RECHTBANK DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-777064-18
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beslissing op de op 16 februari 2026 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,
wonende: [adres] ,
die bij vonnis van 11 april 2019 voorwaardelijk is veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).
Bij beschikking van 18 juli 2019 is de PIJ-maatregel ten uitvoer gelegd. Deze maatregel is nadien steeds verlengd.
De PIJ-maatregel is vervolgens voorwaardelijk beëindigd op 1 juli 2024.
Bij beschikking van 11 juli 2024 heeft de rechtbank voorwaarden vastgesteld in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel.
Vervolgens is bij beschikking van 30 april 2025 de vordering tot terugplaatsing in een inrichting toegewezen tot 1 juli 2025 en is de voorwaardelijke beëindiging verlengd met 12 maanden.
Op 16 februari 2026 heeft de officier van justitie de voorlopige terugplaatsing van de veroordeelde in een penitentiaire inrichting gevorderd. Op 16 februari 2026 is deze vordering afgewezen door de rechter-commissaris.
De vordering
De vordering van de officier van justitie van 16 februari 2026 strekt ertoe dat last zal worden gegeven tot terugplaatsing in een inrichting, een en ander als bedoeld in artikel 6:6:32 lid 3 onder c van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
De procesgang
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in deze zaak, waaronder: het advies tot terugplaatsing in een inrichting van 12 februari 2026, het aanvullende advies van 5 maart 2026 en
het voortgangsverslag PIJ van 2 december 2025.
Deze verslagen zijn opgesteld door [naam 1] , reclasseringsmedewerker van GGZ Fivoor, en
[naam 2] , unitmanager van GGZ Fivoor. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het ter zitting overgelegde verslag van [instelling] van 9 maart 2026.
De rechtbank heeft op 10 maart 2026 de vordering behandeld ter openbare zitting. Verschenen en gehoord zijn:
- de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. de Bruijn;
- de officier van justitie, mr. L. Post;
- de reclasseringsmedewerker van GGZ Fivoor, mevrouw [naam 1] .
Het advies
Uit het advies van de reclassering van 12 februari 2026 blijkt - kort samengevat - dat de uitvoering van de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel moeizaam is verlopen. De veroordeelde is zijn afspraken structureel niet nagekomen en heeft zich niet aan de voorwaarden gehouden, waardoor hij in april 2025 een aantal maanden is teruggeplaatst in een penitentiaire inrichting (hierna: PI). Sindsdien is er onvoldoende verbetering te zien. Het traject van de veroordeelde is meermaals gestagneerd, omdat hij zich niet aan de afspraken houdt, hij is tweemaal gerecidiveerd en is daarvoor gedetineerd geweest. Door een en ander ziet de reclassering op dit moment geen mogelijkheden om binnen de resterende periode van de PIJ-maatregel tot een gedragsverandering en risicobeperking te komen. De veroordeelde heeft in december 2025 nog één kans gekregen en kreeg het aanbod om bij [instelling] in [plaats] te gaan wonen en zich in te zetten voor een positieve gedragsverandering. Hij is inderdaad bij [instelling] gaan wonen. Ondanks dat het verblijf aldaar positief verloopt, houdt de veroordeelde zich nog steeds niet aan de afspraken met de reclassering en is hij niet altijd in contact. Dit maakt dat de reclassering een terugplaatsing voor de resterende duur van de PIJ-maatregel adviseert.
Naar aanleiding van de zitting bij de rechter-commissaris op 16 februari 2026 heeft de reclassering nog een aanvullend advies d.d. 5 maart 2026 opgesteld. De veroordeelde ook na de zitting bij de rechter-commissaris onvoldoende verbetering in zijn gedrag laten zien. Er bestaat nog steeds onduidelijkheid over het werk van de veroordeelde. De veroordeelde communiceert daarover onvoldoende, waardoor de reclassering niet heeft kunnen verifiëren of de veroordeelde daadwerkelijk een baan heeft. Daarnaast legt hij de verantwoordelijkheid voor het missen van afspraken volledig buiten zichzelf. Hierdoor blijft het lastig om uitvoering te geven aan de gestelde bijzondere voorwaarden.
De reclassering heeft ter zitting aangevuld dat zij voorafgaand aan de zitting van de veroordeelde heeft gehoord dat hij een nieuwe baan heeft. De reclassering is daarover niet door de veroordeelde geïnformeerd en heeft geen arbeidsovereenkomst ontvangen, dus kan ook dit alweer niet verifiëren. Ten aanzien van de woonplek bij [instelling] heeft de reclassering aangegeven dat dit via de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) is geregeld en niet via de reclassering. Bij een eventuele terugplaatsing zal de veroordeelde zijn plek bij [instelling] verliezen, maar kan hij mogelijk daarna via de Wmo weer een plek krijgen.
De standpunten
De officier van justitie heeft de vordering gehandhaafd. De officier van justitie heeft daartoe naar voren gebracht dat er bij de rechter-commissaris op 16 februari 2026 een duidelijk rapport lag van de reclassering, waaruit bleek dat de veroordeelde meerdere waarschuwingen had gehad en de communicatie en het contact met de reclassering niet goed verliep. Sindsdien wordt door de reclassering geen gedragsverandering gezien. Het is positief dat het wonen bij [instelling] goed verloopt, maar verplicht reclasseringscontact maakt onderdeel uit van de PIJ-maatregel en dus dient de veroordeelde zich ook aan de afspraken met de reclassering te houden. Nu de reclassering geen mogelijkheden ziet om binnen de PIJ-maatregel interventies in te zetten om tot een gedragsverandering te komen, ziet de officier van justitie geen andere mogelijkheid dan een terugplaatsing te vorderen voor de resterende duur van de PIJ-maatregel.
De raadsman van de veroordeelde heeft verzocht de vordering af te wijzen. De raadsman heeft daartoe naar voren gebracht dat het probleem vooral lijkt te zitten in het contact en de communicatie met de reclassering. De veroordeelde is daar open over en geeft toe dat het hem niet altijd lukt om op een juiste manier te communiceren. Dit heeft ook te maken met de persoonlijke problematiek en de beperkte mogelijkheden van de veroordeelde. De veroordeelde doet zijn best en probeert het echt, maar het vraagt veel van hem. Positief is dat het wonen en de begeleiding bij [instelling] goed verloopt, zoals ook blijkt uit het verslag van [instelling] van 9 maart 2026. De veroordeelde is begeleidbaar, komt zijn afspraken na, heeft goed contact met zijn mentor, heeft een dagbesteding en woont zelfstandig in een studio in [plaats] . De raadsman vindt het niet wenselijk om het verblijf bij [instelling] te doorkruisen met een terugplaatsing, die onder deze omstandigheden disproportioneel zou zijn.
De beoordeling
Bij de beoordeling van de vordering tot terugplaatsing stelt de rechtbank voorop dat een bevel tot terugplaatsing op grond van artikel 6:6:32 lid 3 onder c Sv als doel heeft de veroordeelde te bewegen tot het naleven van de voorwaarden die zijn gesteld in het kader van de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel.
Uit de adviezen en hetgeen ter zitting is besproken blijkt overduidelijk dat de veroordeelde zich in de afgelopen periode onvoldoende aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden; hij is afspraken regelmatig niet nagekomen en communiceert niet afdoende of onduidelijk met de reclassering. De reclassering heeft de veroordeelde meerdere kansen gegeven, maar ziet vrijwel geen gedragsverandering, ook niet na de zitting bij de rechter-commissaris op 16 februari 2026. Uit het aanvullende advies van de reclassering van 5 maart 2026 blijkt namelijk dat er nog steeds onduidelijkheid bestaat over het werk van de veroordeelde en dat hij niet al zijn afspraken bij de reclassering is nagekomen. Ook ter zitting heeft de veroordeelde geen stukken laten zien waaruit blijkt dat hij inderdaad aan het werk is, inmiddels (naar zijn zeggen) bij [bedrijf] in Den Haag. De mededelingen van de veroordeelde blijven uiterst vaag en niet controleerbaar, terwijl het toch duidelijk is (en dat zou het de veroordeelde inmiddels ook moeten zijn) dat het op zijn weg ligt om zijn beweringen met stukken te onderbouwen, zodat de reclassering haar controlerende taak kan uitvoeren. In zoverre staat vast dat aan een voorwaarde voor terugplaatsing is voldaan.
Toch zal de rechtbank niet overgaan tot terugplaatsing. Het einde van de PIJ-maatregel is in zicht en de mogelijkheden om een gedragsverandering te bewerkstelligen binnen de maatregel zijn in feite uitgeput. Dit blijkt al uit de behandelverslagen van de inrichting in eerdere zaken en ook uit de stukken die in het kader van deze zitting zijn overgelegd. Een terugplaatsing voor korte duur zal dan ook niet van toegevoegde waarde zijn en zal geen effect hebben op de motivatie van de veroordeelde om het contact met de reclassering te verbeteren. Door een terugplaatsing voor de resterende termijn van de maatregel zal de veroordeelde echter hoogstwaarschijnlijk wel zijn woonplek bij [instelling] verliezen. Het wonen en de begeleiding bij [instelling] verloopt goed. De rechtbank vindt belangrijk dat dat wordt gecontinueerd, zodat de veroordeelde verder kan profiteren van de begeleiding aldaar.
Het is aan de reclassering om de binnen de termijn van de PIJ-maatregel nog invulling te geven aan de opgelegde voorwaarden, en te bepalen hoe intensief die controle en begeleiding nog zal moeten zijn, waarbij de rechtbank zich kan voorstellen dat de feitelijke begeleiding van de veroordeelde steeds meer bij [instelling] zal komen te liggen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot terugplaatsing afwijzen.
De beslissing
De rechtbank:
wijst de vordering tot terugplaatsing in een inrichting af.
Deze beslissing is gegeven te Den Haag door mr. A.M.A. Keulen,
mr. M.M.C. Limbeek,
en mr. J.A.H.M. Janssen,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.