank overweegt dat niet een onverwijlde toetsing van het verlengingsbesluit niet zonder meer de verdere tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig maakt. Het Hof heeft immers in het eerder genoemde arrest Aroja onder meer het navolgende voor recht verklaard:

(…)

4) Artikel 15, lid 3, tweede volzin, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat bij gebreke van een spoedige rechterlijke toetsing van het administratieve besluit om de bewaring te verlengen na afloop van de krachtens artikel 15, lid 5, van die richtlijn vastgestelde oorspronkelijke maximumduur van zes maanden, niet automatisch de verplichting ontstaat om de bewaring onmiddellijk te beëindigen wanneer aan alle materiële voorwaarden voor handhaving van de bewaring is voldaan op het tijdstip waarop die rechterlijke toetsing wordt verricht en de krachtens artikel 15, lid 6, van die richtlijn vastgestelde maximale bewaringsduur niet is bereikt.

(…)

7. De rechtbank overweegt dat het verlengingsbesluit van 2 augustus 2023 geen onrechtmatigheden bevat. Naast de grondslag, het onttrekkingsrisico, de redenen om niet te volstaan met een lichter middel, is ook genoegzaam gemotiveerd dat voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging. Hoewel dit niet kenbaar is gemotiveerd in het verlengingsbesluit, kan hieruit ook worden afgeleid dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement niet aan de uitvoering van het eerder vastgestelde terugkeerbesluit in de weg staan. In het verlengingsbesluit is vermeld dat daags voor de inbewaringstelling de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk is verklaard maar dat eiser wel is gehoord over zijn asielmotieven. Dit betekent, ondanks de uiteindelijke niet-ontvankelijkverklaring, dat is beoordeeld of aan eiser internationale bescherming moest worden verleend. Dit impliceert dat is beoordeeld of eiser kan terugkeren naar zijn land van herkomst of dat het beginsel van non-refoulement hieraan in de weg staat. Tevens is in het verlengingsbesluit kenbaar beoordeeld of de medische problematiek van eiser in de weg staat aan de bewaringsmaatregel. Weliswaar is niet kenbaar beoordeeld of de medische problematiek, die geen terecht geen aanleiding heeft gegeven om een lichter middel toe te passen, in de weg staat aan de terugkeer naar Liberia. Uit alle overlegde stukken blijken evenwel geen indicaties dat de medische problematiek of de behandeling die eiser hiervoor in Nederland zou ondergaan meebrengen dat ten tijde van het verlengingsbesluit had moeten worden vastgesteld dat de verwijdering niet kan plaatsvinden. De rechtbank wijst er hierbij op dat in de eerste asielprocedure die eiser heeft doorlopen beoordeeld is of uitstel van vertrek moest worden verleend en dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen die afwijzende beschikking. Dit is benoemd in het verlengingsbesluit, waarin ook is vermeld dat eiser meerdere aanvragen om een verblijfsvergunning heeft gedaan. Al deze aanvragen zijn afgewezen en al deze afwijzingen omvatten een terugkeerbesluit. Eiser heeft ten tijde van het verlengingsbesluit niet aangevoerd dat sprake is van een zodanige wijziging van feiten en omstandigheden waaruit zou volgen dat het eerder vastgesteld terugkeerbesluit achterhaald is en niet kan worden uitgevoerd. In de eerdergenoemde bewaringsuitspraak van 12 januari 2026 heeft eiser als beroepsgrond aangevoerd dat er geen rechtsgeldig terugkeerbesluit aan de maatregel ten grondslag ligt. De rechtbank heeft die grond verworpen. Dit betekent dat op 12 januari 2026 weliswaar geen zelfstandige rechtmatigheidsbeoordeling van het verlengingsbesluit heeft plaatsgevonden, maar dat de grondslag van de terugkeerprocedure wel kenbaar is beoordeeld en dat er geen redenen zijn geweest om op dat moment te oordelen dat de verwijdering niet kan plaatsvinden. De rechtbank concludeert dus dat het verlengingsbesluit inhoudelijk juist is en rechtmatig is vastgesteld. Dat verweerder in verband met de opheffing van de vorige maatregel schadevergoeding heeft aangeboden omdat niet tijdig een kennisgeving van de verlenging van de maatregel aan de rechtbank is verzonden en eiser deze schadevergoeding heeft aanvaard en vervolgens het beroep tegen het verlengingsbesluit heeft ingetrokken, leidt niet tot een andere conclusie.

8. Gemachtigde van eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een ‘spoedige rechterlijke toetsing’ en de voortduring van de hernieuwde inbewaringstelling daarom onrechtmatig is. De rechtbank volgt dit niet. Na de vaststelling van het verlengingsbesluit heeft verweerder de destijds opgelegde maatregel opgeheven. De periode die eiser in bewaring is gehouden nadat het verlengingsbesluit is vastgesteld is niet zodanig lang dat reeds hierdoor moet worden geoordeeld dat de tenuitvoerlegging onrechtmatig is geworden dan wel vanaf heden onrechtmatig moet worden geacht. Eiser heeft bovendien op geen enkel moment betwist dat aan de voorwaarden voor verlenging niet zou zijn voldaan en uit het -inmiddels omvangrijke- dossier blijkt dit ook niet. Omdat de bewaring kort na de vaststelling van het verlengingsbesluit is opgeheven en daardoor een nieuwe maatregel moest worden opgelegd, heeft bovendien een spoedige hernieuwde rechterlijke beoordeling van de vrijheidsontneming plaatsgevonden.

9. Gemachtigde van eiser heeft in de gronden tegen de voortduring van de maatregel aangevoerd dat in de maatregel niet kenbaar is gemotiveerd dat het non-refoulementbeginsel zich niet verzet tegen de verwijdering en de maatregel daarom moet worden opgeheven. De rechtbank overweegt dat de rechterlijke controle van de (oplegging van de) maatregel reeds heeft plaatsgevonden en dat indien eiser het niet eens is met de uitspraak van 12 januari 2026, hij zijn grieven hiertegen kenbaar kan maken bij de Afdeling. De rechtbank stelt verder vast dat in de te toetsen periode niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat inmiddels de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de verwijdering in de weg staan. Er is geen actuele medische informatie overgelegd en de rechtbank ziet geen aanleiding, gelet op de wel beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting, om actuele informatie op te vragen.

10. Ter zitting is verder aan de orde gekomen dat in de M120 is vermeld dat de DIA op 19 maart 2026 de consul op de Liberiaanse ambassade heeft gesproken en daar te horen heeft gekregen dat ‘de autoriteiten in Liberia op dit moment bezig zijn met een nieuw systeem voor afgifte van reisdocumenten en nog niet duidelijk is wanneer dit is afgerond en dat de ambassadeur hierover ook in gesprek is met de autoriteiten.’ De rechtbank overweegt dat deze informatie op dit moment (nog) niet tot de conclusie leidt dat zicht op uitzetting ontbreekt omdat er geen vervangend reisdocument zal worden verkregen. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder en gemachtigde nauwgezet in de gaten houden of de Liberiaanse autoriteiten voldoende inspanningen leveren om in staat te zijn hun eigen onderdanen terug te nemen en dat bij twijfel hieraan ook een volgberoep wordt ingediend. Dat de Liberiaanse autoriteiten niet zouden meewerken aan de terugkeer van eiser blijkt niet uit het dossier. Eiser is immers schriftelijk en vervolgens ook in persoon gepresenteerd en de nationaliteit is reeds bevestigd. In 2023 hebben de autoriteiten bovendien een vervangend reisdocument afgegeven. Het terugkeerbesluit kan dus worden uitgevoerd omdat zicht op uitzetting niet ontbreekt.

11. De grond van eiser dat verweerder niet voortvarend aan de verwijdering werkt slaagt niet. Uit de inmiddels overlegde stukken blijkt genoegzaam dat verweerder voldoende frequent rappelleert op de aanvraag om een vervangend reisdocument te verschaffen en dat verweerder vertrekgesprekken met eiser voert. Verweerder is op dit moment afhankelijk van de verkrijging van een document waarmee eiser kan reizen en kan dus geen andere of méér vertrekhandelingen uitvoeren. Dat verweerder na een vertrekgesprek te hebben gehouden op 7 januari 2025, pas op 5 februari 2026 een volgend vertrekgesprek heeft gehouden, betekent niet dat de maatregel onrechtmatig is geworden. In beginsel vindt elke 4 weken een vertrekgesprek plaats om eiser te informeren over de stand van zaken en om na te gaan wat de proceshouding van eiser is en om te onderzoeken of inmiddels moet worden volstaan met een lichter middel. De proceshouding van eiser is echter gedurende de gehele vertrekprocedure te kwalificeren als niet meewerkend, verweerder is daarom afhankelijk van de Liberiaanse autoriteiten en dat inmiddels moet worden volstaan met een lichter middel blijkt ook niet. De rechtbank verbindt daarom in deze procedure geen gevolgen aan de omstandigheid dat er niet exact elke 4 weken met eiser is gesproken.

12. De rechtbank overweegt tot slot, zoals met partijen ter zitting besproken, dat het arrest Aroja ook aanleiding geeft om de totale duur dat een vreemdeling in bewaring is gehouden om de terugkeer voor te bereiden en/of uit te voerden te betrekken bij de vraag of voldoende voortvarend aan de verwijdering wordt gewerkt, of zicht op uitzetting bestaat en of de maatregel proportioneel en evenredig is. Verweerder heeft eiser inmiddels nagenoeg 11 maanden in bewaring gehouden om het laatst vastgestelde terugkeerbesluit uit te voeren. De rechtbank overweegt dat dit op dit moment niet leidt tot de opheffing van de maatregel.

13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

14. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.B.J. Schreijen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 april 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?